Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:3744

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-03-2018
Datum publicatie
25-04-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 1086
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet langdurige zorg, invulling begrip kwalitatief verantwoorde zorg, artikel 5.18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling langdurige zorg.

Wetsverwijzingen
Regeling langdurige zorg 5.18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/1086

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 maart 2018 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser,

wettelijk vertegenwoordigd door zijn moeder [moeder van eiser] ([moeder van eiser]),

(gemachtigde: mr. W.A. Timmer),

en

CZ Zorgkantoor, te Tilburg, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Baytemir).

Procesverloop

Bij besluit van 17 september 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de zorgovereenkomst met zorgbeschrijving van 12 mei 2016 tussen eiser en [moeder van eiser] afgekeurd.

Bij besluit van 31 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2018 en 19 februari 2018. Op beide data heeft eiser zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [moeder van eiser]. Verweerder heeft zich op 19 februari 2018 laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser, geboren op [geboortedatum] 2012, is zwaar meervoudig gehandicapt en is door zijn beperkingen aangewezen op intensieve verzorging en verpleging. Eiser woont thuis en is door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ), laatstelijk bij besluit ingevolge de Wet langdurige zorg (Wlz) van 4 augustus 2015, geïndiceerd voor het zorgzwaartepakket 8VG, in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Vanuit het pgb is [vader van eiser], de vader van eiser, tot mei 2016 als voornaamste zorgverlener thuis ingezet.

Bij toekenningsbeschikking van 16 december 2015 is aan eiser voor het jaar 2016 een pgb budget toegekend van € 67.753,-.

1.2.

Eisers broer, [broer van eiser], geboren op [geboortedatum] 2008, is eveneens zwaar meervoudig gehandicapt en door zijn beperkingen aangewezen op intensieve verzorging en verpleging. Ook [broer van eiser] is door het CIZ, laatstelijk bij besluit ingevolge de Wlz van 13 augustus 2014, geïndiceerd voor het zorgzwaartepakket 8VG, in de vorm van een pgb. Vanuit het pgb wordt [moeder van eiser] voor [broer van eiser] als voornaamste zorgverlener thuis ingezet. Zij heeft een zorgovereenkomst met hem en verleent hem voor 40 uur per week zorg.

1.3.

Op 12 mei 2016 heeft eiser met [moeder van eiser] een zorgovereenkomst gesloten met als ingangsdatum 10 mei 2016. Op grond van deze overeenkomst verleent [moeder van eiser] aan hem 40 uur per week zorg (begeleiding individueel, persoonlijke verzorging en verpleging). [moeder van eiser] mag hiervoor een vergoeding van € 3.275,00 per maand declareren. Deze vergoeding zal worden betaald uit het pgb van eiser. Bij de zorgovereenkomst is een zorgbeschrijving gevoegd.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder de zorgovereenkomst met eiser en de zorgbeschrijving afgekeurd, omdat [moeder van eiser] al voor 40 uur per week zorgverlener is van [broer van eiser]. Het verlenen van meer uren zorg is volgens verweerder in strijd met de Arbeidstijdenwet. Verweerder heeft in dit verband gewezen op artikel 5.18 van de Regeling langdurige zorg (Rlz). Daarin is bepaald dat een zorgverlener niet meer dan 40 uur per week werkzaamheden mag verrichten. Anders is volgens verweerder geen sprake van verantwoorde zorg met voldoende kwaliteit.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat eiser geen kwalitatief verantwoorde zorg heeft ingekocht en daarom niet heeft voldaan aan de hem opgelegde verplichting, als bedoeld in artikel 5.18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Rlz. Volgens verweerder kan geen sprake zijn van kwalitatief verantwoorde zorg wanneer [moeder van eiser], zoals volgt uit de zorgovereenkomsten met beide broers, 80 uur per week zorg wil verlenen.

4. In beroep voert eiser aan dat verweerder in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft nagelaten een onderzoek te verrichten naar de door [moeder van eiser] te verlenen zorg. Hij betwist dat [moeder van eiser] niet in staat is 80 uur per week kwalitatief verantwoorde zorg te leveren. Eiser wijst hierbij op de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 3 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:42 en van de rechtbank Noord-Nederland van 26 januari 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:310.

5. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Ingevolge artikel 3.3.3, vierde lid, aanhef en onder a, van de Wlz wordt het persoonsgebonden budget, onverminderd het vijfde lid en andere bij wettelijk voorschrift gestelde voorwaarden of beperkingen, verleend, indien naar het oordeel van het zorgkantoor met het persoonsgebonden budget op doelmatige wijze zal worden voorzien in toereikende zorg van goede kwaliteit.

5.2.

Ingevolge artikel 5.18, eerste lid, aanhef en onder b, onderscheidenlijk d, van de Regeling langdurige zorg (Rlz) wordt bij de verlening van het pgb de verzekerde de verplichting opgelegd dat

( b) de zorg die de verzekerde inkoopt kwalitatief verantwoord is;

( d) de verzekerde ervoor zorgdraagt dat een zorgverlener op wie het Arbeidstijdenbesluit niet van toepassing is niet meer dan 40 uur in één week voor hem werkzaamheden verricht.

6. In geschil is of verweerder terecht en op juiste gronden de zorgovereenkomst met zorgbeschrijving tussen eiser en [moeder van eiser] heeft afgekeurd.

6.1.

