Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:3748

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-04-2018
Datum publicatie
25-04-2018
Zaaknummer
SGR 17/3781
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om nadeelcompensatie wegens grondwateroverlast in kelder afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2018-0121
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/3781

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 april 2018 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: R.A. Wassenburg).

Procesverloop

Bij besluit van 17 november 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek om nadeelcompensatie van eiser van 31 augustus 2016 afgewezen.

Bij besluit van 17 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door [persoon 1] en [persoon 2]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van [persoon 3].

Overwegingen

1.1

Eiser is sinds 1985 eigenaar van de woning aan [adres 1] in [wijk] te [plaats]. In 2008 is de gemeente Den Haag begonnen met de aanleg van een gescheiden hemelwaterriool in [wijk]. Voorts zijn in de periode van 2009 tot en met 2011 infiltratievoorzieningen gerealiseerd in groenstroken in de wijk. Afstromend hemelwater afkomstig van wegen stroomt naar de infiltratievoorzieningen en sijpelt daar de bodem in.

1.2

Bij brief van 31 augustus 2016 heeft eiser verweerder verzocht om vergoeding van de kosten voor het aanleggen van een drainvloer in de kelder van zijn woning en de installatie van een automatische afvoerpomp naar het riool. De kosten bedragen € 7.253,95. Eiser heeft aan dit verzoek ten grondslag gelegd dat de grondwateroverlast in zijn kelder sterk is toegenomen sinds de aanleg van het nieuwe rioolstelsel en de infiltratievoorzieningen. De drainvloer met pomp is een duurzame oplossing tegen de grondwateroverlast. Eiser heeft zijn verzoek gebaseerd op artikel 7.14 en artikel 7.18 van de Waterwet.

2. Verweerder heeft het verzoek bij het primaire besluit afgewezen en dit bij het bestreden besluit gehandhaafd. Verweerder heeft daaraan – voor zover van belang – ten grondslag gelegd dat de grondwateroverlast in eisers woning niet het gevolg is van de aanleg van de infiltratievoorzieningen. Uit onder meer de notitie van Wareco van 22 april 2014 volgt namelijk dat alleen bij panden die op zeer korte afstand (maximaal dertig meter) van een infiltratievoorziening zijn gelegen, sprake is van een grondwaterstijging van maximaal tien centimeter gedurende enkele dagen na een regenbui. Nu de afstand tussen eisers woning en de meest dichtbijgelegen infiltratievoorziening 65 meter bedraagt, heeft de aanleg van de infiltratievoorzieningen niet of slechts in verwaarloosbare mate bijgedragen aan de grondwateroverlast in de kelder van eiser. Daarbij komt dat er andere factoren zijn (neerslag, verschralingsmaatregelen in [park], zandsuppletie op het [strand] en de waterstanden in de [beek] in relatie tot de kleilaag) die de grondwaterstand beïnvloeden, aldus verweerder.

3. Eiser betoogt dat uit het rapport van Acaciawater van 23 maart 2017 volgt dat de aanleg van de infiltratievoorzieningen heeft geleid tot een structurele verhoging van de grondwaterstand in [wijk] met tien tot dertig centimeter. In [straat] zijn drie infiltratievoorzieningen aangelegd en in het rapport is ter plaatse een grondwaterstandverhoging van ongeveer twintig centimeter vastgesteld. Omdat eisers woning in de onmiddellijke nabijheid van [straat] ligt, bestaat er een causaal verband tussen de aanpassing van het riool, inclusief de infiltratievoorzieningen, en de toename van de grondwateroverlast. Anders dan verweerder stelt, zijn er geen andere mogelijke oorzaken. In de afgelopen jaren heeft zich geen verhoogde regenval voortgedaan, zandsuppletie heeft volgens een rapport van Rijkswaterstaat nagenoeg geen effect gehad op de grondwaterstand en uit het rapport van Acaciawater volgt dat het effect van de aanleg van een kleilaag in de [beek] op de grondwaterstand nihil is.

4. Ter onderbouwing van het causaal verband heeft eiser ter zitting een document overgelegd waarin de ontwikkeling van de grondwaterstand ter hoogte van [adres 2] te [plaats] en de regencijfers zijn uiteengezet. Verweerder was ter zitting niet in staat hier adequaat op te reageren. Nu niet is gebleken dat eiser het document niet eerder had kunnen indienen, verzet de goede procesorde zich tegen toelating daarvan in deze procedure. De rechtbank zal het document daarom bij de beoordeling van het beroep buiten beschouwing laten.

