Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:3578

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-03-2018
Datum publicatie
29-03-2018
Zaaknummer
AWB 17/488
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris tot afwijzing van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel en tot de ambtshalve weigering een verblijfsvergunning regulier te verlenen op grond van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder k, Vb. De rechtbank verklaart dat beroep ongegrond.

Eiser heeft geklaagd over de lange duur van zijn procedure. De rechtbank vat die klacht op dat eiser betoogt dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM is geschonden en dat hij verzoekt om vergoeding van de geleden immateriële schade. Met verdragsconforme toepassing van de verzoekschriftprocedure van artikel 8:88 en volgende Awb moet worden beslist op dat verzoek tot schadevergoeding.

In de situatie waarin de intrekking door de staatssecretaris van het besluit op de aanvraag naar aanleiding van het door de vreemdeling tegen dat besluit ingestelde beroep, leidt tot herhaalde besluitvorming door verweerder op de oorspronkelijke aanvraag, moet de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel aan hem worden toegerekend. In de rechterlijke procedures is geen sprake geweest van een langere behandelingsduur bij de rechtbank dan de redelijke termijn. De rechtbank merkt daarom de staatssecretaris aan als partij in de verzoekschriftprocedure omtrent de schadevergoeding. De rechtbank bepaalt dat het onderzoek in de verzoekschriftprocedure wordt heropend.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenbesluit 2000 3.51
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/488

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 22 maart 2018 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Chinese nationaliteit,

eiser,

(gemachtigde: mr. M.I. Vennik, advocaat te Haarlem),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

verweerder,

(gemachtigde: mr. J.J. Balfoort, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)).

Procesverloop

Bij besluit van 2 januari 2017 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.
Voorts heeft verweerder ambtshalve besloten aan eiser geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen op grond van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder k, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Verweerder heeft bij het bestreden besluit verder aan eiser uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Voorts is verschenen [naam] , tolk Mandarijn. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen nader overleg te voeren .

Bij brief van 13 juli 2017 heeft verweerder de rechtbank geïnformeerd over de voortgang van de procedure. Verweerder heeft op 3 november 2017 een aanvullend besluit genomen (hierna: het aanvullende besluit) en een nader stuk overgelegd. Bij brief van 17 november 2017 heeft eiser daarop gereageerd.

Het beroep van eiser is mede gericht tegen het aanvullende besluit.

Eiser heeft ingestemd met het achterwege laten van een nadere zitting. Verweerder is in de gelegenheid om een nadere zitting te vragen, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt. De rechtbank heeft vervolgens op 20 december 2017 het onderzoek gesloten zonder het houden van een nadere zitting.

Overwegingen

  1. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag aangevoerd dat hij problemen heeft ondervonden door de organisatie [naam organisatie] omdat hij het geheim van deze organisatie heeft ontdekt. Deze organisatie heeft een website ( [website] ) met als thema ‘ [naam organisatie] ontdekt de onsterflijke eeuwig leven methode’. Eiser stelt dat hij heeft ontdekt dat deze methode oplichting is. Hij heeft dit aan de organisatie kenbaar gemaakt. Vervolgens heeft de organisatie volgens eiser hem twee jaar lang gefolterd met een high tech-wapen. Ook stelt hij dat er chemische stoffen in zijn woning zijn gespoten. Hij is herhaaldelijk naar de politie en hogere autoriteiten gegaan, maar zij konden en wilden hem niet helpen. Doordat de situatie voor hem verslechterde, heeft hij China verlaten.

