Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:3425

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-03-2018
Datum publicatie
26-03-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 14517
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2019:2863, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nareis Syrië, meerderjarig kind, feitelijke gezinsband doorbroken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/14517

[persoonsnummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 20 maart 2018 in de zaak tussen

[de man] ,

geboren op [geboortedatum] 1995, van Syrische nationaliteit, eiser

(gemachtigde mr. C.J. Ullersma),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (voorheen de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie), verweerder

(gemachtigde mr. G.J. Westendorp).

Procesverloop

Met het besluit van 13 januari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van [de vrouw] , referente, van 9 maart 2016 om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) ten behoeve van eiser afgewezen. Verweerder heeft het daartegen gemaakte bezwaar met het besluit van 23 augustus 2017 (het bestreden besluit) kennelijk ongegrond verklaard.

Op 18 september 2017 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser tegen dit besluit ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2018. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Ook waren ter zitting aanwezig referente, en W. Fadl, tolk in de Arabische taal. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Overwegingen

  1. Referente heeft op 29 februari 2016 een verblijfsvergunning asiel gekregen. Op 9 maart 2016 heeft referente een mvv aangevraagd ten behoeve van nareis asiel voor haar achtergebleven kinderen, onder wie eiser.

  2. Verweerder heeft de aanvraag voor eiser afgewezen, omdat hij meerderjarig is en de feitelijke gezinsband reeds was verbroken. Verweerder heeft hiertoe onder meer het volgende meegewogen. Eiser is door referente eind 2012 uit angst voor de naderende dienstplicht naar Libanon gestuurd. Op 11 juni 2013 is eiser 18 jaar geworden. Uit de overgelegde kopie van het paspoort van eiser blijkt dat dit op 6 juni 2015 is verstrekt in Damascus. Eiser heeft op de Nederlandse ambassade in Beiroet op 30 november 2016 verklaard dat hij iets meer dan een jaar heeft gewerkt in een supermarkt in Libanon en dat hij eiseres financieel steunde. Ook heeft eiser verklaard dat hij zelfstandig heeft gewoond en dat hij daarna bij zijn oom is gaan wonen.

  3. Eiser stelt in beroep – samengevat – dat hij niet vrijwillig uit huis is gegaan om zich in een ander land te vestigen en zelfstandig te worden. Eiser kan niet terug gaan naar Syrië, omdat hij dan gerekruteerd wordt voor de militaire dienstplicht of wordt geronseld door een van de strijdende milities. Het aan hem verstrekte paspoort is niet rechtsgeldig geworden, omdat hij daarvoor naar Syrië moest reizen. Eiser heeft werk gezocht uit noodzaak om te overleven en om het gezin te helpen. Hij heeft slechts een paar maanden gewerkt en er is geen sprake van een niveau van inkomen dat vergelijkbaar is met een basisniveau van levensonderhoud. Verweerder heeft de mogelijke contra-indicaties die ertoe kunnen leiden dat de gezinsband als verbroken dient te worden beschouwd niet gewogen in de context. Ten aanzien van vluchtelingen eist de richtlijn 2003/86/EG inzake het rechtop gezinshereniging (Gezinsherenigingsrichtlijn) dat oog bestaat voor hun moeilijke omstandigheden, en dat de context wordt betrokken in de evenredigheidstoets. Het besluit geeft hiervan geen blijk en is daarom in strijd met de Gezinsherenigingsrichtlijn. Ten slotte voert eiser aan dat de gezinsband niet is beoordeeld in overeenstemming met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

  4. De rechtbank stelt voorop dat de aangevoerde asielgerelateerde beroepsgronden in het kader van nareis niet aan de orde kunnen komen. Daarvoor kan eiser zelf een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel indienen.

  5. Verweerder hanteert beleid inzake de afgeleide verblijfsvergunning voor nareizende gezinsleden, zoals bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet (Vw) 20001, dat staat beschreven in C2/4 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000. In het beleid worden – onder meer – als contra-indicaties genoemd, op grond waarvan in ieder geval wordt aangenomen dat het meerderjarige kind niet langer feitelijk tot het gezin van de ouder(s) behoort:
    - het kind woont zelfstandig;
    - het kind voorziet in eigen onderhoud.

