Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:3469

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-03-2018
Datum publicatie
04-04-2018
Zaaknummer
R.15.34 / R.15.33
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eindzitting wettelijke schuldsaneringsregelingen. Verlenging regelingen met één jaar of zoveel korter totdat nieuwe schulden en boedelachterstand zijn voldaan. Korting bewindvoerdersvergoeding in verband met tekortschieten in uitvoering wettelijke taak.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 352
Faillissementswet 349a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team Insolventies – enkelvoudige kamer

insolventienummers: C/09/15/[00] R en C/09/15/[00] R

Vonnis van 27 maart 2018

in de zaken van:

[schuldenares],

geboren op [geboortedatum] 1963 te [geboorteplaats] (Colombia),

en

[schuldenaar],

geboren op [geboortedatum] 1960 te [geboorteplaats],

beiden wonende te [adres, postcode en woonplaats],

schuldenaren.

1 Verloop van de procedure

1.1

Bij vonnis van 20 januari 2015 is ten aanzien schuldenaren de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken met benoeming van mr. R. Cats tot rechter-commissaris en van

D.H.H. Graven-Quasters, kantoorhoudende te Zuidland, tot bewindvoerder.

1.2

De bewindvoerder heeft op de voet van artikel 351a van de Faillissementswet (Fw) schriftelijk verslag uitgebracht ten aanzien van de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.

1.3

Op 13 maart 2018 heeft de terechtzitting als bedoeld in artikel 352 Fw plaatsgevonden. De bewindvoerder en schuldenaren zijn ter zitting verschenen en gehoord.

1.4

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1

De termijn als bedoeld in artikel 349a Fw is op 20 januari 2018 verstreken. De rechtbank staat daarmee thans voor de vraag of schuldenaren gedurende de termijn gedurende welke de schuldsaneringsregeling van toepassing was, tekort zijn geschoten in de nakoming van één of meer verplichtingen uit die regeling en, indien daarvan sprake mocht zijn, of deze tekortkoming aan schuldenaren kan worden toegerekend.

2.2

In een rapport van de GGD van 23 januari 2015 is schuldenaar gedeeltelijk arbeidsongeschikt bevonden. Op 7 augustus 2015 heeft de rechter-commissaris bepaald dat schuldenaar niet vrijgesteld zal worden van de sollicitatieverplichting zolang niet duidelijk is of en zo ja gedurende hoeveel uren per week schuldenaar werkzaam is.

2.3

In een rapport van de GGD van 16 maart 2015 is schuldenares volledig arbeidsongeschikt bevonden. Schuldenares is door de rechter-commissaris vanaf aanvang van de schuldsaneringsregeling tot 16 maart 2016 vrijgesteld van de sollicitatieverplichting onder de voorwaarde dat zij zich onder behandeling laat stellen. Schuldenares heeft voor de periode na 16 maart 2016 niet opnieuw een vrijstelling gevraagd.

2.4

Gebleken is dat de bewindvoerder van 28 februari 2015 tot het eindverslag van 8 maart 2018 geen verslag heeft gedaan. De bewindvoerder is pas 12 maart 2018 weer in contact getreden met schuldenaren. Schuldenaren hebben ter terechtzitting verklaard ervan uit te zijn gegaan dat zij de schuldsaneringsregelingen altijd goed hebben doorlopen, omdat de bewindvoerder bij het huisbezoek heeft gezegd dat het goed gaat zolang zij niks van haar horen. De bewindvoerder heeft ter terechtzitting verklaard dat zij het bericht van 7 augustus 2015 van de rechter-commissaris nimmer heeft gecommuniceerd aan schuldenaren, zodat schuldenares niet van de vrijstelling en de daaraan verbonden voorwaarde op de hoogte was en schuldenaar niet van het ontbreken van vrijstelling. Nu schuldenaar niet en schuldenares slechts tijdelijk door de rechter-commissaris is vrijgesteld van de sollicitatieverplichting, is formeel sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de op schuldenaren rustende sollicitatieverplichting.

2.5

Vaststaat dat schuldenaren nieuwe schulden aan de belastingdienst terzake te veel of onterecht ontvangen zorg- en huurtoeslag over het jaar 2016 van respectievelijk € 262,- en € 454,- hebben laten ontstaan, waarvoor thans lopende betalingsregelingen van minimaal € 25,- per maand zijn getroffen. Voormelde nieuwe schulden zullen medio november 2018 zijn voldaan.