  2. Verweerder heeft eerder, op 24 februari 2014, een besluit genomen op de aanvraag van eiser. In dat besluit heeft verweerder het asielrelaas van eiser geloofwaardig geacht, maar de gestelde vrees onvoldoende zwaarwegend voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel. Eiser heeft tegen dat besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft vervolgens op 14 april 2015 het besluit ingetrokken, waarna eiser zijn beroep heeft ingetrokken.
    Op 14 januari 2015 heeft het Bureau Medische Advisering van de IND (hierna: het BMA) een advies aan verweerder uitgebracht over de medische situatie van eiser. Op 16 november 2015 heeft het BMA een aanvullend advies uitgebracht. Uit deze adviezen volgt dat eiser lijdt aan een depressieve en een psychotische waanstoornis.
    Bij beschikking van 4 augustus 2016 van de rechtbank Overijssel is een voorlopige machtiging verleent om eiser te laten opnemen en te laten verblijven in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van zes maanden.
    In een nota van 15 augustus 2016 heeft het BMA aan verweerder bericht dat hij op zijn verzoeken geen informatie heeft ontvangen van de behandelend psychiater van eiser, en daarom geen medisch advies kan uitbrengen.

3. Verweerder heeft in het thans bestreden besluit de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. Ook heeft verweerder geloofwaardig geacht dat eiser op enig moment bekend is geraakt met de ‘eeuwig leven methode’ van [naam organisatie] en dat hij [naam organisatie] heeft beticht van oplichting.
De gezondheidsproblemen van eiser acht verweerder, gelet op de diverse medische stukken en zijn eigen verklaringen, geloofwaardig.
Verweerder acht niet geloofwaardig dat eiser, al dan niet vanwege zijn gezondheidsproblemen, in de negatieve belangstelling van [naam organisatie] staat, omdat verweerder niet geloofwaardig acht dat de door eiser beschreven incidenten aanvallen op hem waren door mensen gelieerd aan [naam organisatie] .
Verweerder neemt ook niet aan dat eiser problemen heeft gehad met de Chinese autoriteiten of dat hij geen hulp of bescherming van de autoriteiten zal krijgen.
Verweerder heeft daarom geconcludeerd dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

In het kader van zijn beoordeling of eiser wegens schrijnende omstandigheden in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder k, Vb in verband met de intrekking van zijn eerdere besluit van 24 februari 2014, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de intrekking van dat besluit, waarin hij het asielrelaas van eiser geloofwaardig had geacht maar onvoldoende zwaarwegend om aan hem een verblijfsvergunning te verlenen, geen onevenredig nadeel voor eiser heeft betekend, omdat verweerder nooit het voornemen heeft gehad de asielaanvraag van eiser in te willigen, en omdat de psychische gesteldheid van eiser al tot uitstel van vertrek heeft geleid.

In het aanvullende besluit heeft verweerder een nadere motivering gegeven voor dat standpunt.

Verweerder heeft in het bestreden besluit aan eiser uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 Vw van 2 januari 2017 tot en met 2 juli 2017, naar aanleiding van de beschikking van de rechtbank Overijssel van 4 augustus 2016 op grond waarvan eiser is opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van zes maanden.

3.1

Bij besluit van 3 november 2017 heeft verweerder de aanvraag van eiser om hem opnieuw uitstel van vertrek te verlenen op grond van artikel 64 Vw afgewezen. Tegen dat besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. Dat besluit ligt in deze procedure niet ter beoordeling voor.
4. Eiser voert aan dat verweerder in het bestreden besluit in strijd met het vertrouwensbeginsel en het beginsel van behoorlijk bestuur zijn asielrelaas als ongeloofwaardig heeft aangemerkt, omdat hij in het eerdere besluit van 24 februari 2014 het relaas geloofwaardig heeft geacht.

Volgens eiser heeft verweerder in het eerdere besluit geen kennelijke fout gemaakt, maar heeft hij willens en wetens besloten zijn asielrelaas in het besluit geloofwaardig te achten, terwijl hij eigenlijk het relaas niet geloofwaardig vond. In ruil daarvoor zou de toenmalige gemachtigde van eiser geen beroepsgronden aanvoeren tegen de afwijzing van de asielaanvraag. Deze afspraak werd gemaakt om het risico op suïcide af te wenden. Eiser zelf was daarvan niet op de hoogte. De telefoonnotitie waaruit de afspraak tussen verweerder en de voormalig gemachtigde van eiser blijkt, maakte aanvankelijk geen deel uit van het dossier. Met deze handelwijze heeft verweerder volgens eiser zijn recht verspeeld om later alsnog zijn asielrelaas niet geloofwaardig te achten.

