Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:3564

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-02-2018
Datum publicatie
30-03-2018
Zaaknummer
NL18.1481
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

mondelinge uitspraak, asiel, Algerijnse nationaliteit, ongeloofwaardig relaas, veilig land herkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.1481


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 februari 2018 in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.J.F.M. van Raak).


Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 22 januari 2018 (het bestreden besluit).


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.1482, plaatsgevonden op 8 februari 2018. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en van Algerijnse nationaliteit. Zijn asielaanvraag van 4 januari 2018 is bij het bestreden besluit van dezelfde datum afgewezen als kennelijk ongegrond, op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vreemdelingenwet 2000. Daarbij is eisers asielrelaas ongeloofwaardig bevonden.

2. Verweerder heeft terecht gesteld dat eiser in een eerdere asielprocedure heeft gelogen over zijn nationaliteit, zijn eerdere verblijf in Europa en zijn reis. De daaraan ten grondslag gelegde aanvraag is niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser met onbekende bestemming was vertrokken. Ook is toen een inreisverbod voor de duur van twee jaar tegen eiser uitgevaardigd. Beide besluiten zijn onherroepelijk.

3. Voor zover eiser zich bij zijn tweede asielaanvraag heeft beroepen op problemen in Algerije na een gedwongen terugkeer vanuit Spanje, heeft verweerder terecht overwogen dat eiser dit niet met documenten heeft onderbouwd. Ook heeft eiser tegenstrijdig verklaard over onder andere het tijdstip van zijn gestelde gedwongen terugkeer. Gelet hierop heeft verweerder niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht dat eiser is overgedragen aan Algerije. De rechtbank volgt niet eisers stelling dat zijn verklaring enerzijds dat hij in april of mei van 2017 zou zijn overdragen en de latere verklaring dat dit in de eerste week van de ramadan – en daarmee in juni 2017 – zou zijn geweest, slechts marginaal uiteenlopen. Dat eiser zich naar zijn zeggen voor zijn verklaringen heeft laten adviseren door anderen, is geen reden om de ongeloofwaardigheid niet tegen te werpen.

4. Nu eisers verklaringen over zijn terugkeer naar Algerije niet ten onrechte ongeloofwaardig zijn geacht, geldt dat ook voor de in verband met die terugkeer gestelde problemen in Algerije. Daarnaast heeft verweerder terecht opgemerkt dat eiser de gestelde problemen niet heeft onderbouwd met documenten en heeft verweerder afdoende gemotiveerd dat eiser vaag en ongerijmd heeft verklaard over deze problemen. De stelling dat een en ander (mede) te wijten zou zijn aan het feit dat eiser verschillende vragen tijdens het aanmeldgehoor niet zou hebben begrepen, volgt de rechtbank niet, nu eiser dit eerst in de gronden van beroep heeft aangevoerd.

5. Aangezien Algerije in het algemeen geldt als een veilig land van herkomst en eisers gestelde problemen aldaar niet geloofwaardig zijn, heeft verweerder de aanvraag kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond.

6. Tegen het inreisverbod zijn geen gronden geformuleerd.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.E. Paulus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van het proces-verbaal van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.