Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:3750

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-04-2018
Datum publicatie
25-04-2018
Zaaknummer
NL18.4436
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

asielaanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard, Zuid-Afrika een veilig derde land voor eiser, beroep ongegrond

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.4436


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. B.J.P.M. Ficq),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Groenendijk).


Procesverloop
Bij besluit van 27 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 13 februari 2018 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen J.B. Rutagengwa. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Congolese nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] 1979.

2. Eiser heeft in zijn asielrelaas naar voren gebracht dat hij in 2001 in Zuid-Afrika als vluchteling is erkend en dat hij daar tot 2018 heeft gewoond, ondanks dat zijn verblijfsdocument in 2016 was verlopen. In de zienswijze heeft eiser deze verklaring gewijzigd en gesteld dat zijn verblijfsdocument reeds in 2006 was verlopen en dat hij sindsdien illegaal in Zuid-Afrika heeft gewoond. Eiser heeft verklaard dat hij in 2015 een vals Zuid-Afrikaans paspoort en identiteitskaart heeft aangeschaft, omdat hij anders als vluchteling niet veilig zou kunnen leven en geen werk zou kunnen vinden. Eiser heeft Zuid-Afrika verlaten omdat hij sinds juni 2017 door zijn collega’s werd bedreigd omdat zij erachter zijn gekomen dat hij geen Zuid-Afrikaan was en illegale identiteitsdocumenten in zijn bezit had.

3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, Vreemdelingewet 2000 (Vw), omdat verweerder Zuid-Afrika als veilig derde land voor eiser beschouwt.

4.1

Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat er onvoldoende redenen zijn om aan te nemen dat hij tot Zuid-Afrika zal worden toegelaten. Verweerder heeft, door te overwegen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet zal worden toegelaten tot Zuid-Afrika, de bewijslast ten onrechte omgedraaid. Het is aan verweerder te onderzoeken of er redenen zijn om aan te nemen dat eiser toegelaten wordt tot Zuid-Afrika. Eiser heeft lange tijd niet over een legale verblijfsvergunning in Zuid-Afrika beschikt. Hij verwijst naar een vergelijkbare zaak waarin een in Zuid-Afrika erkende vluchteling niet werd toegelaten door Zuid-Afrika, terwijl die net als eiser in het bezit was van een verlopen Zuid-Afrikaanse vluchtelingenkaart.

4.2

Zoals in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 december 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:3379) is overwogen kan verweerder slechts tegenwerpen dat een derde land voor een specifieke vreemdeling een veilig derde land is indien die vreemdeling wordt toegelaten tot dat land. Zoals volgt uit paragraaf C2/6.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) is het aan verweerder, die immers tegenwerpt dat een vreemdeling uit een veilig derde land komt, om aannemelijk te maken dat een vreemdeling wordt toegelaten tot een bepaald land. Hiertoe dient hij aan de hand van informatie uit algemene bronnen, of op basis van de verklaringen van een vreemdeling redenen aan te dragen waarom toegang in beginsel mogelijk moet zijn. Vervolgens is het aan een vreemdeling om aan te tonen dat de door verweerder geschetste mogelijkheden om toegang te krijgen tot het land in zijn geval niet aanwezig zijn.

4.3

In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat er redenen zijn om aan te nemen dat eiser wordt toegelaten tot Zuid-Afrika. Verweerder heeft daarbij betrokken dat eiser in eerste instantie heeft verklaard dat zijn verblijfsstatus in Zuid-Afrika vanaf 2001 elke twee jaar is verlengd en dat na het verlopen van zijn verblijfsdocument in 2016 deze niet meer is verlengd. Verweerder werpt tegen dat eiser tevens heeft verklaard in 2016 een paar keer naar de immigratiedienst te zijn geweest om te vragen of hij een nieuw verblijfsdocument zou krijgen, dat hij sinds 2016 tot aan zijn vertrek niet meer heeft geïnformeerd over de stand van zaken van zijn aanvraag tot verlenging en dat hij uiteindelijk heeft verklaard niet te weten of zijn verblijfsdocument is verlengd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit als redenen mogen aanmerken om aan te nemen dat eiser zal worden toegelaten tot Zuid-Afrika. Dat eiser een voorbeeld kent van een vreemdeling die volgens eiser in vergelijkbare omstandigheden niet werd toegelaten, is onvoldoende om aan te tonen dat de door verweerder geschetste mogelijkheden om toegang te krijgen tot het land in zijn geval niet aanwezig zijn. Dat eiser in zijn zienswijze op zijn verklaring is teruggekomen door te verklaren dat hij reeds sinds 2006 niet meer over een verblijfsdocument beschikte, heeft verweerder niet ten onrechte niet aannemelijk geacht.

5.1

Eiser voert verder aan dat niet is voldaan aan de beginselen als opgenomen in artikel 3.106a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000. Vanwege zijn nationaliteit kan niet worden volgehouden dat zijn leven en vrijheid in Zuid-Afrika niet in gevaar is, noch dat er geen risico bestaat op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. De enige manier waarop hij in Zuid-Afrika veilig kon leven en een behoorlijke baan kon vinden, was door zich voor te doen als Zuid-Afrikaan. Uit het feit dat eiser in 2015 een vals Zuid-Afrikaans paspoort en identiteitskaart heeft aangeschaft, kan worden afgeleid dat de erkenning als vluchteling in Zuid-Afrika onvoldoende bescherming, rechten en/of kansen biedt om een veilig bestaan op te bouwen. Eiser wijst op een artikel in de Washington Post van 15 februari 2017.

5.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte uitgaat van eisers uitgebreide eerste verklaring, dat hij in Zuid-Afrika als vluchtelingenstatushouder een geldige verblijfsvergunning had tot 2016. In beroep heeft eiser hiertegen ook geen gronden gericht. Anders dan eiser aanvoert, volgt naar het oordeel van de rechtbank niet uit het door eiser aangehaalde artikel dat het leven en de vrijheid van vluchtelingenstatushouders in Zuid-Afrika wordt bedreigd. Er staat dat hun rechten in Zuid-Afrika goed geregeld zijn, dat er weliswaar een voorstel ligt om het beleid strenger vorm te geven, maar dat het land open blijkt te staan voor feedback hierop. Dat Zuid-Afrika voor eiser geen veilig derde land zou zijn, omdat vluchtelingenstatushouders niet veilig kunnen leven en geen behoorlijke baan kunnen vinden, heeft verweerder dan ook terecht niet aannemelijk geacht. Verweerder heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank ook niet ten onrechte tegengeworpen dat eiser geen inspanningen heeft verricht om zijn verblijfsvergunning wederom te verlengen, dan wel een permanente verblijfsvergunning te bemachtigen.

6. Eiser komt niet in aanmerking voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw.

7. De aanvraag is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Pluymaekers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 april 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.