5. Voor zover eisers verzoek om nadeelcompensatie is gebaseerd op artikel 7.18 van de Waterwet overweegt de rechtbank dat de door eiser gestelde schadeoorzaken – de aanleg van het nieuwe rioolstelsel en de infiltratievoorzieningen – niet vallen onder de reikwijdte van dit artikel. Van het infiltreren van water krachtens een watervergunning is immers geen sprake. Wat betreft de door eiser ter zitting gestelde schending door verweerder van artikel 3.6 van de Waterwet (de zorgplicht) stelt de rechtbank vast dit niet aan het verzoek om nadeelcompensatie ten grondslag is gelegd. Eiser heeft dit ter zitting ook bevestigd. Daarbij komt dat schending van de zorgplicht een onrechtmatige daad zou opleveren, terwijl artikel 7.14 van de Waterwet niet van toepassing is op schadevergoeding voor onrechtmatig overheidshandelen. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 1 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2925.

6.1

Artikel 7.14, eerste lid, van de Waterwet bepaalt dat aan degene die als gevolg van de rechtmatige uitoefening van een taak of bevoegdheid in het kader van het waterbeheer schade lijdt of zal lijden, op zijn verzoek door het betrokken bestuursorgaan een vergoeding wordt toegekend, voor zover de schade redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd.

6.2

Voor zover eiser stelt dat de schade is ontstaan door de aanleg van het nieuwe rioolstelsel heeft verweerder het verzoek om nadeelcompensatie terecht afgewezen. Gelet op de omschrijving van “waterbeheer” in artikel 1.1 van de Waterwet en de in artikel 2.1, eerste lid, van de Waterwet, geformuleerde doelstellingen, vallen rioleringswerkzaamheden niet onder de taken of bevoegdheden van verweerder in het kader van het waterbeheer. Schade als gevolg van deze werkzaamheden komt daarom niet op grond van artikel 7.14 van de Waterwet voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 11 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:356.

6.3

Naar het oordeel van de rechtbank kan de aanleg van de infiltratievoorzieningen wel worden aangemerkt als taak of bevoegdheid in het kader van waterbeheer, nu de infiltratievoorzieningen onder meer als doel hebben wateroverlast te voorkomen.

7.1

De rechtbank stelt voorop dat voor het toekennen van nadeelcompensatie onder meer is vereist dat een causaal verband tussen de schade en het rechtmatige overheidshandelen aannemelijk is. De bewijslast daarvan rust bij de verzoeker om nadeelcompensatie. Het ligt dus op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat de aanleg van de infiltratievoorzieningen heeft geleid tot de grondwateroverlast in zijn kelder.

7.2

De rechtbank is van oordeel dat het door eiser overgelegde rapport van Acaciawater onvoldoende aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat sprake is van bedoeld causaal verband. Dit rapport ziet niet specifiek op de grondwaterstand rond eisers woning. Voorts is in dit rapport uitgegaan van de berekeningen uit de notitie van Wareco van 22 april 2014, waarin is geconcludeerd dat de grondwaterstand bij bebouwing die direct grenst aan de infiltratievoorzieningen, tijdelijk (gedurende enkele dagen) stijgt met minder dan één centimeter tot maximaal tien centimeter. Deze berekeningen zijn gebaseerd op meerdere neerslagscenario’s, van een jaarlijks terugkerende neerslagsituatie tot een extreme situatie die zich eens in de tien jaar voordoet. Uit figuur 4 van de notitie van Wareco volgt dat eisers woning buiten de invloedssfeer van de meest nabijgelegen infiltratievoorzieningen in [straat] ligt. Naar het oordeel van de rechtbank wijst ook deze notitie dus niet op een causaal verband. De stelling van eiser ter zitting dat deze berekeningen onjuist zijn, is niet onderbouwd zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat.

8. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat de stelling van eiser dat er causaal verband is tussen de infiltratievoorzieningen en de gestelde schade onvoldoende steun vindt in het dossier. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat zowel in de notitie van Wareco als in het rapport van Acaciawater andere mogelijke oorzaken voor de grondwaterstijging – zoals meteorologische omstandigheden en klimaatverandering, verandering van de duinbegroeiing en kustmorfologie – niet worden uitgesloten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het verzoek om nadeelcompensatie dan ook op goede gronden afgewezen.

9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.X. Cozijn, voorzitter, mr. H.P.M. Meskers en mr. A.L. Frenkel, leden, in aanwezigheid van mr. F.M.E. Schulmer, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 3 april 2018.

De griffier is verhinderd

deze uitspraak te ondertekenen

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.