Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:3540

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-03-2018
Datum publicatie
11-04-2018
Zaaknummer
C/09/501160 / HA ZA 15-1359
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gedaagde heeft zijn recht om een erfafscheiding te plaatsen misbruikt. Van ontoelaatbare wateroverlast is niet gebleken. Eiser in reconventie heeft voorts geen belang bij de vordering tot verwijdering van ondergrondse leidingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/501160 / HA ZA 15-1359

Vonnis van 21 maart 2018 (bij vervroeging)

in de zaak van

1 [A] ,

2. [B], thans [B(1)],

wonende te [woonplaats] ,

eisers in conventie, verweerders in reconventie,

advocaat: mr. M.L. Ravensbergen-Brussee te Noordwijkerhout ,

tegen

[C] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

advocaat: mr. J.J. Dekker te Lisse.

Partijen zullen hierna ‘ [A c.s.] ’ en ‘ [C] ’ genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 1 december 2015, met producties 1 tot en met 9;

  • -

    de akte vermeerdering/wijziging van eis van 29 maart 2017, met producties 10 tot en met 12 van de zijde van [A c.s.] ;

  • -

    de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie, met producties 1 tot en met 4 van de zijde van [C] ;

  • -

    het tussenvonnis van 21 juni 2017, waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    de akte overlegging producties, tevens houdende akte wijziging/vermeerdering van eis, tevens houdende conclusie van antwoord in reconventie, met producties 13 tot en met 21 van de zijde van [A c.s.] ;

  • -

    het proces-verbaal van descente en comparitie van partijen van 21 februari 2018 en de daarin genoemde stukken.

1.2.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het proces-verbaal dat met beider instemming buiten hun aanwezigheid is opgemaakt. Geen van partijen heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

1.3.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

1.4.

Dit vonnis wordt bij vervroeging op de rol van 21 maart 2018 uitgesproken.

2 De feiten

2.1.

Op 18 november 2011 hebben [A c.s.] als koper en [C] als verkoper een koopovereenkomst gesloten betreffende een perceel grond gelegen nabij de [adres 1] , bekend als bouwnummer […] (hierna: het perceel), voor een koopprijs van € 545.000,--. In de overeenkomst van 18 november 2011 is onder meer bepaald dat [C] op het perceel een insteekhaven en een sloot zal laten aanleggen.

2.2.

Op 27 december 2012 hebben [A c.s.] en [C] een “wijziging/aanvulling koopovereenkomst” gesloten (hierna: de koopovereenkomst). Daarin zijn partijen overeengekomen dat de aanleg van een insteekhaven niet zal plaatsvinden. De koopprijs van het perceel is vastgesteld op € 522.500,--. Onder meer is voorts het navolgende bepaald:

“Verkoper en koper zijn overeengekomen dat, behoudens een nadere schriftelijke overeenkomst tussen verkoper en koper, door of in opdracht van verkoper en voor diens rekening , voor de oplevering van de door koper nieuw te bouwen woning op het aangrenzende perceel een sloot zal worden gegraven met een breedte van zes (6) meter over een lengte van drie (3) meter, gerekend vanaf de zuidoostelijke grens van het gekochte, voor het overige gedeelte van de sloot wordt de breedte aan beide zijden met één (1) meter verminderd zodat het resterende gedeelte van de sloot een breedte van vier (4) meter zal hebben en een diepgang van een meter en vijftig centimeter (1.50 m), beneden het maaiveld (…)

Navolgende erfdienstbaarheid houdt tevens de last in voor de verkoper om over het gehele tracé van de sloot om voor zijn rekening aan te brengen op de oeverlijn van een beschoeiing, zodanig dat de oeverlijn zich niet door afkalving in de richting van de sloot verplaatst. (….)”

2.3.

Op 11 februari 2013 is het perceel zonder sloot aan [A c.s.] geleverd. [A c.s.] heeft op het perceel een woning laten bouwen. Deze woning is op 22 augustus 2013 opgeleverd.

2.4.

[C] woont naast het perceel van [A c.s.] Tevens is [C] eigenaar van de grond die zich - vanaf de openbare weg gezien - achter het perceel van [A c.s.] bevindt.

2.5.

Op enig moment heeft [C] enkele aan het perceel grenzende percelen te koop aangebonden zonder sloot, voor een koopprijs van € 449.000,--.

2.6.

