Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:3546

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-03-2018
Datum publicatie
04-04-2018
Zaaknummer
NL18.2172
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin, Italië.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.2172


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 maart 2018 in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. A. Heida),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Hamzaoui).

Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.2173, plaatsgevonden in Breda op 28 februari 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen O. Jobe. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser bezit de Senegalese nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] . Op 20 november 2017 heeft eiser in Nederland asiel aangevraagd.

2. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 28 juli 2017 in Italië een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft daarom op 22 december 2017 2017 bij Italië een terugnameverzoek gedaan op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening (EU) 604/2013 (Dublinverordening). Italië heeft hierop niet tijdig gereageerd. Gelet op artikel 25 van de Dublinverordening staat daarmee de verantwoordelijkheid van Italië vast.

3. Eiser voert aan dat verweerde het verzoek van eiser om internationale bescherming op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich dient te trekken. Hij mag niet aan Italië worden overgedragen, omdat er concrete aanwijzingen zijn dat Italië zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Daartoe voert hij aan dat het risico bestaat dat hij in Italië geen opvang krijgt en op straat zal belanden. Verder is het maar de vraag of hij in dit land toegang krijgt tot adequate medische voorzieningen, rechtshulp en bijstand door een tolk.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Niet in geschil dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Het geschil beperkt zich tot de vraag of Nederland de behandeling van de aanvraag van eiser aan zich had moeten trekken.

5. In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Italië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat Italië zijn internationale verplichtingen niet zal nakomen. Uit de volgende overwegingen blijkt dat eiser hierin niet is geslaagd.

6. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft in verschillende arresten (onder meer het arrest van 26 november 2015 in de zaak J.A. en anderen tegen Nederland, nr. 21459/14, en van 9 juni 2016 in de zaak S.M.H. tegen Nederland, nr. 5868/13) geoordeeld dat de structuur van en de algehele omstandigheden in het Italiaanse asiel- en opvangsysteem niet zodanig zijn dat overdracht aan dat land zonder meer leidt tot een met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden of artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie strijdige situatie. Er zijn in Italië weliswaar tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen, maar deze zijn niet zo ernstig dat deze aan de overdracht van asielzoekers aan dit land in de weg staan. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft, onder meer bij uitspraken van 10 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2278) en 16 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:73), geoordeeld dat de situatie in Italië niet zodanig is verslechterd dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser heeft met het door hem aangehaalde rapport van Vluchtelingenwerk Nederland van augustus 2017 (p. 9 tot en met 18) en de overgelegde foto’s geen relevante informatie aangevoerd die afbreuk doet aan deze conclusie. Het feit dat de opvangvoorzieningen in Nederland beter zijn dan in Italië, betekent niet dat de opvangvoorzieningen in Italië niet aan de minimumeisen voldoen.

7. Ook uit het persoonlijk relaas van eiser kan niet worden afgeleid dat de Italiaanse asielprocedure en opvangvoorzieningen niet voldoen. Eiser heeft immers verklaard dat hij in Italië toegang had tot een opvanglocatie en dat hij naar een ziekenhuis is gebracht waar hij medicatie heeft gehad voor slapende tuberculose. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat er in Nederland hoge bloeddruk bij hem is geconstateerd, overweegt de rechtbank dat dit niet is onderbouwd met medische stukken. Ook heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de medische voorzieningen in beginsel vergelijkbaar mogen worden verondersteld tussen de lidstaten en dat de voorzieningen in de lidstaten ook ter beschikking staan voor de Dublinclaimant, in dit geval eiser. Uit het voorgaande blijkt dat eiser in Italië opvang en medische behandeling heeft gehad.

8. Voor zover eiser meent dat de Italiaanse opvangvoorzieningen en asielprocedure gebreken kennen, ligt het bovendien op zijn weg om hierover te klagen bij de Italiaanse (hogere) autoriteiten. Niet is gebleken dat deze hem niet zouden kunnen of willen helpen. De enkele stelling dat het zinloos is om hulp te vragen bij de Italiaanse autoriteiten, is in dit kader onvoldoende.

9. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen bepalen dat niet is gebleken van zodanig bijzondere individuele feiten of omstandigheden, dat hij de asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich had moeten trekken.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Toekoen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van het proces-verbaal van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.