Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:3314

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-03-2018
Datum publicatie
09-04-2018
Zaaknummer
C/09/547264 / FT RK 18/199 en C/09/548237 / FT RK 18/331
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toewijzing dwangakkoord. Tienjaarstermijn WSNP. Aanbod vergelijken met situatie waarin schuldeisers volgens ‘normale regels’ verhaal kunnen nemen op vermogen.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 287a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team Insolventies – enkelvoudige kamer

rekestnummers: C/09/547264 / FT RK 18/199 en C/09/548237 / FT RK 18/331

vonnis van 21 maart 2018


in de zaken van

[verzoeker],

en

[verzoekster],

beiden wonende te [adres]

[postcode en woonplaats]n,

verzoekers,

tegen

Rabobank, gevestigd te Eindhoven (vertegenwoordigd door GGN Mastering Credit),

verweerster.

Verzoekers zullen hierna worden aangeduid als ‘verzoeker en verzoekster’ en verweerster als ‘Rabobank’.

1 De procedure

1.1

Op 31 januari 2018 hebben [verzoeker] en [verzoekster] tegelijk met de verzoeken tot toepassing van de schuldsaneringsregeling verzoeken ingediend tot het bevelen in te stemmen met een door hen aangeboden schuldregelingen als bedoeld in artikel 287a Faillissementswet (Fw) (“dwangakkoord”).

1.2

Ter terechtzitting van 14 maart 2018 zijn [verzoeker] en [verzoekster] hierover gehoord. Tevens zijn verschenen en gehoord [X] (schuldhulpverlener) en M. Henzen (beschermingsbewindvoerder).

1.3

Rabobank is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen ter terechtzitting. Rabobank heeft wel schriftelijk verweer gevoerd.

1.4

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

2.1 [

Verzoeker] en [verzoekster] hebben blijkens de verklaring ex artikel 285 lid 1 onder a Fw een totale schuld van respectievelijk € 36.635,50 en € 45.864,74 aan respectievelijk drie en vijf schuldeisers.

2.2

De vordering van Rabobank op [verzoeker] en [verzoekster] bedraagt € 27.538,26, zijnde 75,17% en 60,04% van hun respectieve schuldenlasten.

2.3

Uit de bij de aangeboden schuldregeling gevoegde toelichting blijkt dat [verzoeker] en [verzoekster] een maandelijks inkomen hebben van respectievelijk € 160,87 (Participatiewetuitkering) en € 1.171,28 (WAO en pensioen) en dat voor hen vrij te laten bedragen zijn berekend van respectievelijk € 751,83 en € 1.234,08, zodat onder de huidige omstandigheden maandelijks geen bedrag voor betaling aan schuldeisers beschikbaar is.

Namens [verzoeker] is bij brief van 2 oktober 2017 een schuldregeling aangeboden, inhoudende dat aan de (concurrente) schuldeisers een uitkering wordt gedaan van 2,73% tegen finale kwijting van het restant van hun vorderingen.

Namens [verzoekster] is bij brief van 2 oktober 2017 een schuldregeling aangeboden, inhoudende dat aan de concurrente schuldeisers een uitkering wordt gedaan van 2,195% tegen finale kwijting van het restant van hun vorderingen, en aan de preferente schuldeisers het dubbele percentage.

2.4

Uit de bij de aangeboden schuldregelingen gevoegde toelichting en de toelichting ter zitting is het volgende gebleken. Op [verzoeker] en [verzoekster] is de afgelopen tien jaar de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing geweest. Sinds 2 februari 2016 staan zij onder beschermingsbewind. Volgens een belastbaarheidsonderzoek uit 2016 is [verzoeker] door psychische klachten voorlopig niet in staat te werken. Hij heeft ook lichamelijke (rug)klachten als gevolg van een gebroken rug en is recentelijk geopereerd. Door de gemeente is hij vrijgesteld van de sollicitatieplicht. [verzoekster] is sinds 2005 voor 15-25% afgekeurd. Naast psychische klachten heeft zij diverse lichamelijke klachten (gehad) (kanker, rug- en nekhernia en artrose). Zij is, net als [verzoeker], door de gemeente aangemeld voor sociale activering.

2.5

De aangeboden schuldregelingen zijn door de andere schuldeisers aanvaard.

3 Standpunt van de partijen

3.1 [

Verzoeker] en [verzoekster] stellen dat Rabobank in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot een weigering van de medewerking aan de schuldregelingen die zij hebben aangeboden, nu de andere schuldeisers wel hebben ingestemd met de aangeboden schuldregelingen. Daarnaast leveren de aangeboden minnelijke regelingen meer op dan wat bij wettelijke regelingen kan worden gespaard vanwege de kosten van de WSNP-bewindvoerder. Het voorstel is het uiterste waartoe [verzoeker] en [verzoekster] in staat zijn. Tijdens de uitvoering van het akkoord zullen de schuldeisers op de hoogte worden gehouden van relevante ontwikkelingen met betrekking tot hun vorderingen.

