Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:3383

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-03-2018
Datum publicatie
20-04-2018
Zaaknummer
NL17.9156
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asielrelaas ongeloofwaardig, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.9156


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. P.C.M. van Schijndel),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. de Jong).


Procesverloop
Bij besluit van 29 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M.A. Vissers. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Colombiaanse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] 1968.

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij vreest voor de drugsbende [drugsbende], nadat hij bij nader inzien af heeft gezien van een opdracht om 10 kilo cocaïne naar Nederland te brengen.

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen: zijn identiteit, nationaliteit en herkomst en zijn problemen van de zijde van [drugsbende] vanwege het afzien van de cocaïnesmokkel.

4. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn, maar dat niet geloofwaardig is dat hij problemen heeft ondervonden van de zijde van [drugsbende]. Voorts blijkt uit de door eiser overgelegde stukken volgens verweerder niet dat hij zich bevindt in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium van een ongeneeslijke ziekte, zodat geen grond bestaat voor het oordeel dat uitzetting van eiser een schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) oplevert.

Hij concludeert daarom dat de asielaanvraag ongegrond is.

5. Eiser voert aan dat in het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd waarom het asielrelaas ongeloofwaardig is, nu verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom zijn uitleg niet overtuigt. Volgens eiser heeft verweerder ten onrechte niet onderkend dat het vaak voorkomt dat mensen strafbare feiten plegen, zoals drugsdelicten, waarbij geld het enige motief is. Daarnaast heeft verweerder volgens eiser ten onrechte bevreemdend geacht dat hij niet wist dat de personen met wie hij contact had leden waren van [drugsbende]. Volgens eiser is niet iedereen die zich met drugshandel bezighoudt lid van die criminele organisatie. Voorts heeft verweerder volgens eiser ten onrechte aan hem tegengeworpen dat hij niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij in een laat stadium bij nader inzien van de smokkelklus wilde afzien. Daartoe wijst eiser er op dat hij heeft toegelicht dat hij heeft overlegd met de moeder van zijn kinderen, waardoor twijfels zijn ontstaan en hij uiteindelijk wilde afzien van de smokkelklus. Ten slotte voert eiser aan dat verweerder hem ten onrechte heeft tegengeworpen dat niet valt in te zien waarom hij zich bij zijn contactpersoon van [drugsbende] heeft uitgegeven als [naam]. In dat verband wijst eiser er op dat zijn roepnaam [naam] is.

Ten aanzien van zijn medische omstandigheden voert eiser aan dat verweerder ten onrechte geen nader onderzoek heeft laten verrichten. Daartoe wijst eiser er op dat hij is geopereerd aan kanker, en dat er elke drie maanden een scan wordt gemaakt om te zien of de kanker weer aanwezig is en of er uitzaaiingen zijn. Hoewel de laatste keert niets zorgelijks is geconstateerd, kan de kanker terugkeren, aldus eiser.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank overweegt dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser tegenstrijdige en beveemdingwekkende verklaringen heeft afgelegd.

Daarbij heeft verweerder van belang kunnen achten dat eiser enerzijds verklaart dat [drugsbende] overal zit en je overal kan vinden, onder meer doordat ze met de politie/autoriteiten samenwerken, terwijl hij anderzijds heeft verklaard dat hem op 18 januari 2016 een termijn van 15 dagen is gegund om de smokkelklus alsnog te klaren, hetgeen hij niet heeft gedaan, en waarna hij pas op 21 april 2016 Colombia legaal heeft verlaten. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat eiser heeft verklaard dat hij zich in die periode buitenshuis heeft begeven, dat hij tegen zijn contactpersoon bij [drugsbende] had verteld in welke plaats hij verbleef en dat hij een voorschot van ongeveer drieduizend euro heeft gekregen. Verweerder heeft deze tegenstrijdigheid dan ook niet ten onrechte aan eiser tegengeworpen.

Dat geld, zoals eiser aanvoert, doorgaans het enige motief is voor criminelen om strafbare feiten te plegen, neemt naar het oordeel van de rechtbank niet weg dat verweerder niet ten onrechte aan eiser heeft tegengeworpen dat het bevreemdend is dat uit zijn verklaringen niet blijkt dat hij enige twijfel heeft gehad om de smokkelklus al dan niet aan te nemen. Verweerder heeft daarbij niet ten onrechte betrokken dat het vreemd is dat eiser op basis van summiere informatie en zonder een afweging te maken, direct akkoord is gegaan met de smokkelklus, nu zo’n klus grote risico’s met zich meebrengt. Daarbij heeft verweerder het niet ten onrechte opmerkelijk geacht dat eiser, die stelt te zijn vertrokken uit zijn woonplaats [woonplaats] vanwege de gevaarlijke criminele bendes (waaronder [drugsbende]) zich vervolgens alsnog met een bende inlaat en zich op basis van summiere informatie bereid verklaart om 10 kilo cocaïne te smokkelen.

Verweerder heeft zich voorts niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het bevreemdend is dat eiser niet wist met welke organisatie hij te maken had. Eiser heeft verklaard dat hem, nadat hij een voorschot heeft gekregen, is gezegd dat hij lid was geworden van de organisatie. In het licht daarvan is het, zoals verweerder niet ten onrechte aan eiser heeft tegengeworpen, bevreemdend dat hij niet heeft gevraagd welke organisatie dat is.

Gelet op de verklaringen van eiser dat hij aanvankelijk geen enkele twijfel heeft gehad om de smokkelklus aan te nemen omdat hij het geld hard nodig had, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het ongerijmd is dat eiser na een gesprek met zijn vrouw, die hem niets heeft verteld wat hij nog niet wist, alsnog heeft afgezien van de klus.

Voor zover eiser er in gevolgd zou moeten worden leidt dat naar het oordeel van de rechtbank niet tot de conclusie dat verweerder zijn asielrelaas niet ongeloofwaardig heeft kunnen achten.

Ten aanzien van de medische omstandigheden van eiser overweegt de rechtbank als volgt. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat uitzetting vanwege zijn medische omstandigheden een schending van artikel 3 van het EVRM oplevert. Nu uit de door eiser overgelegde stukken blijkt dat de operatie aan zijn darm vanwege kanker ongecompliceerd is verlopen en dat hij spoedig is hersteld, heeft verweerder terecht geen aanleiding gezien om hier nader onderzoek naar te laten verrichten.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000. De aanvraag is terecht afgewezen als ongegrond.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. A.H. Ferment, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.