Per aangetekende brief van 2 oktober 2015 heeft [A c.s.] [C] gesommeerd een sloot aan te leggen conform de koopovereenkomst. Op 27 oktober 2015 heeft [A c.s.] aanspraak gemaakt op een vervangende schadevergoeding ter hoogte van € 73.500,--.

2.7.

In 2016 hebben partijen een schikking bereikt, waarin [C] zich heeft verplicht uiterlijk eind 2016 conform de koopovereenkomst een sloot te realiseren (hierna: de schikking). Tevens zijn partijen overeengekomen dat [C] aan [A c.s.] in termijnen een bedrag van € 1.900,-- dient te betalen ter zake (proces)kosten.

2.8.

Op enig moment heeft [C] een sloot laten graven naar het perceel van [A c.s.] (hierna: de sloot). De kop van de sloot grenst aan het perceel van [A c.s.] Tussen partijen is discussie ontstaan over de beschoeiing van de sloot, die aan de kop van de sloot niet was aangelegd en aan de zijkanten van de sloot bestaat uit houten palen met daartussen driedubbel winddoek. Op 25 augustus 2017 heeft [A c.s.] zelf beschoeiing laten aanbrengen op de kop van de sloot. De kosten daarvan bedroegen € 716,10.

2.9.

Op 6 maart 2017 heeft [C] op zijn eigen perceel maar langs de volledige erfgrens aan de achterzijde van het perceel van [A c.s.] palen en winddoek (hierna: de erfafscheiding bestaande uit palen en winddoek) geplaatst.

2.10.

Per brief van 18 april 2017 heeft [C] [A c.s.] gesommeerd om te bewerkstelligen dat er geen water van het perceel van [A c.s.] naar de grond van [C] loopt, anders dan het geval zou zijn geweest indien [A c.s.] zijn perceel niet had opgehoogd en indien [A c.s.] geen waterafvoer op de grond van [C] had geplaatst. Tevens heeft [C] [A c.s.] gesommeerd het gedeelte van de opstallen van [A c.s.] dat over de grond van [C] uitsteekt te verwijderen.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[A c.s.] vordert na wijziging van eis samengevat dat de rechtbank, voor zover mogelijk bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

Ten aanzien van de sloot

I. primair:

a. bepaalt dat [C] wordt veroordeeld om binnen twee maanden na betekening van dit vonnis de koopovereenkomst na te komen, en [C] - op straffe van verbeurte van een dwangsom - veroordeelt om:

  1. aan [A] bewijs over te leggen dat de aangelegde sloot is gelegaliseerd, dan wel dat (verdere) legalisatie niet nodig is;

  2. deugdelijke beschoeiing aan te brengen, zodanig dat de oeverlijn zich niet door afkalving in de richting van de sloot verplaatst;

  3. de sloot weer van de juiste diepgang te voorzien, te weten 1,50 meter;

  4. aan [A] te betalen € 716,10 inzake de kosten voor het aanbrengen van beschoeiing, vermeerderd met de wettelijke rente;

bepaalt dat als [C] niet slaagt in zijn veroordeling tot het overleggen van het bewijs zoals vermeld onder 1., [C] wordt veroordeeld om binnen twee weken na betekening van dit vonnis aan [A] te betalen:

  • -

    een bedrag van € 79.378,71, vermeerderd met de wettelijke rente;

  • -

    een bedrag van € 716,10, vermeerderd met de wettelijke rente;

II. subsidiair: bepaalt dat [C] wordt veroordeeld om aan [A] te betalen:

  1. een bedrag van € 79.378,71, vermeerderd met de wettelijke rente;

  2. een bedrag van € 716,10, vermeerderd met de wettelijke rente;

III. meer subsidiair:

  1. voor recht verklaart dat [C] aansprakelijk is voor de door [A] geleden schade;

  2. bepaalt dat [C] wordt veroordeeld om aan [A] te betalen alle door [A] geleden schade, nader op te maken bij staat, vermeerderd met rente en kosten;

  3. bepaalt dat [C] wordt veroordeeld om aan [A] een voorschot te betalen van € 35.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente;

Ten aanzien van de erfafscheiding en roerende zaken

IV. primair:

  1. [C] veroordeelt tot verwijdering van de roerende za(a)k(en) en volledige afbraak van de door of namens hem gebouwde erfafscheiding, geplaatst op het perceel van [C] (kadastraal bekend Gemeente [gemeente] , [sectie sectie] , nummer [nummer] ) aan de achterzijde van het perceel van [A] aan de [adres 2] , aan te vangen binnen twee weken na betekening van dit vonnis, en daarna niet opnieuw weer op te bouwen, en het terrein weer in originele staat te brengen van voor de bouw van de erfafscheiding en uiterlijk te voltooien binnen twee weken daarna, zulks op straffe van een dwangsom;

