Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:3413

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-03-2018
Datum publicatie
20-04-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 3497
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat zij – op basis van het beroepschrift – terecht tot de conclusie is gekomen dat het beroep kennelijk ongegrond is en de zaak terecht zonder zitting heeft afgedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/3497

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 maart 2018 op het verzet van

[opposant], opposant,

tegen de uitspraak van de rechtbank in zijn zaak tegen

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Procesverloop

Bij besluit van 6 april 2017 (het bestreden besluit) heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het bezwaar van opposant kennelijk gegrond verklaard omdat niet tijdig is beslist op zijn verzoek in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob).

Opposant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft op 23 oktober 2017 bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep ongegrond verklaard.

Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2018.

Opposant is verschenen.

Overwegingen

1. In deze verzetprocedure moet de rechtbank de vraag beantwoorden of zij bij de uitspraak van 23 oktober 2017 het beroep van opposant terecht zonder zitting heeft afgedaan, omdat zij tot het oordeel kwam dat het beroep kennelijk ongegrond was. Dit betekent dat de beoordeling van de rechtbank beperkt is tot de vraag of terecht uitspraak is gedaan zonder opposant op zitting te horen. Als het verzet gegrond wordt verklaard, komt de uitspraak waartegen het verzet is gericht te vervallen en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

2. In de uitspraak waartegen verzet is gedaan is overwogen dat de dwangsomregeling uit de Awb niet langer van toepassing is op besluiten op grond van de Wob. De vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 15a, vierde lid van de Wob, ziet op de kosten die opposant redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het bezwaar (proceskosten). De rechtbank heeft overwogen dat dit andere kosten betreft dan de dwangsom.

3. In zijn verzetschrift betoogt opposant dat de rechtbank ten onrechte vereenvoudigd heeft afgedaan. De kosten om bezwaar en beroep in te stellen moeten wel worden vergoed omdat niet wordt voldaan aan de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 15a, vierde lid van de Wob. Dat opposant per abuis het woord ‘dwangsom’ heeft gebruikt doet hier niet aan af. Ter zitting heeft opposant nader toegelicht dat hij beroep had ingesteld als dwangmiddel omdat hij nog steeds geen inhoudelijke reactie op zijn Wob-verzoek had ontvangen. Later is wel een inhoudelijke reactie gekomen. Opposant betoogt dat het griffierecht aan hem moet worden vergoed.

4. Voor zover opposant heeft betoogd dat hij beroep moest instellen om een inhoudelijk besluit te krijgen, overweegt de rechtbank dat dit op geen enkele wijze blijkt uit zijn beroepschrift en dat daarin ook niet is verzocht om een vergoeding van het griffierecht. Ook voor het overige gaf het beroepschrift van eiser geen aanleiding voor de rechtbank om te oordelen dat eiser beroep had ingesteld om een proceskostenvergoeding te krijgen. De rechtbank stelt vast dat eiser zonder gemachtigde procedeert zodat er geen reden is voor een eventuele toekenning voor een vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Opposant heeft voorts in zijn beroepschrift op geen enkele wijze gesteld of onderbouwd welke (andere) kosten hij heeft gemaakt voor het indienen van bezwaar en beroep. De rechtbank is daarom van oordeel dat zij – op basis van het beroepschrift – terecht tot de conclusie is gekomen dat het beroep kennelijk ongegrond is en de zaak terecht zonder zitting heeft afgedaan. Het verzet is daarom ongegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak in stand blijft.

5. Het verzet is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Brand, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.