4.1

Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder niet behoorlijk heeft gehandeld door met de voormalige gemachtigde van eiser af te spreken om het asielrelaas van eiser geloofwaardig te achten, in ruil waarvoor de gemachtigde geen beroepsgronden tegen de afwijzing van de asielaanvraag zou indienen. Verweerder heeft de klacht die eiser daarover heeft ingediend, gegrond verklaard. Verweerder heeft daarom terecht het eerdere besluit van
24 februari 2014 ingetrokken.

Het voorgaande biedt echter geen grond voor het oordeel dat verweerder in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld door in het bestreden besluit alsnog ongeloofwaardig te achten dat de door eiser beschreven incidenten aanvallen op hem waren door mensen gelieerd aan [naam organisatie] . Verweerder heeft geen concrete en ondubbelzinnige toezegging aan eiser gedaan, waaraan hij gerechtvaardigde verwachtingen heeft kunnen ontlenen. Het eerdere besluit, net als het nu bestreden besluit, strekte immers ook tot afwijzing van zijn aanvraag en verweerder heeft nooit een concrete toezegging aan eiser gedaan dat aan hem een verblijfsvergunning zal worden verleend.

De beroepsgrond slaagt niet.

5. Eiser voert verder aan dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet heeft beoordeeld of hij wegens zijn medische situatie op grond van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel. Eiser heeft in dit verband erop gewezen dat in China een ernstig tekort is aan geestelijke gezondheidszorg. Ook wijst hij op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 13 december 2016, in de zaak Paposhvili tegen België, nr. 41738/10 (ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD00417381).

5.1

Het betoog van eiser dat zijn uitzetting naar China wegens zijn medische situatie in strijd is met artikel 3 EVRM kan er niet toe leiden dat hij krachtens artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Zoals volgt uit de punten 31-46 van het arrest van het Hof van Justitie van 18 december 2014, M'Bodj (ECLI:EU:C:2014:2452) kan geen subsidiaire beschermingsstatus, als bedoeld in de Richtlijn 2011/95/EU (PB 2011, L 337; hierna: de Kwalificatierichtlijn), worden toegekend als volgens vaste rechtspraak van het EHRM uitzetting in verband met de medische toestand van een vreemdeling wegens uitzonderlijke omstandigheden leidt tot een schending van artikel 3 EVRM. Verlening van een verblijfsvergunning wegens het bestaan van vorenbedoelde medische toestand krachtens een nationale verleningsgrond die mede strekt ter implementatie van de Kwalificatierichtlijn is in strijd met het Unierecht. Weliswaar laat dit onverlet dat lidstaten ervoor kunnen kiezen om een nationale beschermingsstatus toe te kennen, maar hiervoor is wel vereist, zo volgt uit de punten 117-121 van het arrest van het Hof van Justitie van 9 november 2010, B. en D. (ECLI:EU:C:2010:661), dat in de wetgeving een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen de nationale bescherming en de door de Kwalificatierichtlijn vereiste internationale bescherming.

Artikel 29, eerste lid, Vw, maakt sinds 1 januari 2014 een dergelijk onderscheid niet meer. De daarin opgenomen limitatieve opsomming van gronden voor verlening van een verblijfsvergunning asiel bevat sinds die datum immers uitsluitend nog de gronden waarop volgens de Kwalificatierichtlijn internationale bescherming moet worden geboden (zie Kamerstukken II, 2006/07, 30 925, nr. 3, blz. 4 en 14, Kamerstukken II, 2008/09, 31 994, nr. 3, blz. 11-12 en Kamerstukken II, 2011/12, 33 293, nr. 3, blz. 2-4 en 19-20). Het biedt dan ook geen grondslag voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wegens de medische toestand van een vreemdeling.