3.2

Rabobank heeft aan haar weigering aanvankelijk ten grondslag gelegd dat zij voor de veiling van de voormalige woning van [verzoeker] en [verzoekster] veilingkosten hebben moeten maken. In de nagekomen brief van 13 maart 2018 heeft zij daaraan toegevoegd dat [verzoeker] en [verzoekster] de afgelopen jaren geen poginggen hebben ondernomen om een betalingsregeling te treffen. Voorts valt niet in te zien waarom [verzoeker] niet meer zou kunnen gaan verdienen en, al dan niet in de wettelijke schuldsaneringsregeling, een hoger aanbod zou kunnen gaan doen zodra hij weer is toegetreden tot de arbeidsmarkt. Tot slot heef Rabobank geen inzicht in de gegevens inzake afloscapaciteit en eventueel vermorgen.

4 De beoordeling

4.1

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser vrijstaat om te verlangen dat zijn vordering volledig wordt betaald. Een schuldeiser kan dan ook slechts onder bijzondere omstandigheden gedwongen worden om in te stemmen met een aangeboden schuldregeling die er toe zal leiden dat door de schuldeisers afstand moet worden gedaan van een deel van een vordering. Een verzoek om weigerachtige schuldeisers te bevelen toch met de aangeboden schuldregeling in te stemmen zal slechts kunnen worden toegewezen als de desbetreffende schuldeisers in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen, in aanmerking genomen enerzijds de onevenredigheid tussen het belang van – in dit geval alleen – Rabobank bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en anderzijds de belangen van [verzoeker] en [verzoekster] of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad. Tegen deze achtergrond oordeelt de rechtbank als volgt.

4.2

Bij de belangenafweging als bedoeld in artikel 287a Fw. zullen onder meer de volgende omstandigheden een rol kunnen spelen (zie ook de conclusie van A-G Timmerman voor HR 14 december 2012, LJN BY0966, nr. 2.6. e.v.):

[…]

- is voldoende duidelijk gemaakt dat het aanbod het uiterste is waartoe de schuldenaar financieel in staat moet worden geacht;

- biedt het alternatief van faillissement of schuldsanering enig uitzicht voor de schuldenaar;

- biedt het alternatief van faillissement of schuldsanering enig uitzicht voor de schuldeiser: hoe groot is de kans dat de weigerende schuldeiser dan evenveel of meer zal ontvangen;

- is aannemelijk dat gedwongen medewerking aan een schuldregeling voor de schuldeiser concurrentieverstorend werkt;

- bestaat er precedentwerking voor vergelijkbare gevallen;

- wat is de zwaarte van het financiële belang dat de schuldeiser heeft bij volledige nakoming;

- hoe groot is het aandeel van de weigerende schuldeiser in de totale schuldenlast;

- staat de weigerende schuldeiser alleen naast de overige met de schuldregeling instemmende schuldeisers.

4.3

Gelet op de hoogte van de schuldenlast hebben [verzoeker] en [verzoekster] naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam aannemelijk gemaakt dat zij in een zodanige problematische financiële situatie verkeren, dat zij niet zullen kunnen voortgaan met betalen van hun schulden. Duidelijk is ook dat zij uitsluitend uit deze situatie kunnen komen als zij erin slagen hun schuldenlast te saneren. Hun belang is daarmee gegeven.

4.4

De wettelijke schuldsaneringsregelingen zijn op 27 juli 2005 op [verzoeker] en [verzoekster] van toepassing verklaard. De regelingen zijn zonder “schone lei” geëindigd op 27 juli 2008. Gelet op artikel 288 lid 2 sub d, Fw is geen sprake van uitzonderingsgronden om [verzoeker] en [verzoekster] binnen een periode van tien jaar opnieuw toe te laten tot de wettelijke regeling. Dit betekent dat de subsidiaire schuldsaneringsverzoeken niet toewijsbaar zijn. Het betekent echter niet dat hun een tweede kans om schuldenvrij te geraken moet worden ontnomen. Volgens vaste jurisprudentie is het niet goed verenigbaar met de strekking van artikel 287a Fw om de toewijsbaarheid van een WSNP-verzoek aan te merken als een noodzakelijke voorwaarde voor de toewijsbaarheid van een verzoek om een bevel tot instemming met een schuldregeling (HR 14 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0966).