  2. bepaalt dat [A] zelf tot verwijdering van de erfafscheiding en roerende zaken mag overgaan, zulks op kosten van [C] , indien [C] niet binnen drie weken na betekening van het vonnis heeft voldaan aan het voorgaande;

V. subsidiair: [C] veroordeelt tot schadevergoeding, waaronder materiële en immateriële schadevergoeding, nader op te stellen bij staat, dan wel tot betaling van een door de rechtbank te bepalen bedrag;

een en ander met veroordeling van [C] in de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente.

3.2.

[A c.s.] legt hieraan kort gezegd het volgende ten grondslag. Er bestaat onzekerheid of voor de sloot een omgevingsvergunning vereist is en verleend zal worden. De door [C] aangebrachte beschoeiing van de sloot volstaat bovendien niet, omdat geen beschoeiing is aangelegd op de kop van de sloot en de beschoeiing aan de zijkanten van de sloot niet is gemaakt van hout, beton, kunststof of staal. Hierdoor heeft afkalving van de grond plaatsgevonden, waardoor de sloot niet meer de overeengekomen diepte heeft. De erfafscheiding en roerende zaken veroorzaken onrechtmatige hinder in de zin van artikel 5:37 Burgerlijk Wetboek (BW) en zijn bovendien in strijd met de koopovereenkomst.

3.3.

[C] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[C] vordert samengevat dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [A c.s.] veroordeelt om - op straffe van verbeurte van een dwangsom - binnen één maand na betekening van dit vonnis:

I. te bewerkstellingen dat geen water van het perceel van [A c.s.] op enig erf van [C] zal stromen, anders dan het geval zou zijn geweest indien het perceel van [A c.s.] niet hoger gemaakt was dan de belendende percelen van [C] , indien [A c.s.] geen (hemel)waterafvoeren bij, op of over de grens met enig perceel van [C] geplaatst had en indien [A c.s.] ook niet anderszins onrechtmatig jegens [C] zou handelen;

II. de hemelwaterafvoer die vanaf het perceel van [A c.s.] in de grond van het perceel van [C] is aangelegd te verwijderen en verwijderd te houden;

III. het gedeelte van de opstallen, meer in het bijzonder de schuur van [A c.s.] , op het perceel van [A c.s.] , dat over de erfgrens van het perceel uitsteekt op enig perceel van [C] , te verwijderen en verwijderd te houden;

een en ander met veroordeling van [A c.s.] in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten.

3.5.

[C] legt hieraan ten grondslag dat [A c.s.] zijn perceel bij de bouw van zijn woning heeft opgehoogd, waardoor [C] op zijn grond wateroverlast ervaart, in strijd met artikel 5:37 BW. Ook watert de regenpijp van de schuur van [A c.s.] af op het perceel van [A c.s.] , hetgeen strijdig is met artikel 5:52 BW. Bovendien steken deze regenpijp, evenals de dakgoot van de schuur en de bouten in de grondafscheiding van [A c.s.] uit boven de grond van [C] . Tot slot heeft [A c.s.] zonder toestemming van [C] twee afvoerpijpen in de grond van [C] geplaatst. Een en ander is onrechtmatig.

3.6.

[A c.s.] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

In conventie ligt in de eerste plaats de vraag voor of [A c.s.] nakoming kan vorderen van de verplichtingen van [C] uit de koopovereenkomst. De rechtbank overweegt dat [A c.s.] per brief van 27 oktober 2015 zijn nakomingsvordering heeft omgezet in vervangende schadevergoeding. Ter comparitie heeft [C] evenwel - met handhaving van zijn overige verweren - verklaard geen bezwaar te maken tegen het feit dat [A c.s.] na wijziging van eis primair nakoming vordert. De rechtbank zal de nakomingsvordering daarom inhoudelijk beoordelen.

Legalisatie van de sloot (vorderingen I.a.1. en I.b.)

4.2.

Tussen partijen is in geschil of van [C] kan worden verlangd dat hij aantoont dat de sloot is gelegaliseerd, althans dat verdere legalisatie niet nodig is. De rechtbank oordeelt als volgt.

4.3.