In artikel 6.1e, eerste lid, Vb is bepaald dat de verweerder bij afwijzing van een eerste asielaanvraag tevens ambtshalve moet beoordelen of met toepassing van artikel 64 Vw uitstel van vertrek moet worden verleend. In dit geval heeft verweerder bij het bestreden besluit met toepassing van artikel 6.1e, eerste lid, Vb aan eiser uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 Vw, waarmee hij aan het beroep van eiser op artikel 3 EVRM is tegemoetgekomen. Er is daarom geen grond is voor het oordeel dat het bestreden besluit ertoe leidt dat hij wegens zijn medische situatie in strijd met artikel 3 EVRM zal worden uitgezet (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 30 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1733).

De beroepsgrond slaagt niet.

6. Gelet op het voorgaande, en nu eiser voor het overige geen gronden heeft aangevoerd tegen de beoordeling door verweerder van de geloofwaardigheid van zijn verklaringen in het bestreden besluit, is er geen grond voor het oordeel dat verweerder zijn aanvraag ten onrechte heeft afgewezen.

7. Eiser voert daarnaast aan dat verweerder ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om aan hem een verblijfsvergunning regulier te verlenen vanwege de schrijnende situatie in verband met de intrekking van het eerdere besluit van 24 februari 2014.

Verweerder heeft als onderdeel van de gegrondverklaring van de hiervoor onder 4.1 genoemde klacht van eiser toegezegd dat hij bij de beoordeling van zijn asielaanvraag zal beoordelen of hij vanwege zijn schrijnende situatie in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier. Eiser klaagt dat het feit dat zijn klacht gegrond is verklaard, voor hem vervolgens nergens toe heeft geleid. Verweerder heeft volgens eiser de laakbaarheid van zijn handelen niet erkend en hem ten onrechte daarvoor niet gecompenseerd door hem alsnog verblijf toe te staan. Eiser heeft het vanaf binnenkomst in Nederland psychisch zwaar gehad en het handelen van verweerder heeft zijn psychische klachten verergerd.
Na de intrekking van het eerdere besluit heeft zijn zaak behoorlijke vertraging opgelopen, waardoor hij langer in onzekerheid heeft gezeten. Dat tijdsverloop is niet aan eiser toe te rekenen. De medische onderzoeken die verweerder heeft laten verrichten, waren noodzakelijk en hadden volgens eiser niet hoeven leiden tot vertraging van de procedure. Volgens eiser had verweerder de beoordeling in het kader van artikel 64 Vw los kunnen verrichten van de beoordeling van de asielaanvraag van eiser. Door toedoen van verweerder heeft eiser geen vertrouwen meer in de overheid. Verweerder heeft ook nooit rechtstreeks aan eiser excuses aangeboden.

Verder begrijpt eiser niet dat verweerder zijn zaak niet heeft voorgelegd aan de ‘commissie schrijnende zaken’. Ook acht eiser het niet zorgvuldig dat dezelfde ambtenaar die al geruime tijd betrokken is bij de zaak van eiser, ook het aanvullend besluit heeft genomen. Deze ambtenaar zal volgens eiser minder snel geneigd zijn een genoegdoening aan eiser aan te bieden.