Tevens is een nieuwe schuld terzake te betalen inkomstenbelasting over het jaar 2016 van € 445,- ontstaan, maar ter terechtzitting is gebleken dat de belastingdienst deze aanslag heeft verrekend met nog door schuldenaar te ontvangen heffingskorting. De bewindvoerder heeft ter terechtzitting verklaard dat haar is gebleken dat de belastingdienst ten aanzien van schuldenaar abusievelijk enige tijd geen heffingskorting heeft toegepast, zodat schuldenaar - na voormelde verrekening - recht heeft op nabetaling van € 2.326,-.

2.6

Ook staat vast dat sprake is van een geschatte boedelachterstand van € 3.072,-. Wanneer de onder 2.5 genoemde nabetaling zal worden aangewend voor het inlossen van de boedelachterstand zal nog sprake zijn van een boedelachterstand van circa € 700,-. De bewindvoerder heeft hieromtrent ter terechtzitting verklaard dat schuldenaren niet hebben verzocht om de gemeentelijke belastingen ten laste van de boedel te laten komen, terwijl zij daar (vermoedelijk) wel recht op hadden. Wanneer de rechter-commissaris toestemming zal verlenen de gemeentelijke belastingen ten laste van de boedel te laten komen, zal hoogstwaarschijnlijk geen boedelachterstand resteren, aldus de bewindvoerder.

2.7

Gelet op het voorgaande is de rechtbank is van oordeel dat in beginsel sprake is van tekortkomingen die schuldenaren zijn toe te rekenen. De rechtbank acht de tekortkomingen evenwel niet van dien aard dat die thans zou moeten leiden tot beëindiging van de schuldsaneringsregelingen zonder toekenning van de zogenoemde “schone lei”. Er is sprake van een bijzondere omstandigheid. Schuldenaren zijn geruime tijd niet door de bewindvoerder gewezen op hun verplichtingen en op de gevolgen van niet-nakoming ervan. De rechtbank zal schuldenaren dan ook een laatste kans bieden hun schuldsaneringsregelingen met goed gevolg te doorlopen. De rechtbank acht een verlenging van één jaar of zoveel korter totdat de nieuwe schulden én de boedelachterstand volledig zijn ingelost aan de orde. Schuldenaren dienen zo spoedig mogelijk de rechter-commissaris te verzoeken toestemming te verlenen voor het doen plaatsvinden van een GGD-keuring. Temeer nu schuldenaren begin 2015 voor het laatst zijn gekeurd en schuldenaar op 12 maart 2018 de diagnose longkanker heeft gekregen. Verder dienen schuldenaren gedurende de verlenging van de schuldsanering zich aan alle verplichtingen die voortvloeien uit de schuldsaneringsregeling te houden. Er is niet gebleken van bezwaren van schuldeisers. De schuldsaneringsregelingen zullen daarom worden voortgezet. De verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregelingen gaat in zodra dit vonnis onherroepelijk is geworden. Dat is, als geen hoger beroep wordt ingesteld en met inachtneming van de Algemene Termijnenwet, op 4 april 2018.

2.8

Voor de vaststelling van de vergoeding van de bewindvoerder heeft te gelden dat de bewindvoerder hieromtrent is gehoord en heeft verklaard zich te refereren aan de beslissing van de rechtbank. De rechtbank stelt op grond van het verhandelde ter zitting en de overgelegde stukken vast dat de bewindvoerder tekortgeschoten is in de uitvoering van haar wettelijke taak. De rechtbank zal conform het bepaalde in het ‘Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering’ een korting van 50% op de nog vast te stellen totale vergoeding van de bewindvoerder toepassen.

3 De beslissing

De rechtbank:

- verlengt de termijn van de schuldsaneringsregelingen met één jaar;

- verstaat dat die verlenging ingaat op 4 april 2018 en daarom zal lopen tot 4 april 2019

of tot zoveel eerder dat de nieuwe schulden én de boedelachterstand volledig zijn ingelost.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W. Vogels, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 maart 2018 in tegenwoordigheid van C.R. Cortenbach-van der Lek LL.B., griffier.

Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof te Den Haag.