De rechtbank stelt voorop dat sinds de overgang van de Algemene wet bijzondere ziektekosten (Awbz) naar de Wlz per 1 januari 2015 het aan verweerder is om vooraf de kwaliteit van de ingekochte zorg te controleren en niet meer achteraf, zoals voorheen het geval was. Dit volgt uit het systeem van de wet. Verweerder moet er strikt op toezien dat de betrokkenen de voor hen geïndiceerde gekwalificeerde zorg krijgen en dat het gemeenschapsgeld dat hiermee gemoeid is ook wordt gebruikt om gekwalificeerde zorg in te kopen voor betrokkenen die van deze gekwalificeerde zorg afhankelijk zijn. Het zorgkantoor ziet in dit verband ook toe op een verantwoorde en juiste besteding van het pgb. Dat begint bij de aanvraag van een pgb door bijvoorbeeld het budgetplan en de zorgcontracten met hulpverleners te beoordelen en goed te keuren. In dit geval heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van kwalitatief verantwoorde zorg, omdat meerdere budgethouders ieder voor 40 uur per week zorg inkopen bij één zorgverlener.

6.2.

Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het begrip ‘kwalitatief verantwoorde zorg’, als bedoeld in artikel 5.18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Rlz, mede is ingevuld met de in onderdeel d van die bepaling genoemde verplichting. Verweerder beoogt hiermee te voorkomen dat een zorgverlener meer dan 40 uur per week zorg gaat verlenen, ongeacht of deze zorg aan één of meer budgethouders binnen een gezin wordt verleend. Deze regeling is (nog) niet expliciet in de Rlz opgenomen, maar het is met het oog op de intensieve, complexe verzorging van kinderen met een grote kwetsbaarheid niet haalbaar en evenmin wenselijk dat een zorgverlener structureel meer dan 40 uur per week zorg verleent. Enerzijds ziet dit op de kwaliteit van de zorg en anderzijds dient overbelasting van de zorgverlener te worden voorkomen. In dit geval verleent [moeder van eiser] al 40 uur zorg aan eisers broer en daarmee is volgens verweerder het maximum van de door haar te verlenen uren zorg bereikt.

6.3.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee op juiste wijze in lijn met de strekking van de Rlz invulling heeft gegeven aan het begrip ‘kwalitatief verantwoorde zorg’ en zij vindt hiervoor steun in de brieven van 23 april 2015 en 18 november 2016 van de (toenmalige) Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, gericht aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De brief van 18 november 2016 betreft de gemaximeerde 40 uren zorg, genoemd in artikel 5.18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Rlz. In de brief staat vermeld, en de rechtbank citeert: “Verzekerden in de Wlz hebben een hoge en vaak complexe zorgvraag, kennen grote kwetsbaarheid en hebben over het algemeen vele uren zorg nodig. Om de kwaliteit van die zorg te waarborgen en overbelasting van de betreffende informele zorgverlener, veelal een mantelzorger, te voorkomen vind ik het belangrijk om een grens te stellen aan het aantal uren dat een informele zorgverlener kan worden ingezet middels het pgb. Vanwege de vaak complexe zorgvraag is het ook goed dat een professionele zorgverlener betrokken is”. In de brief van 23 april 2015 gaat het om intensieve kindzorg onder de Zorgverzekeringswet in relatie tot de tarieven voor informele zorgverlening. In deze brief staat vermeld, en de rechtbank citeert: “Juist vanuit de kwetsbaarheid van de gezinssituatie, het kind, maar ook de ouder die vaak de zorgtaken volledig op zich neemt, moet een aantal zaken in het oog worden gehouden:

Overbelasting: regelmatig wordt nu veel meer dan 40 uur per week gedeclareerd door een ouder. Dat betekent dat hij/zij zeer zwaar belast wordt. Onder de Awbz, nu de Wlz, was analoog aan de arbeidstijdenwetgeving expliciet uitgesloten dat meer dan 40 uur per week gewerkt kon worden, maar in de praktijk is gebleken dat dit toch kon gebeuren. Ik bekijk of een dergelijke expliciete begrenzing van maximaal 40 uur uitbetalen per zorgverlener ook in regelgeving onder de Zvw kan worden opgenomen”. Dit alles leidt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het verlenen van meer dan 40 uur per week zorg door één zorgverlener kwalitatief niet verantwoord is te achten, als bedoeld in artikel 5.18, eerste lid, aanhef en onder b van de Rlz. In dat licht heeft verweerder de zorgovereenkomst met zorgbeschrijving van 12 mei 2016 tussen eiser en [moeder van eiser], die ertoe leidt dat [moeder van eiser] 80 uur per week zorg zou verlenen aan haar kinderen, dan ook terecht afgekeurd op de grond dat daarmee niet wordt voorzien in toereikende zorg van goede kwaliteit.

6.4.

De stelling van eiser dat sprake is van bijzondere omstandigheden (de verpleegkundige achtergrond van [moeder van eiser] en twee thuiswonende zonen met vergelijkbare problematiek en zorgbehoefte) doet niet af aan de strekking van de regelgeving, waarbij een expliciete begrenzing van 40 uur per week zorgverlening is gegeven.

6.5.

De uitspraak van 26 januari 2018 van de rechtbank Noord-Nederland, waar eiser ter zitting op heeft gewezen, kan evenmin leiden tot een ander oordeel. Deze uitspraak lijkt in het bijzonder ingegeven door de letterlijke tekst van artikel 5.18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Rlz, zonder dat daarbij de strekking van de regelgeving in aanmerking wordt genomen.

6.6.

Het beroep van eiser ter zitting op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 3 januari 2018 faalt ten slotte eveneens, reeds omdat in de situatie waarop die uitspraak betrekking heeft geen sprake was van een zorgverlener die meer dan 40 uur per week zorg bood.

7. Gezien het bovenstaande is het beroep ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L. Frenkel, voorzitter, en mr. M.M. Meessen en mr. O.M. Harms, leden, in aanwezigheid van mr. N. Breda, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.