Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:3659

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-03-2018
Datum publicatie
30-03-2018
Zaaknummer
NL17.15347
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft ten onrechte de beslistermijn verlengd op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Verweerder heeft Italië gevraagd of eiseres in Italië nog steeds internationale bescherming geniet en indien dit het geval is, zij opnieuw een verblijfsvergunning mag aanvragen en Italië mag inreizen. De omstandigheid dat verweerder eerst de verkeerde afdeling van de Italiaanse autoriteiten heeft benaderd met deze vraag en zij tot op heden niet hebben geantwoord en de omstandigheid dat verweerder het nodig acht om informatie van de Italiaanse autoriteiten af te wachten voordat hij op de asielaanvraag van eiseres kan beslissen en hierbij dus afhankelijk is van de Italiaanse autoriteiten, maken niet dat sprake is van een complexe feitelijke of juridische kwestie. Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2018/85
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.15347

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedatum] ,

v-nummer [v-nummer] ,

van onbekende nationaliteit,

eiseres

(gemachtigde: mr. M. Pals),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: M.J. Hofstra).


Procesverloop
Eiseres heeft op 21 december 2017 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.


Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres heeft op 19 mei 2017 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Op 14 november 2017 heeft verweerder een brief aan eiseres gestuurd waarin hij heeft medegedeeld dat de oorspronkelijke beslistermijn van zes maanden is verlengd tot maximaal 15 maanden op grond van artikel 42, vierde lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) en dat eiseres de beschikking op haar aanvraag uiterlijk 17 augustus 2018 kan verwachten. Verweerder licht in zijn verlengingsbrief van 14 november 2017 de verlenging als volgt toe:

“Tot op heden hebben we de benodigde informatie om op uw aanvraag te beslissen niet ontvangen van de Italiaanse autoriteiten. Er is nogmaals dringend verzocht om de gevraagde informatie zo spoedig mogelijk te verstrekken bij brief van 10 november 2017. Nu de informatie niet tijdig is ontvangen kan niet binnen 6 maanden op uw aanvraag beslist worden.”

Eiseres heeft verweerder op 28 november 2017 in gebreke gesteld.

Op 21 december 2017 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag.

Bij brief van 22 december 2017 heeft verweerder de ingebrekestelling van 28 november 2017 ongeldig verklaard, omdat deze volgens verweerder prematuur is. In deze brief is de verlenging als volgt gemotiveerd:

“ Uit de Vreemdelingencirculaire C2.13 komt naar voren dat in ieder geval onder complexe feitelijke en juridische kwesties zoals bedoeld in artikel 42, lid 4, onder a, Vw kan worden verstaan dat onderzoek moet worden gedaan door of advies moet worden gevraag aan de autoriteiten van derde landen. Vorenstaande is in casu aan de orde.”

2. Eiseres heeft betoogd dat van een situatie als bedoeld in artikel 42, vierde lid, onder a, van de Vw 2000 geen sprake is. Verweerder heeft zich meerdere malen tot de verkeerde afdeling in Italië gewend, waardoor het antwoord van de Italiaanse autoriteiten op de door verweerder gestelde vragen uitblijft. Dit komt voor rekening van verweerder. Verweerder heeft de beslistermijn ten onrechte verlengd, aldus eiseres.

3. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder niet zorgvuldig op de opvolgende aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van eiseres kan beslissen zonder dat voldoende duidelijke informatie is ontvangen van de Italiaanse autoriteiten. Dat maakt dat hier sprake is van een complexe feitelijke situatie, aldus verweerder in zijn verweerschrift van 14 maart 2018.

4. Ingevolge artikel 42, eerste lid, van de Vw 2000 wordt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd een beschikking gegeven.

Ingevolge artikel 42, vierde lid, onder a, kan de termijn bedoeld in het eerste lid, met ten hoogste negen maanden worden verlengd, indien complexe feitelijke of juridische kwesties aan de orde zijn.

Ingevolge artikel 42, zevende lid, stelt verweerder de vreemdeling in kennis van de verlenging van de termijn en geeft, indien de vreemdeling daarom verzoekt, informatie over de reden van de verlenging en een indicatie van het tijdsbestek waarbinnen de beschikking, bedoeld in het eerste lid, te verwachten valt.

5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ten onrechte de beslistermijn op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 verlengd. Hiertoe is het volgende redengevend.

Verweerder heeft in zijn brief van 22 december 2017 verwezen naar paragraaf C1/2.13 van de Vc 2000, waarin is opgenomen dat onder complexe feitelijke en juridische kwesties zoals bedoeld in artikel 42, vierde lid, onder a, van de Vw 2000 in ieder geval kan worden verstaan dat onderzoek moet worden gedaan door of advies moet worden gevraagd aan de autoriteiten van derde landen. Volgens verweerder is hiervan sprake, nu verweerder aan de Italiaanse autoriteiten informatie heeft gevraagd over de verblijfsrechtelijke positie van eiseres in Italië.

Naar het oordeel van de rechtbank is in casu geen sprake van complexe feitelijke of juridische kwesties, waardoor verweerder ten onrechte de beslistermijn heeft verlengd op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Immers, verweerder heeft Italië enkel gevraagd of eiseres in Italië nog steeds internationale bescherming geniet en indien dit het geval is, zij opnieuw een verblijfsvergunning mag aanvragen en Italië mag inreizen. De omstandigheid dat verweerder eerst de verkeerde afdeling van de Italiaanse autoriteiten heeft benaderd met deze vraag en zij tot op heden niet hebben geantwoord, maakt niet dat sprake is van een complexe feitelijke of juridische kwestie. De omstandigheid dat verweerder het nodig acht om informatie van de Italiaanse autoriteiten af te wachten voordat hij op de asielaanvraag van eiseres kan beslissen en hierbij dus afhankelijk is van de Italiaanse autoriteiten, dient niet voor rekening en risico van eiseres te komen. Hierbij acht de rechtbank ook van belang dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Verweerder wist namelijk reeds op 13 juli 2017 dat hij op 15 juni 2017 de verkeerde afdeling van de Italiaanse autoriteiten heeft benaderd voor informatie over de verblijfsstatus van eiseres. Verweerder heeft vervolgens pas op 6 oktober 2017 een andere afdeling benaderd voor deze informatie en heeft daarna pas op 10 november 2017 een rappel gestuurd.

6. Gelet op het voorgaande is er geen sprake van een rechtsgeldige verlenging van de beslistermijn. Omdat verweerder niet binnen de wettelijke termijn op de aanvraag heeft beslist, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren.

7. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalt de rechtbank als het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn stellen. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is de rechtbank niet gebleken.

8. De rechtbank zal verder bepalen dat een dwangsom wordt verbeurd voor elke dag dat verweerder in gebreke blijft om binnen deze termijn te beslissen. Met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met het landelijke beleid, zoals is gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, zal de rechtbank de hoogte van deze dwangsom vaststellen op een bedrag van € 100,- voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.

10. De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 501,- aan kosten door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; wegingsfactor 0,5 en een waarde per punt van € 501,-). Van andere kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt dit met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;

  • -

    draagt verweerder op om binnen twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag van eiseres bekend te maken;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag dat hij de hierboven genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten in beroep tot een bedrag van € 501,-.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. T.N.H. Tran, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.