In het licht van de gemotiveerde betwisting van [C] , heeft [A c.s.] onvoldoende gemotiveerd gesteld dat voor de door [C] aangelegde sloot een aanvullende vergunning vereist is. De enkele stelling van [A c.s.] dat ambtenaren van de gemeente [gemeente] (hierna: de gemeente) mondeling en zonder concrete onderbouwing hebben gemeld dat zij zullen handhaven, is daartoe niet voldoende, onder meer nu tussen partijen vast staat dat de gemeente dit desgevraagd niet schriftelijk heeft willen bevestigen. Daarbij is ook van belang dat de advocaat van [A c.s.] ter comparitie heeft verklaard dat het bestemmingsplan geen aanknopingspunten biedt voor de stelling dat een (aanvullende) vergunning van de gemeente is vereist. Bovendien staat tussen partijen vast dat [C] voor het aanleggen van de sloot een vergunning heeft verkregen van het Hoogheemraadschap van Rijnland.

4.4.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat [A c.s.] niet heeft voldaan aan de op hem rustende stelplicht ten aanzien van zijn stelling dat (nadere) legalisatie van de sloot vereist is. De rechtbank is daarom van oordeel dat niet van [C] kan worden gevergd dat hij bewijs overlegt van de gemeente waaruit volgt dat geen vergunning is vereist. Dit betekent dat de vorderingen zoals vermeld onder I.a.1. en I.b. zullen worden afgewezen.

De beschoeiing van de sloot (vorderingen I.a.2. en I.a.4.)

4.5.

Aan de rechtbank ligt daarnaast de vraag voor of [C] verplicht was de sloot te voorzien van beschoeiing, en of de door [C] aangelegde beschoeiing aan de zijkanten van de sloot voldoet aan de overeenkomst.

4.6.

De rechtbank is van oordeel dat uit de koopovereenkomst en de schikking volgt dat [C] verplicht is de sloot te voorzien van beschoeiing. Dat het aanbrengen van beschoeiing volgens [C] voor sloten in de omgeving niet gebruikelijk is en dat bij de totstandkoming van de schikking geen melding is maakt van de beschoeiing, brengt geen verandering in dit oordeel. Uit de schikking volgt immers dat de sloot moet worden aangelegd conform de koopovereenkomst, waarin de beschoeiing uitdrukkelijk is overeengekomen. Het betoog van [C] dat geen beschoeiing hoeft te worden aangebracht op de kop van de sloot wordt evenmin gevolgd. Dat dit volgt uit de in de koopovereenkomst gebruikte woorden “tracé” en “oeverlijn”, is door [C] onvoldoende toegelicht. Ook de omstandigheid dat de kop van de sloot grenst aan de eventueel aan te leggen insteekhaven, brengt niet mee dat de kop van de sloot niet door [C] hoeft te worden beschoeid. In de koopovereenkomst zijn partijen immers (in afwijking van de overeenkomst van 18 november 2011) uitgegaan van de situatie zonder insteekhaven.

4.7.

[C] heeft geen beschoeiing aangebracht op de kop van de sloot. Nu [C] - mede gelet op de sommaties van [A c.s.] van onder meer 27 december 2016 en 5 januari 2017 - in verzuim verkeerde, is [C] op grond van artikel 6:74 BW aansprakelijk voor de door [A c.s.] gemaakte kosten voor het aanbrengen van de beschoeiing op de kop van de sloot ter hoogte van € 716,10. Aan de niet-onderbouwde stelling van [C] dat deze kosten te hoog zijn gaat de rechtbank voorbij. De door [A c.s.] gemaakte kosten zijn voorts voldoende onderbouwd met de overgelegde factuur, zodat vordering I.a.4. zal worden toegewezen op de wijze zoals in het dictum vermeld. De wettelijke rente vanaf 20 oktober 2017 zal als onweersproken en op de wet gegrond eveneens worden toegewezen. Ingevolge artikel 611a lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wordt de gevorderde dwangsom afgewezen, omdat sprake is van een veroordeling tot het betalen van een geldsom.

4.8.

