Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:3673

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-03-2018
Datum publicatie
23-05-2018
Zaaknummer
C/09/548380 / JE RK 18-385
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

afwijzing verzoek ondertoezichtstelling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd & Bopz

Zaaksgegevens: C/09/548380 / JE RK 18-385

Datum uitspraak: 19 maart 2018

Beschikking van de kinderrechter

Afwijzing verzoek ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak naar aanleiding van het op 19 februari 2018 ingekomen verzoekschrift van:

de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden (hierna te noemen: de Raad),

betreffende:

- [minderjarige] geboren op [geboortedag] 2002 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige]

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[grootouders] ,

hierna te noemen: de grootouders,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. Y.A.R. Seen te Noord-Scharwoude.

De kinderrechter merkt als informant aan:

[de vrouw] ,hierna te noemen: de moeder,wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Het procesverloop

De advocaat van de grootouders heeft ter terechtzitting verzocht om de moeder als belanghebbende aan te merken, omdat zij regelmatig omgang heeft met [minderjarige] De kinderrechter overweegt daartoe dat de moeder bij beschikking van 6 juni 2012 is ontheven van het gezag over [minderjarige] en dat de moeder bovendien niet de verzorger of opvoeder van [minderjarige] is. De kinderrechter ziet daarom geen aanleiding om haar als belanghebbende aan te merken. De kinderrechter hecht echter wel belang aan de mening van de moeder en zal haar daarom als informant aanmerken.

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift (inclusief bijlagen);

- de beschikking van 6 juni 2012 van de rechtbank Middelburg, ingebracht door de Raad;

- de brief van 14 maart 2018 van de zijde van de advocaat van de grootouders (inclusief producties).

Op 19 maart 2018 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij zijn verschenen:

- de heer [A] namens de Raad;

- de grootouders, bijgestaan door hun advocaat, mr. Y.A.R. Seen;
- mevrouw [B] , namens Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland (hierna te noemen: de gecertificeerde instelling).

[minderjarige] is op 19 maart 2018 in raadkamer gehoord.

Feiten

- Bij beschikking van 6 juni 2012 is de grootmoeder benoemd tot voogdes over [minderjarige]

- [minderjarige] verblijft feitelijk bij de grootouders.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de periode van één jaar en tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de periode van één jaar. De Raad heeft, blijkens de stukken en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht, het volgende aan het verzoek ten grondslag gelegd. Er zijn zorgen over de persoonlijkheidsontwikkeling van [minderjarige] en haar toekomstperspectief naar aanleiding van het rapport van De Waag. De zorgen zijn voornamelijk gelegen in het feit dat de ontwikkeling en de basale veiligheid van [minderjarige] in het geding zijn door het loyaliteitsconflict, de gedragsproblematiek en de pas gestelde diagnose van een autisme spectrum stoornis. [minderjarige] heeft een beneden-gemiddelde intelligentie, oogt jonger dan haar kalenderleeftijd en heeft een norm overschrijdende-gedragsstoornis. [minderjarige] kampt met somberheidsklachten en heeft aangegeven soms aan zelfmoord te denken. Zij wil hulp ontvangen, omdat zij zelf niet altijd weet om te gaan met deze emoties en gedachtes. Daarnaast is er sprake van schoolverzuim. De middelen die reeds zijn ingezet om zowel [minderjarige] als haar omgeving te ondersteunen en de bedreigde ontwikkeling te doen afwenden, zijn niet toereikend gebleken. Door de recente ontwikkelingen rondom de nieuwe diagnose en de onzekerheden die dit meebrengt, kunnen de grootouders niet zonder inmenging van een derde persoon de opvoeding van [minderjarige] op zich nemen. [minderjarige] heeft een opvoedingsomgeving nodig, die veilig, rustig, consequent, ondersteunend, voorspellend en stimulerend is. Het is noodzakelijk dat [minderjarige] uit huis wordt geplaatst in de zorgboerderij waar zij nu ook verblijft totdat uitvoerig onderzocht is welke verblijfplaats aansluit bij de problematiek en behoeftes van [minderjarige]

Namens de gecertificeerde instelling is aangevoerd dat er wordt gezocht naar een plek die gespecialiseerd is in het omgaan met minderjarigen die een autisme spectrum stoornis hebben. [minderjarige] is zeer kwetsbaar en in de thuissituatie wordt haar onvoldoende voorspelbaarheid en structuur geboden. Daarnaast verloopt de samenwerking tussen de gecertificeerde instelling en de grootouders stroef.