4.5

Bij de beoordeling van de onderhavige verzoeken kan dus geen vergelijking worden gemaakt van het aanbod in het minnelijke traject en de wettelijke regeling. Het aanbod zal moeten worden vergeleken met de situatie waarin de schuldeisers volgens de ‘normale regels’ verhaal kunnen nemen op het volledige vermogen van hun schuldenaren gedurende een periode van circa een half jaar, tot [verzoeker] en [verzoekster] weer in aanmerking kunnen komen voor een wettelijke schuldsaneringsregeling.

Op basis van de huidige omstandigheden kunnen de schuldeisers – tot een eventuele nieuwe toelating tot de schuldsaneringsregeling – hun vorderingen verhalen op alle goederen van [verzoeker] en [verzoekster], inclusief het inkomen dat zij boven de beslagvrije voet ontvangen. Van vermogen is echter niet gebleken, en de respectieve maandelijkse inkomsten van [verzoeker] en [verzoekster] van € 160,87 en € 1.171,28 liggen onder hun respectieve beslagvrije voet van € 692,56 en € 1.215,76. Dit betekent dat op dit moment ook geen verhaal op hun inkomen mogelijk is.

4.6

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de schuldeisers bij toewijzing van het verzochte niet slechter af zijn dan zonder het akkoord en dat voldoende is komen vast te staan dat het aanbod dat namens [verzoeker] en [verzoekster] is gedaan het maximaal haalbare is. [verzoeker] en [verzoekster] hebben de laatste jaren vele tegenslagen gehad en ondervinden daarvan diverse psychische en lichamelijke problemen. [verzoeker] ontvangt weliswaar inkomen uit uitkering op grond van de Participatiewet en [verzoekster] is slechts gedeeltelijk arbeidsongeschikt bevonden, maar beiden zitten pas in de fase van sociale activering door de gemeente. Voldoende aannemelijk is geworden dat zij beiden ‘van ver zijn gekomen’ en door hun psychische en lichamelijke problemen nog niet klaar zijn voor deelname aan het arbeidsproces.

4.7

Mochten [verzoeker] en [verzoekster] toch kunnen gaan werken én daarmee afloscapaciteit genereren, dan geldt dat thans voldoende aannemelijk is gemaakt dat controle op de maximale inbreng van hun afdrachten is gewaarborgd. Hierbij is van belang dat het in dit geval gaat om prognoseakkoorden. De rechtbank gaat er bij haar beslissing vanuit dat bij de uitvoering van de prognoseakkoorden zal worden gehandeld overeenkomstig de Gedragscode Schuldregeling van de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet (NVVK), en dus dat erop zal worden toegezien dat [verzoeker] en [verzoekster] gedurende de looptijd van de prognoseakkoorden aantoonbare inspanningen verrichten om hun inkomsten te vergroten en te behouden, dat zal worden gecontroleerd of zij de eventuele aflossingscapaciteit volledig inbrengen, dat periodiek de hoogte van het vtlb (en dus de aflossingscapaciteit) zal worden bepaald en dat de schuldeisers geïnformeerd zullen worden.

4.8

Het belang van de andere schuldeisers is, evenals het belang van Rabobank, gelegen in de betere vooruitzichten bij de aanvaarding van de aangeboden schuldregelingen dan bij verwerping daarvan en het belang van [verzoeker] en [verzoekster] is gelegen in het feit dat zij buiten het wettelijk traject hun schulden kunnen regelen, hetgeen in overeenstemming is met wat de wetgever met de gedwongen schuldregeling heeft beoogd.

4.9

Dit alles maakt dat de rechtbank van oordeel is dat Rabobank – niettegenstaande haar aanzienlijke, maar overigens ook oude (want uit 2003 daterende) vordering en haar niet geringe aandeel in de totale schuldenlasten – in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregelingen heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van [verzoeker] en [verzoekster] en van de andere schuldeisers die door die weigering worden geschaad.

4.10

De primair verzochte dwangregelingen zullen dus worden toegewezen.

4.11 [

Verzoeker] en [verzoekster] hebben ook verzoeken tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ingediend. Zij zullen daarin niet-ontvankelijk worden verklaard, nu zij geen belang meer hebben bij die verzoeken.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1

beveelt Rabobank in te stemmen met de onder 2.3 bedoelde schuldregelingen;

5.2

verklaart [verzoeker] en [verzoekster] niet-ontvankelijk in hun verzoeken tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Gewezen door mr. D. Nobel, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 maart 2018 in tegenwoordigheid van R. Becker, griffier.

Tegen deze uitspraak kunnen de schuldeisers die het verzoek betrof gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak in hoger beroep komen, in te stellen door een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof te Den Haag.