[A c.s.] heeft voorts aangevoerd dat de beschoeiing aan de zijkanten van de sloot niet voldoet, omdat de beschoeiing dient te bestaan uit hout, beton, kunststof of staal. Dit betoog van [A c.s.] volgt de rechtbank niet. In de koopovereenkomst is over het materiaal van de beschoeiing niets bepaald en is overwogen dat de beschoeiing dient te worden aangebracht “zodanig dat de oeverlijn zich niet door afkalving in de richting van de sloot verplaatst”. Bij de plaatsopneming is gebleken dat geen sporen van afkalving van de grond of andere beschadigingen aan de zijkanten van de sloot zichtbaar zijn. De verklaring van de heer [X] dat het gebruikte winddoek niet geschikt is om zand tegen te houden, kan hier niet aan afdoen, nu niet is gebleken dat zand van de kanten is weggespoeld. Dat desondanks sprake is van onzichtbare afkalving van de grond is door [A c.s.] weliswaar aangevoerd, maar onvoldoende toegelicht en onderbouwd, zodat de rechtbank hieraan voorbij gaat. Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de door [C] aan de zijkanten van de sloot aangelegde beschoeiing voldoet aan de overeenkomst. Vordering 1.a.2. zal daarom worden afgewezen.

De diepgang van de sloot (vordering I.a.3.)

4.9.

[A c.s.] stelt dat [C] verplicht is de sloot uit te diepen, omdat door de afkalving van de grond de sloot niet meer de overeengekomen diepte heeft. De rechtbank oordeelt als volgt.

4.10.

Voorop staat dat partijen gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor het op diepte houden van de sloot en dat de kosten voor het uitdiepen van de sloot voor beider rekening komen. Dat is mogelijk anders indien de verzanding van de sloot het gevolg is van een gebrekkige beschoeiing of aanleg van de sloot. Tussen partijen staat vast dat de sloot aanvankelijk 1,50 meter diep was en derhalve voldeed aan de overeenkomst. [A c.s.] stelt dat de sloot thans 50 á 60 centimeter diep is, hetgeen betwist wordt door [C] . In het voorgaande is overwogen dat vaststaat dat de kop van de sloot enige tijd niet voorzien is geweest van beschoeiing. [A c.s.] heeft echter onvoldoende onderbouwd dat hierdoor dermate veel grond in de sloot is gelopen, dat daardoor de diepgang van de sloot over de volledige lengte zodanig is gewijzigd dat geen sprake meer is van een diepte van 1,50 meter. Verder heeft de rechtbank onder r.o. 4.5 tot en met 4.8 overwogen dat [A c.s.] zijn stelling dat er sprake is van een gebrekkige beschoeiing onvoldoende onderbouwd heeft. Voor zover er sprake is van een sloot die onvoldoende diepte heeft, is niet komen vast te staan dat de onvoldoende diepgang is toe te schrijven aan een gebrekkige beschoeiing van de sloot. Vordering I.a.3. zal gezien het voorgaande worden afgewezen.

De subsidiaire vorderingen ten aanzien van de sloot (vorderingen II en III)

4.11.

De subsidiaire vorderingen ten aanzien van de sloot komen niet voor toewijzing in aanmerking. De rechtbank is gezien het voorgaande immers van oordeel dat [C] slechts tekort is geschoten in zijn verplichting de kop van de sloot te beschoeien, op grond waarvan [C] (uitsluitend) wordt veroordeeld tot betaling van € 716,10.

De erfafscheiding bestaande uit palen en winddoek en roerende zaken (vorderingen IV en V)

4.12.

[A c.s.] heeft gesteld dat de erfafscheiding bestaande uit palen en winddoek en de geplaatste roerende zaken onrechtmatig zijn. Uitgangspunt bij de beoordeling hiervan is dat [A c.s.] op grond van artikel 5:48 BW in beginsel moet dulden dat [C] een erfafscheiding plaatst. Dat betekent echter niet dat [C] geen rekening hoeft te houden met de belangen van [A c.s.] Artikel 3:13 lid 1 BW bepaalt dat degene aan wie een bevoegdheid toekomt, deze niet kan inroepen voor zover die bevoegdheid wordt misbruikt. Daaraan dienen in het geval van uitoefening van de in artikel 5:48 BW gegeven bevoegdheid hoge eisen te worden gesteld (vgl. gerechtshof Arnhem 3 november 1992, NJkort 1993/8). Een bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt indien men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.

4.13.