Mr. Seen heeft, namens de grootouders, bepleit het verzoek af te wijzen. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat niet wordt voldaan aan het vereiste dat ‘de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd’, zoals omschreven in art. 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW). De grootouders hebben immers nooit zorg geweigerd en vragen bovendien voortdurend om hulp. Er is bij [minderjarige] een verkeerde diagnose gesteld, wat leidde tot onvoorspelbaar gedrag en crisissituaties. Inmiddels is [minderjarige] opnieuw gediagnosticeerd en thans is nog onbekend welk hulptraject moet worden ingezet. Uit het gesprekverslag van Horizon volgt voorts dat de grootouders altijd het belang van [minderjarige] voorop stellen en openstaan voor de hulpverlening. Bovendien is nog niet bekend welke plek volgens de Raad het meest geschikt zou zijn voor [minderjarige] , terwijl al wel een machtiging tot uithuisplaatsing is verzocht. Er dient eerst onderzocht te worden wat in het belang van [minderjarige] is, alvorens wordt overgegaan tot een uithuisplaatsing. De grootouders hebben – in aanvulling op hetgeen door de raadsvrouw is aangevoerd – aangegeven dat zij inmiddels zijn gestart met psycho-educatie, zodat zij leren omgaan met [minderjarige] De diagnose die Yulius heeft gesteld, namelijk borderline, en de bijbehorende behandeling, zijn niet goed voor [minderjarige] geweest. De grootouders stellen daarnaast het belang van [minderjarige] altijd voorop.

De moeder heeft aangegeven dat de grootouders zelf in staat zijn om te onderzoeken wat het beste is voor [minderjarige]

Beoordeling

De kinderrechter overweegt allereerst dat [minderjarige] een laag-gemiddelde intelligentie heeft en erg kwetsbaar is. Bovendien is er bij haar onlangs een autisme spectrum stoornis vastgesteld en is nog onduidelijk welke hulpverlening er voor haar en haar opvoeders moet worden ingezet. De kinderrechter overweegt voorts dat uit art. 1:255 BW volgt dat voor een ondertoezichtstelling onder meer is vereist dat ‘de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd’. [minderjarige] groeit sinds haar vierde jaar op bij de grootouders, die zich over haar hebben ontfermd en haar de nodige bescherming bieden. De grootouders hebben op eigen initiatief gezocht naar de juiste hulpverlening voor [minderjarige] en zichzelf. [minderjarige] is in het verleden gediagnosticeerd met een borderline stoornis en de behandeling die zij heeft gekregen was daarop gericht. Inmiddels is na nieuw onderzoek een andere diagnose gesteld: een autisme spectrum stoornis. De kinderrechter is van oordeel dat de grootouders opnieuw de kans moeten krijgen om hulpverlening in te schakelen die is gericht op die specifieke stoornis, zodat [minderjarige] en de grootouders leren om te gaan met deze problematiek. De kinderrechter heeft er het vertrouwen in dat de grootouders hun weg weten te vinden naar de juiste hulpverleners en is daarom van oordeel dat niet wordt voldaan aan het gestelde in art. 1:255, lid 1, sub a BW.

Bovendien bieden de grootouders een zodanig grote weerstand tegen de verzochte kinderbeschermingsmaatregelen dat de kans aanwezig is dat de verdere betrokkenheid van de gecertificeerde instelling contra productief zal werken. De kinderrechter zal het verzoek tot ondertoezichtstelling daarom afwijzen.

Nu de kinderrechter het verzoek tot ondertoezichtstelling heeft afgewezen, is er, gelet op
art. 1:265b BW, geen grondslag voor een machtiging tot uithuisplaatsing. De kinderrechter zal daarom ook dat verzoek afwijzen.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:

wijst af het verzoek tot ondertoezichtstelling en het verlenen van een machtiging om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. van Loenhoud, kinderrechter, in tegenwoordigheid van E.G. Nuboer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2018.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van

het gerechtshof Den Haag.