7.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de situatie van eiser niet zodanig bijzonder is dat verweerder gehouden was op grond hiervan een verblijfsvergunning te verlenen. Dat verweerder achteraf bezien erkent dat een afspraak met de voormalige gemachtigde van eiser om het asielrelaas van eiser geloofwaardig te achten om zo het suïciderisico af te wenden, niet gemaakt had moeten worden, wil volgens verweerder niet zeggen dat eiser daarom in het bezit gesteld moet worden van een verblijfsvergunning. Met de gegrondverklaring van de klacht, heeft verweerder excuses aangeboden voor de ontstane situatie en heeft hij erkend dat hij laakbaar heeft gehandeld. Dat betekent volgens verweerder niet dat daardoor per definitie compensatie kan of moet plaatsvinden door het verlenen van een verblijfsvergunning. Wel heeft verweerder toegezegd de zaak van eiser op schrijnendheid te zullen beoordelen, en dat heeft hij vervolgens ook gedaan. Daarbij acht verweerder van belang dat hij nooit een verblijfsvergunning aan eiser heeft toegezegd. Het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft nooit in de rede gelegen. De fout die verweerder bij aanvang van de procedure heeft gemaakt, heeft hij hersteld door het eerdere besluit in te trekken en opnieuw te beslissen op de aanvraag.

Verweerder heeft bij zijn afweging meegewogen dat hij bij besluit van 3 november 2017 de aanvraag van eiser tot het (opnieuw) verlenen van uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw heeft afgewezen, waarin de medische situatie van eiser is beoordeeld.
Volgens verweerder voert het te ver om op basis van de nu bekende gegevens de conclusie te trekken dat zijn handelen de medische situatie van eiser heeft verergerd, te meer omdat eiser vanaf het begin al psychische klachten had.

Verder stelt verweerder dat een belangrijk deel van de proceduretijd het gevolg is van medisch onderzoek dat heeft plaatsgevonden, maar hij erkent dat hij voortvarender had kunnen en moeten handelen. Dat vindt verweerder echter onvoldoende aanleiding om te concluderen dat de situatie van eiser moet leiden tot het verlenen van een verblijfsvergunning om redenen van schrijnendheid.

7.2

De rechtbank stelt voorop dat verweerder op grond van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder k, Vb een ruime discretionaire bevoegdheid heeft om een verblijfsvergunning te verlenen aan een vreemdeling die wegens bijzondere individuele omstandigheden naar het oordeel van verweerder blijvend op verblijf in Nederland is aangewezen. De rechtbank kan de aanwending van die bevoegdheid door verweerder slechts terughoudend toetsen.

7.3

De rechtbank is van oordeel dat verweerder met het hiervoor weergegeven standpunt deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij in de door eiser naar voren gebrachte feiten en omstandigheden geen aanleiding heeft gezien om aan hem een verblijfsvergunning regulier wegens schrijnende omstandigheden te verlenen. Er is geen grond voor het oordeel, in het licht van hetgeen eiser daartegen heeft aangevoerd, dat verweerder in redelijkheid niet tot die beslissing heeft kunnen komen.

Verweerder heeft erkend dat hij laakbaar heeft gehandeld bij de totstandkoming van het eerdere besluit op de asielaanvraag van eiser, zoals ook blijkt uit de gegrondverklaring van de klacht van eiser. In dat verband heeft hij de toezegging aan eiser gedaan, hoewel hij daartoe op grond van de wet niet was gehouden, dat hij bij het nieuw te nemen besluit op zijn asielaanvraag ook ambtshalve zal beoordelen of hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder k, Vb.
Verweerder heeft aan die toezegging uitvoering gegeven, maar dat brengt niet mee dat hij vervolgens in redelijkheid niet heeft kunnen weigeren aan eiser die verblijfsvergunning te verlenen. Verweerder heeft bij zijn beslissing betekenis kunnen toekennen aan het feit dat het eerdere besluit reeds strekte tot afwijzing van de asielaanvraag van eiser, dat die situatie door het nu bestreden besluit niet is veranderd en dat hij nooit de toezegging heeft gedaan dat eiser in aanmerking zou komen voor een verblijfsvergunning asiel.