Deze laatste situatie doet zich hier naar het oordeel van de rechtbank voor. Bij de plaatsopneming is voldoende vast komen te staan dat [A c.s.] aanzienlijke hinder ondervindt door de erfafscheiding bestaande uit palen en winddoek. De hoogte van de erfafscheiding bestaande uit palen en winddoek is volgens [A c.s.] immers 3,10 meter vanaf het maaiveld, en volgens [C] 2,40 meter vanaf het perceel van [A c.s.] Wat hier verder ook van zij, de erfafscheiding bestaande uit palen en winddoek ontneemt [A c.s.] het vrije uitzicht over de velden achter zijn perceel. De stelling van [C] dat het uitzicht ook werd beperkt door de schuur van [A c.s.] en dat het altijd het plan is geweest dat de percelen achter de woning van [A c.s.] zullen worden bebouwd, doet hier niet aan af. Een dergelijke beperking van het uitzicht van [A c.s.] is immers niet vergelijkbaar met de wijze waarop het uitzicht van [A c.s.] nu vrijwel volledig door de erfafscheiding bestaande uit palen en winddoek is weggenomen. [A c.s.] wordt aldus in zijn woongenot beperkt. De vraag of partijen vrij uitzicht zijn overeengekomen acht de rechtbank daarbij niet doorslaggevend.

4.14.

Daar staat tegenover dat [C] de grond achter het perceel van [A c.s.] niet bewoont, maar gebruikt voor het (hobbymatig) verbouwen van gewassen. [C] stelt dat hij belang heeft bij de erfafscheiding vanwege de bescherming van zijn gewassen tegen de wind en vanwege zijn privacy als hij aan het werk is op zijn grond. Dit is door [A c.s.] weersproken, onder andere door erop te wijzen dat [C] ook voorafgaand aan het plaatsen van de erfafscheiding bestaande uit palen en winddoek in 2017 zonder problemen gewassen verbouwde op de betreffende grond. Met de opmerking van [C] dat de erfafscheiding bestaande uit palen en winddoek is geplaatst vanwege de “hatelijke blikken” van [A c.s.] (conclusie van antwoord, randnummer 27), wordt duidelijk dat de werkelijke aanleiding voor het plaatsen van de erfafscheiding bestaande uit palen en winddoek kennelijk is gelegen in het tussen partijen ontstane geschil. Dit wordt voorts bevestigd door het gebruikte materiaal voor de geplaatste erfafscheiding, die bestaat uit een provisorisch tussen palen gespannen lichtgroen winddoek. Alles wijst er dan ook op dat de erfafscheiding bestaande uit palen en winddoek uitsluitend bedoeld is om [A c.s.] in het kader van het tussen partijen gerezen burenconflict het uitzicht te ontnemen, zonder dat [C] daarbij zelf een reëel belang heeft. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat [C] in onderhavig geval zijn recht om een erfafscheiding te plaatsen heeft misbruikt.

4.15.

Een en ander betekent dat [C] zal worden veroordeeld de erfafscheiding bestaande uit palen en winddoek te verwijderen en niet opnieuw op te bouwen (vordering IV.). Oplegging van de gevorderde dwangsom, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing, is gezien het geschil tussen partijen gepast en geboden. De op te leggen dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd. Gelet op artikel 3:299 lid 1 BW is de gevorderde machtiging deze veroordeling zelf te bewerkstelligen eveneens toewijsbaar. De vordering tot vergoeding van de kosten hiervan zal niet worden toegewezen, nu niet kan worden vastgesteld of deze kosten daadwerkelijk zullen worden gemaakt en wat de hoogte van deze kosten zal zijn.

4.16.

[C] heeft zich verzet tegen de door [A c.s.] gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring. De rechtbank ziet geen aanleiding om de uitvoerbaar bij voorraad verklaring af te wijzen. [C] heeft niet toegelicht dat sprake is van een ingrijpende veroordeling en geen concrete bezwaren aangevoerd die opwegen tegen het belang van [A c.s.] bij de spoedige tenuitvoerlegging van het vonnis.

4.17.

De vordering over de op de grond van [C] geplaatste roerende zaken is onvoldoende toegelicht en onvoldoende concreet, zodat dat deel van de vordering niet kan worden toegewezen.

Proceskosten

4.18.

In de omstandigheid dat partijen in conventie over en weer op meerdere punten in het ongelijk zijn gesteld, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

in reconventie

Wateroverlast (vordering I.)

4.19.

[C] heeft betoogd dat door de ophoging van het perceel van [A c.s.] en de geplaatste regenpijp op de schuur van [A c.s.] , er meer water afloopt op zijn grond die is gelegen achter het perceel van [A c.s.] , dan het geval zou zijn geweest indien [A c.s.] zijn perceel niet had opgehoogd en geen regenpijp had geplaatst. [A c.s.] heeft dit weersproken.

