Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:3708

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-03-2018
Datum publicatie
25-04-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 5087
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beëindiging verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan en afwijzing aanvraag voor duurzaam verblijf op grond van EU-gemeenschapsrecht. Verweerder heeft terecht het middelenvereiste aan eiseres tegengeworpen. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/5087

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 maart 2018 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. T. Sönmez),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. T. Schuitemaker).

Procesverloop

Bij besluit van 12 augustus 2016 (het primaire besluit I) heeft verweerder vastgesteld dat het verblijfsrecht van eiseres als gemeenschapsonderdaan is geëindigd. Bij besluit van 5 september 2016 (het primaire besluit II) heeft verweerder de aanvraag tot afgifte van een document ‘duurzaam verblijf burgers van de Unie’ afgewezen.

Bij besluit van 6 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen beide primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2018.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1988 en bezit de Russische nationaliteit. Vanaf 9 november 2010 verbleef eiseres rechtmatig in Nederland op grond van haar toenmalige relatie met [persoon A] met de Griekse nationaliteit. Op 2 mei 2014 is het huwelijk tussen eiseres en haar Griekse echtgenoot geëindigd.

2. Per 28 mei 2015 ontvangt eiseres een bijstandsuitkering. Op 11 november 2015 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument duurzaam verblijf voor burgers van de Unie en hun familieleden. Naar aanleiding van een ambtshalve onderzoek door verweerder, aangekondigd bij brief van 21 juni 2016, heeft verweerder bij het primaire besluit I vastgesteld dat het verblijfsrecht van eiseres als gemeenschapsonderdaan per 2 mei 2014 is geëindigd nu eiseres niet heeft aangetoond dat zij na de scheiding met haar echtgenoot over voldoende (bestaans)middelen heeft beschikt of arbeid heeft verricht. Tevens geldt dit besluit als terugkeerbesluit. Verweerder heeft daarnaast bij het primaire besluit II de aanvraag van eiseres van 11 november 2015 voor voornoemd verblijfsdocument afgewezen, nu eiseres niet vijf jaar onafgebroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. In het bestreden besluit heeft verweerder (de standpunten in) voornoemde besluiten gehandhaafd.

3. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte aan het middelenvereiste heeft getoetst. Eiseres stelt dat verweerder voor 2016 niet aan het middelenvereiste toetste in zaken zoals de onderhavige waarin sprake is van een derdelander die meer dan drie jaar gehuwd is geweest en meer dan één jaar in Nederland heeft verbleven. Ter onderbouwing wijst de gemachtigde van eiseres op zijn ervaring dat voor 2016 vergelijkbare aanvragen altijd werden ingewilligd. Artikel 8.15, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) is gewijzigd met ingang van 1 maart 2016 en eiseres meent dat verweerder vanaf deze datum het beleid heeft veranderd en aan het middelenvereiste is gaan toetsen. Nu in de onderhavige zaak het toetsmoment voor 1 maart 2016 ligt, heeft verweerder het verkeerde beleid toegepast. Bovendien heeft verweerder voornoemde wijziging niet deugdelijk bekend gemaakt en is de beslispraktijk plotseling veranderd, hetgeen in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel.

4.1

Ingevolge artikel 8.15, vierde lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 eindigt onverminderd het vijfde lid, het rechtmatig verblijf evenmin door de ontbinding of nietigverklaring van het huwelijk of de beëindiging van het geregistreerd partnerschap indien het huwelijk voor het begin van de gerechtelijke procedure tot scheiding of nietigverklaring, onderscheidenlijk het partnerschap voor beëindiging daarvan, ten minste drie jaar heeft geduurd, waarvan de vreemdeling ten minste één jaar in Nederland heeft verbleven.

4.2

In artikel 8.15, vijfde lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 (oud), zoals dit gold ten tijde in geding en voor zover van belang, was bepaald dat in afwijking van het tweede lid, onder a, en het vierde lid, het rechtmatig verblijf van de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid, die niet de nationaliteit van een staat bezit als bedoeld in het eerste lid van dat artikel, kan worden beëindigd indien hij een onredelijke belasting voor het sociale bijstandsstelsel vormt, tenzij hij het duurzaam verblijfsrecht, bedoeld in artikel 8.17, heeft verkregen, of is aangetoond dat hij werknemer of zelfstandige is, of voor zichzelf en zijn familieleden beschikt over voldoende middelen van bestaan (…).

4.3

In artikel 8.15, vijfde lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000, zoals dit thans geldt en voor zover van belang, is bepaald dat in afwijking van het tweede lid, onder a, en het vierde lid, het rechtmatig verblijf van de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid, die niet de nationaliteit van een staat bezit als bedoeld in het eerste lid van dat artikel, blijft onderworpen aan de voorwaarde dat hij voor zichzelf en zijn familieleden over voldoende middelen van bestaan beschikt om te voorkomen dat zij ten laste komen van het sociale bijstandsstelsel, tenzij hij het duurzaam verblijfsrecht, bedoeld in artikel 8.17, heeft verkregen of is aangetoond dat hij werknemer of zelfstandige is, of voor zichzelf en zijn familieleden beschikt over voldoende middelen van bestaan (…).

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

Artikel 13 van de Richtlijn 2004/38 EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het recht op vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor burgers van de Unie en hun familieleden (hierna: de Richtlijn) ziet op het behoud van het verblijfsrecht van familieleden in geval van onder meer scheiding. Dit artikel bepaalt dat de partner van een EU-onderdaan na beëindiging van het huwelijk voor behoud van het verblijfsrecht dient aan te tonen dat zij werknemer of zelfstandige is, of anderszins over voldoende middelen van bestaan beschikt. Artikel 13 van de Richtlijn is geïmplementeerd in artikel 8.15 van het Vb 2000 en in het vijfde lid van dit artikel is het middelenvereiste neergelegd. De rechtbank overweegt dat de tekst van artikel 8.15, vijfde lid, van het Vb 2000 per 1 maart 2016 is gewijzigd, maar dat deze wijziging enkel beoogde om beter aan te sluiten bij de tekst van artikel 13 van de Richtlijn (zie de Nota van toelichting bij het staatsblad van 24 februari 2016, Stb. 2016, 86). Ook anderszins is de rechtbank niet gebleken dat met voornoemde wijziging het beleid van verweerder per 1 maart 2016 is gewijzigd. De niet onderbouwde stelling dat in eerdere procedures het middelenvereiste niet werd tegengeworpen en de enkele stelling ter zitting dat op de oude aanvraagformulieren het middelenvereiste niet stond vermeld, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

5.2

Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht het middelenvereiste aan eiseres heeft tegengeworpen. Niet in geschil is dat eiseres niet heeft aangetoond na de scheiding over voldoende middelen van bestaan te beschikken of arbeid te hebben verricht. De rechtbank concludeert daarom dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat het (afgeleide) rechtmatig verblijf van eiseres per 2 mei 2014 is geëindigd en terecht en op goede gronden de aanvraag voor duurzaam verblijf op grond van EU-gemeenschapsrecht heeft afgewezen.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van mr. E.F. Binnendijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.