Hoewel het voorstelbaar is dat het verloop van de procedure een weerslag heeft gehad op de psychische gesteldheid van eiser, is er geen grond voor het oordeel, bij gebreke aan een medische onderbouwing waaruit dat blijkt, dat de psychische klachten van eiser geheel of voor een belangrijk deel aan verweerder kunnen worden toegerekend. Verweerder heeft daarnaast de psychische gesteldheid van eiser wel in zijn beoordeling betrokken, door te verwijzen naar het besluit van 3 november 2017 waarbij de aanvraag van eiser tot het verlenen van uitstel van vertrek wegens zijn medische situatie is afgewezen. Verweerder heeft daaruit in redelijkheid kunnen afleiden dat eiser wegens zijn psychische klachten niet blijvend op Nederland is aangewezen. Voor zover eiser het daarmee niet eens is, kan hij dat aan de orde stellen in de procedure tegen het besluit van 3 november 2017.

Verweerder heeft verder erkend dat hij voortvarender had kunnen en moeten beslissen op de asielaanvraag van eiser. De klacht van eiser daarover merkt de rechtbank aan als een beroep op overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM. Dat betekent dat eiser schadevergoeding kan verkrijgen ingeval de redelijke termijn in zijn procedure is overschreden. Een overschrijding van de redelijke termijn biedt daarom geen grond voor het verlenen van een verblijfsvergunning (zie de uitspraak van de Afdeling van 13 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:3480; www.raadvanstate.nl). Op het beroep van eiser op overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank hierna (onder 10 e.v.) verder ingaan.

Er is daarnaast geen grond voor het oordeel dat verweerder gehouden was de zaak van eiser voor te leggen aan de ‘commissie schrijnende zaken’. Verweerder heeft een dergelijke toezegging niet aan eiser gedaan.
Hoewel verweerder er in het kader van de zorgvuldigheid beter aan had gedaan de beoordeling in het kader van de schrijnendheid te laten verrichten door een andere medewerker dan de medewerker die betrokken was bij de eerdere besluitvorming in de procedure, leidt de omstandigheid dat verweerder dat niet heeft gedaan, mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, op zichzelf niet tot het oordeel dat de totstandkoming van het besluit in zijn geheel onzorgvuldig is geweest.

De beroepsgrond slaagt niet.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling in verband met het beroep bestaat gaan aanleiding.

10. Uit het voorgaande blijkt dat eiser heeft geklaagd over de lange duur van zijn procedure. In dat verband heeft hij gesteld dat hij lange tijd in onzekerheid heeft gezeten en dat dat psychisch zwaar voor hem is geweest.
Met toepassing van artikel 8:69, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet deze klacht zo worden opgevat dat eiser betoogt dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM, is geschonden. Deze klacht moet verder zo worden opgevat dat eiser de rechtbank verzoekt om vergoeding van de door deze gestelde schending geleden schade (zie de uitspraak van de Afdeling van 4 juni 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD3121).

10.1

Zoals de Afdeling heeft overwogen in onder meer de hiervoor genoemde uitspraak van 13 februari 2013, geldt het aan artikel 6 EVRM ten grondslag liggende beginsel van rechtszekerheid ook in procedures over de binnenkomst, het verblijf en de uitzetting van vreemdelingen en noopt het ertoe dat die procedures binnen een redelijke termijn worden beslecht, waarbij kan worden aangesloten bij de jurisprudentie van het EHRM over de uitleg van deze verdragsbepaling.
Uit deze jurisprudentie volgt dat de lidstaten moeten voorzien in een effectieve nationale rechtsbescherming ter zake van overschrijdingen van de redelijke termijn. In Nederlandse procedures over het verblijf van vreemdelingen wordt aan deze eis voldaan doordat een rechtsmiddel wordt geboden waarmee de desbetreffende vreemdeling schadevergoeding kan verkrijgen ingeval de redelijke termijn in zijn procedure is overschreden.
Een overschrijding van de redelijke termijn leidt daarom niet tot verlening van een verblijfsvergunning, zoals eiser heeft verzocht.