4.20.

Bij de plaatsopneming heeft de rechtbank vastgesteld dat de openbare weg hoger is gelegen dan de grond van [C] . Het perceel van [A c.s.] ligt tussen de openbare weg en de betreffende grond van [C] . De rechtbank neemt dan ook tot uitgangspunt dat het regenwater van nature afloopt vanaf de openbare weg, via het perceel van [A c.s.] , naar de grond van [C] . [C] dient als eigenaar van het lager gelegen erf het water afkomstig van het hoger gelegen erf te ontvangen (artikel 5:38 BW). Door [C] is onvoldoende concreet toegelicht en onderbouwd, dat deze natuurlijke afloop van het water op een voor [C] negatieve wijze wordt beïnvloed doordat [A c.s.] zijn perceel bij de bouw van zijn woning in 2013 heeft opgehoogd. Weliswaar heeft [C] gesteld dat door de verhoging van het perceel van [A c.s.] het regenwater minder goed wordt opgenomen in de grond van het perceel van [A c.s.] , en dat het water daarom (door)loopt naar de grond van [C] , maar dit is door [A c.s.] gemotiveerd weersproken. Nu [C] van deze stelling geen nadere onderbouwing of motivering heeft gegeven, gaat de rechtbank hieraan voorbij. Aan de beoordeling van de vraag of de ophoging van het perceel van [A c.s.] is 2013 was toegestaan, komt de rechtbank gezien het voorgaande niet toe.

4.21.

Voorts heeft [C] gesteld dat de regenpijp van de schuur van [A c.s.] is aangebracht boven zijn grond en afwatert op zijn grond. De rechtbank is van oordeel dat [C] onvoldoende heeft gemotiveerd en onderbouwd, dat de regenpijp boven zijn grond is geplaatst. Door [A c.s.] is immers gesteld, en door [C] is niet weersproken, dat het Kadaster in juni 2015 een grensvaststelling heeft uitgevoerd conform de bestaande toestand. Tussen partijen staat vast dat de schuur en de daarop bevestigde regenpijp sinds juni 2015 ongewijzigd zijn. De rechtbank overweegt dat het - zonder nadere toelichting van [C] , die ontbreekt - niet aannemelijk is dat het Kadaster bij de grensvaststelling conform de bestaande toestand is uitgegaan van een situatie, waarbij delen van de schuur van [A c.s.] uitstaken over de vast te stellen erfgrens. Derhalve is onvoldoende komen vast te staan dat de regenpijp boven de grond van [C] hangt. Nu de regenpijp recht naar beneden loopt en recht onder de regenpijp afwatert, is evenmin vast komen te staan dat de regenpijp in strijd met artikel 5:52 BW afwatert op de grond van [C] . Dat sprake is van een onrechtmatige afwatering in de zin van artikel 5:39 BW is voorts niet gebleken. Een en ander brengt mee dat vordering I. zal worden afgewezen.

Opstallen over de erfgrens (vordering III.)

4.22.

Het voorgaande geldt eveneens voor de stelling van [C] , dat een deel van de schuur van [A c.s.] is gebouwd op zijn grond en dat de bouten van de grondafscheiding van [A c.s.] uitsteken boven zijn grond. Dat dit het geval is, is onvoldoende gebleken. In het licht van de gemotiveerde weerspreking hiervan door [A c.s.] , waarbij [A c.s.] heeft gewezen op de grensuitzetting conform de bestaande toestand in juni 2015, had op de weg van [C] gelegen om dit nader te onderbouwen. Nu [C] dat heeft nagelaten, komt vordering III. evenmin voor toewijzing in aanmerking.

Leidingen in de grond van [C] (vordering II.)

4.23.

Aan vordering II. heeft [C] ten grondslag gelegd dat [A c.s.] twee leidingen in zijn grond heeft aangelegd, zonder dat hij daarvoor toestemming heeft gegeven. [A c.s.] heeft zich op het standpunt gesteld dat zijn hovenier in oktober 2013 toestemming heeft gevraagd en verkregen van [C] voor het plaatsen van de leidingen. Ook heeft [A c.s.] er op gewezen dat de ondergrondse leidingen zijn geplaatst om wateroverlast te voorkomen.

4.24.