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de feitelijke gezinsband was verbroken op het moment dat eiseres het land van herkomst verliet. Eiser is door referente eind 2012 naar Libanon gebracht. Eiser was dus op de peildatum, de datum dat referente uit Syrië vertrok, juli 2015, al twee en een half jaar weg uit het gezin van referente. Eiser heeft de stelling dat zijn paspoort niet geldig is, niet onderbouwd. In Libanon heeft eiser, zoals hij op de ambassade heeft verklaard, eerst met twee neven verbleven en daarna is hij naar zijn oom, de broer van zijn moeder, gegaan. Eiser heeft tweemaal een periode van zes maanden verblijfsrecht gehad in Libanon en heeft in die periode gewerkt in een supermarkt. Daarmee is sprake van twee in het beleid genoemde contra-indicaties. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank de individuele omstandigheden van eiser voldoende meegewogen.

7. Eiser heeft op de zitting naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 29 september 20172 en 9 november 20173 verwezen en gesteld dat relevant is of het sprake is van vertrek uit het gezin voor of tijdens de burgeroorlog. De Afdeling is in deze uitspraken niet toegekomen aan een oordeel over de vluchtelingenomstandigheden omdat, anders dan in deze zaak, sprake was van vertrek voor het uitbreken van de burgeroorlog. Naar het oordeel van de rechtbank kan de reden van vertrek van belang zijn. Verweerder heeft hier in het bestreden besluit ook aandacht voor gehad. De rechtbank ziet niet in dat de verwijzing naar deze uitspraken eiser kan baten. De beroepsgrond slaagt niet.

8. Het beroep van eiser op artikel 8 van het EVRM kan niet inhoudelijk worden beoordeeld in het kader van een aanvraag tot een verblijfsvergunning nareis. Zo blijkt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling4 dat de Vw 2000 buiten artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e en f, van de Vw 2000 (oud) (thans artikel 29, tweede lid, van de Vw 2000) geen grond biedt voor verlening van een verblijfsvergunning asiel ter bescherming van ‘family life’, als bedoeld in artikel 8 van het EVRM en dat de beoordeling van de toepassing van artikel 8 van het EVRM buiten voormelde bepalingen plaats dient te vinden in een procedure omtrent de verlening van een verblijfsvergunning regulier. De aangehaalde uitspraken en het genoemde beleid van verweerder zien op de afweging in het kader van artikel 8 van het EVRM en baten eiser daarom niet. De beroepsgrond slaagt niet.

9. De rechtbank volgt eiser niet in het aangevoerde dat de hoorplicht is geschonden. Van het horen van belanghebbenden kan onder meer worden afgezien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Dit is het geval als uit het bezwaarschrift zelf direct blijkt dat de bezwaren ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Dit moet worden beoordeeld aan de hand van de inhoud van het bezwaarschrift in samenhang met wat in eerste instantie door betrokkene is aangevoerd. Gelet op hetgeen eiser in bezwaar heeft aangevoerd en de motivering van het primaire besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser niet ten onrechte kennelijk ongegrond geacht en van het horen van eiser mogen afzien.

10. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Kalse-Spoon, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: EKS

D:

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

BIJLAGE

Vreemdelingenwet 2000

Artikel 29

Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan voorts worden verleend aan gezinsleden, indien deze op het tijdstip van binnenkomst van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling behoorden tot diens gezin en gelijktijdig met die vreemdeling Nederland zijn ingereisd dan wel zijn nagereisd binnen drie maanden nadat aan die vreemdeling de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend: de vreemdeling die als partner of meerder jarig kind van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling zodanig afhankelijk is van de vreemdeling, dat hij om die reden behoort tot diens gezin.

1 Zie bijlage.

2 ECLI:NL:RVS:2017:2632.

3 ECLI:NL:RVS:2017:3067.

4 zie onder meer de uitspraken van 19 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO1555 en 23 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ0424.