Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:3631

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-03-2018
Datum publicatie
20-04-2018
Zaaknummer
NL18.4525
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Frankrijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.4525


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 maart 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. F. Khodajoo-Aziz Maleki),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.A.M Janssen).

Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.4526, plaatsgevonden op 29 maart 2018. Eiser en zijn gemachtigde zijn zonder bericht niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 4 december 2017 een asielaanvraag ingediend. Uit EU-Vis is gebleken dat eiser op 23 augustus 2017 door de buitenlandse vertegenwoordiging van Frankrijk in Saoedi-Arabië in het bezit is gesteld van een Schengenvisum, geldig van 23 augustus 2017 tot 23 november 2017. Verweerder heeft de autoriteiten van Frankrijk op 8 december 2017 op grond van Verordening (EU) 604/2013 (hierna: de Dublinverordening) verzocht eiser over te nemen. Met het claimakkoord van 1 februari 2018 hebben de autoriteiten van Frankrijk op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening ingestemd met dit verzoek.

2. De rechtbank overweegt als volgt.

Eiser heeft met het door zijn in beroep gevoerde betoog niet aannemelijk gemaakt dat Frankrijk zijn verdragsverplichtingen niet zal nakomen. Eiser heeft niet onderbouwd welke concrete aanwijzingen er zouden zijn dat Frankrijk zijn internationale verplichting niet zal nakomen. Ook heeft eiser op geen enkele wijze onderbouwd waarom hij zich niet bij voorkomende problemen kan wenden tot de Franse autoriteiten voor bescherming.

Verweerder heeft zich – met de in het besluit gegeven motivering- dan ook terecht op het standpunt gesteld dat geen grond bestaat voor het oordeel dat ten opzichte van Frankrijk niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan of dat door de overdracht van eiser aan Frankrijk een situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder in redelijkheid geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming van eiser hier te lande te behandelen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening nu eiser geen bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat de overdracht van onevenredige hardheid getuigd. De niet onderbouwde stelling dat eiser een ernstige zieke moeder en zus zou moeten verzorgen omdat zijn broer hiertoe niet in staat is, is hiertoe onvoldoende.

3. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. A.H. Ferment, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.