Aan de beoordeling van de vraag of [C] toestemming heeft gegeven voor de ondergrondse leidingen komt de rechtbank niet toe, gelet op het navolgende. De bevoegdheid van de eigenaar tot gebruik van de ruimte boven en onder de grond is in beginsel exclusief van aard. De exclusiviteit is echter in zoverre beperkt, dat gebruik van die ruimten door anderen is toegestaan indien dit gebruik zo hoog boven of zo diep onder de oppervlakte plaatsvindt, dat de eigenaar geen belang heeft zich daartegen te verzetten (art. 5:21 lid 2 BW). De rechtbank begrijpt het subsidiaire betoog van [A c.s.] aldus, dat onvoldoende is gebleken dat [C] een belang heeft bij zijn verzet tegen de ondergrondse leidingen. Dit betoog wordt gevolgd, gelet op het navolgende.

4.25.

[C] heeft niet gesteld dat hij nadeel ondervindt van de leidingen. [C] heeft zich daarentegen op het standpunt gesteld dat hij tot voor kort geheel niet op de hoogte was van het feit dat de leidingen zich in zijn grond bevonden. [C] is daar - volgens zijn stellingen - pas achter gekomen toen [A] recentelijk op de grond van [C] liep om de ondergrondse leidingen te bekijken. Nu de ondergrondse leidingen al in 2013 zijn geplaatst en [C] tevens heeft verklaard dat hij op de grond al jarenlang gewassen verbouwt, leidt de rechtbank hieruit af dat de ondergrondse leidingen het agrarisch gebruik van de grond van [C] niet belemmeren of beperken. [C] heeft de aanwezigheid van de ondergrondse leidingen in de afgelopen jaren immers niet opgemerkt. Daarbij komt nog dat één van de ondergrondse leidingen dient als regenwaterafvoer van het perceel van [A c.s.] . Deze afvoer is bedoeld om wateroverlast op het terrein van [C] c.s. te voorkomen waarmee het belang van [C] wordt gediend. Dit ondersteunt het oordeel van de rechtbank, dat onvoldoende is gebleken dat [C] een belang heeft bij de gevorderde verwijdering van de ondergrondse leidingen (artikelen 5:21 lid 2 BW en 3:303 BW). Vordering II. zal daarom worden afgewezen.

Proceskosten

4.26.

[C] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in reconventie worden veroordeeld. Dat partijen in het kader van de schikking afspraken hebben gemaakt over de tot dan toe gemaakte proceskosten, staat hieraan niet in de weg. De kosten in reconventie zijn immers pas daarna gemaakt. De rechtbank begroot de proceskosten in reconventie aan de zijde van [A c.s.] op € 904,-- aan salaris advocaat (2 punten x tarief II á € 452,--).

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

veroordeelt [C] tot betaling aan [A c.s.] van € 716,10 binnen twee maanden na betekening van dit vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente van 20 oktober 2017 tot de dag der algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt [C] om binnen vier weken na betekening van dit vonnis de erfafscheiding bestaande uit palen en winddoek, geplaatst op het perceel van [C] (kadastraal bekend Gemeente [gemeente] , [sectie sectie] , nummer [nummer] ) aan de achterzijde van het perceel van [A] aan de [adres 2] , te verwijderen en daarna niet opnieuw, geheel of gedeeltelijk op te bouwen, en het terrein weer in originele staat te brengen van voor de bouw van de grensafscheiding, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,-- per dag, of een gedeelte van een dag, dat [C] in gebreke blijft hieraan te voldoen, met een maximum van € 2.500,--, en met dien verstande dat geen verdere dwangsommen verschuldigd zullen zijn indien [A c.s.] gebruik maakt van de onder 5.3 opgenomen machtiging;

5.3.

machtigt [A c.s.] om te bewerkstellingen dat de erfafscheiding bestaande uit palen en winddoek wordt verwijderd en daarna niet opnieuw, geheel of gedeeltelijk wordt opgebouwd, en het terrein weer in originele staat wordt gebracht zoals het was voorafgaand aan het plaatsen van de erfafscheiding bestaande uit palen en winddoek, indien [C] niet tijdig aan de veroordeling in 5.2 voldoet;

5.4.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

compenseert de proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder de eigen kosten draagt;

5.6.

wijst af het anders of meer gevorderde;

in reconventie

5.7.

wijst de vorderingen af;

5.8.

veroordeelt [C] in de kosten van deze procedure in reconventie, tot op heden aan de zijde van [A c.s.] begroot op € 904,--;

5.9.

verklaart de proceskostenveroordeling in reconventie uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.C. Hartendorp en in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2018.1

1 type: 2529