10.2

Zoals de Afdeling ook heeft overwogen in de hiervoor genoemde uitspraak, moet de vraag of de redelijke termijn is overschreden worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het EHRM naar voren komt (onder meer het arrest van 27 juni 2000 inzake Frydlender tegen Frankrijk, nr. 30979/96, AB 2001, 86, en het arrest van 29 maart 2006 inzake Pizzati tegen Italië, nr. 62361/00, JB 2006, 134). Zoals uit, onder meer, deze jurisprudentie volgt, dient bij de beoordeling van de redelijke termijn de duur van de procedure als geheel in aanmerking te worden genomen.
Zoals de Afdeling verder heeft overwogen, ontstaat in een asielprocedure eerst een geschil als afwijzend op een aanvraag wordt beslist en daartegen beroep wordt ingesteld, omdat eerst dan in een besluit een standpunt is vastgelegd waartegen de vreemdeling kan opkomen. Voor zaken zoals deze acht de Afdeling een termijn van vier jaar redelijk. Daarbij mag de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar en de behandeling van het hoger beroep eveneens ten hoogste twee jaar duren, waarbij voormelde criteria onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.

10.3

In een situatie waarin vernietiging door de rechtbank van een besluit waarbij een aanvraag is afgewezen, leidt tot herhaalde besluitvorming door verweerder op de oorspronkelijke aanvraag, moet de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan worden toegerekend en is dat slechts anders in geval de rechtbank de redelijke behandelingsduur voor een beroep heeft overschreden (zie de uitspraak van de Afdeling van 7 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM0214).
Hetzelfde heeft te gelden in de situatie dat verweerder het besluit op de aanvraag intrekt naar aanleiding van het door de vreemdeling tegen dat besluit ingestelde beroep, zoals in dit geval. Indien in een van de procedures bij de rechtbank sprake is van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan de hiervoor genoemde termijn van twee jaar, komt de periode waarmee die behandelingsduur is overschreden niet voor rekening van het bestuursorgaan, maar voor rekening van de Staat (zie de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188, onder 4.9).

10.4

Verweerder heeft bij besluit van 24 februari 2014 de aanvraag van eiser afgewezen. Daartegen heeft eiser op 25 februari 2014 beroep ingesteld. Verweerder heeft op 14 april 2015, op de dag van de geplande zitting bij de rechtbank, dit besluit ingetrokken. Eiser heeft vervolgens zijn beroep ingetrokken. Bij besluit van 2 januari 2017 heeft verweerder opnieuw de aanvraag van eiser afgewezen. Daartegen heeft eiser op 6 januari 2017 beroep ingesteld. Bij uitspraak van vandaag doet de rechtbank uitspraak op dat beroep.
Sinds het beroepschrift van eiser van 25 februari 2014 is op het moment van deze uitspraak van de rechtbank vier jaar en een maand verstreken.

Aan deze vaststelling kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn voor de behandeling van het beroep is overschreden.

De rechtbank verbindt hieraan de gevolgtrekking dat met verdragsconforme toepassing van de verzoekschriftprocedure van artikel 8:88 en volgende Awb moet worden beslist op het verzoek tot vergoeding van immateriële schade als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn (zie de uitspraak van de Afdeling van 25 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1259, onder 7, en de uitspraak van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, onder 3.12).

In geen van beide rechterlijke procedures is sprake geweest van een langere behandelingsduur bij de rechtbank dan twee jaar, zodat in dit geval een mogelijke overschrijding van de redelijke termijn aan verweerder moet worden toegerekend. De rechtbank merkt daarom verweerder aan als partij in de verzoekschriftprocedure omtrent de schadevergoeding. Nu verweerder nog geen standpunt heeft ingenomen over het verzoek om schadevergoeding, zal de rechtbank het onderzoek in zoverre heropenen. Aan de verzoekschriftprocedure zal een nieuw zaaknummer worden toegekend. Partijen krijgen over de voortzetting van die procedure bericht.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat het onderzoek in de verzoekschriftprocedure tot schadevergoeding wordt heropend.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van der Kluit, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Peeters, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2018.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep, kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.