Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:3274

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-03-2018
Datum publicatie
14-01-2022
Zaaknummer
2951022 / CV EXPL 14-2160
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

(Effecten)leaseovereenkomst Dexia.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Leiden

FV

Rolnr.: 2951022 / CV EXPL 14-2160

Datum: 7 maart 2018

Vonnis in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser] ,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

gemachtigde: mr. T.R. van Ginkel (USG Legal Professionals),

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaceproces).

Partijen zullen hierna “ [eiser] ” en “ [gedaagde] ” worden genoemd.

Procedure

De procedure is als volgt verlopen:

-

de dagvaarding van 19 maart 2014 met producties,

-

de conclusie van antwoord met producties,

-

de conclusie van repliek met producties,

-

de conclusie van dupliek met producties,

-

de akte uitlating producties van [eiser] met producties,

-

de rolbeslissing van 8 juli 2015,

-

de akte uitlating producties van [gedaagde] .

Op 17 augustus 2015 heeft een pleidooizitting plaatsgevonden, bij welke gelegenheid de gemachtigden van partijen aan de hand van de door hen overgelegde pleitnota’s onder andere de onderhavige zaak nader hebben toegelicht. Van het verhandelde op deze zitting is door de griffier proces-verbaal opgemaakt.

Vervolgens is de procedure als volgt voortgezet:

-

de rolbeslissing van 3 mei 2017,

-

de door [eiser] genomen akte uitlaten en de gelijktijdig door [gedaagde] genomen akte uitlating arresten Hoge Raad, beide met producties.

Feiten
Op grond van de onweersproken inhoud van de stukken gaat de kantonrechter van het volgende uit:

a

[eiser] , de vennootschap die aanvankelijk partij was, is na een fusie met haar aandeelhoudster als rechtspersoon opgehouden te bestaan. [eiser] is haar rechtsopvolgster onder algemene titel. [eiser] is tevens de rechtsopvolgster onder algemene titel van [naam rechtsopvolgster] , alsmede van [naam rechtsopvolgster] (hierna: [naam rechtsopvolgster] of [naam rechtsopvolgster] ). Waar hierna sprake is van [eiser] worden haar rechtsvoorgangsters daaronder mede begrepen.

b

[gedaagde] heeft de navolgende aandelenleaseovereenkomst met [eiser] gesloten (hierna: de leaseovereenkomst ):

Contractnr.

Datum

Naam overeenkomst

Looptijd

Leasesom

[contractnummer]

6-6-2000

AEX Plus Effect Maandbetaling

240 mnd

€ 21.781,44

c

In de leaseovereenkomst is in artikel 3 het navolgende bepaald:

“3. Lessee kan deze lease-overeenkomst na 60 maanden dagelijks met onmiddellijke ingang en zonder annuleringskosten beëindigen, onder betaling of verrekening van de restant-hoofdsom. Bij beëindiging binnen deze 60 maanden is lessee naast betaling of verrekening van de restant-hoofdsom tevens de nog niet verstreken maandtermijnen t/m de 60e maand verschuldigd, waarbij over deze maandtermijnen een korting wordt verleend van 50%.”

Artikel 5 van de Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease (hierna: de algemene voorwaarden), die op de leaseovereenkomst van toepassing zijn verklaard, luidt als volgt:

“5. Indien (a) lessee na schriftelijke ingebrekestelling nalatig blijft met het betalen van één of meer maandtermijnen of het nakomen van enige andere verplichting uit hoofde van de overeenkomst of enige andere soortgelijke lease-overeenkomst als de onderhavige overeenkomst, of (b) lessee surséance van betaling aanvraagt of failliet wordt verklaard, is de Bank gerechtigd de overeenkomst en alle andere soortgelijke lease-overeenkomsten terstond te beëindigen en het onbetaalde restant van de totaal overeengekomen lease-som(-men) uit hoofde van alle lopen lease-overeenkomsten soortgelijk als de onderhavige overeenkomst in zijn geheel op te eisen en de waarden te verkopen op een door de Bank te bepalen moment. De Bank zal de opbrengst van die verkoop in mindering brengen op datgene wat lessee haar verschuldigd is. Een eventueel batig saldo zal alsdan door de Bank aan lessee worden uitbetaald.”

d

[eiser] heeft met betrekking tot de leaseovereenkomst een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:

Contractnr.

Datum eindafrekening

Resultaat

[contractnummer]

4 augustus 2004

- € 3.593,04

e

Volgens opgave van [eiser] heeft [gedaagde] op grond van de leaseovereenkomst in totaal

€ 4.538,00 aan leasetermijnen en € 3.593,04 aan restschuld aan [eiser] betaald. Ter nadere afrekening heeft [gedaagde] op of omstreeks 18 januari 2012 € 3.312,00 van [eiser] ontvangen.

f

Bij brief van 25 januari 2012 van de gemachtigde van [gedaagde] is aan [eiser] meegedeeld dat [gedaagde] zijn rechten ten aanzien van alle vorderingen op [eiser] voorbehoudt.

g

Bij brief van 28 januari 2014 heeft [eiser] aan [gedaagde] meegedeeld dat zij een einde wilde maken aan de onzekere situatie tussen haar en [gedaagde] . [eiser] heeft [gedaagde] verzocht mee te delen of [eiser] aan al haar verplichtingen jegens hem heeft voldaan en - zo niet - mee te delen en te onderbouwen welk bedrag [eiser] nog verschuldigd is.

h

Op deze brief is, binnen de daarin gestelde termijn, geen antwoord gevolgd.

Vordering

[eiser] vordert dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de proceskosten, voor recht wordt verklaard dat zij ten aanzien van de met [gedaagde] gesloten leaseovereenkomst met nummer [contractnummer] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [gedaagde] is verschuldigd. Ten slotte vordert [eiser] [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de proceskosten.

Hetgeen [eiser] ter toelichting van deze vordering heeft gesteld komt op het volgende neer.
ziet zich geconfronteerd met de situatie dat [gedaagde] een vordering op haar pretendeert, dat [gedaagde] de verjaring van die vordering heeft gestuit, maar dat [gedaagde] niet inhoudelijk motiveert waarom hij meent een vordering op [eiser] te hebben. [eiser] meent daarom er recht en belang bij te hebben dat in rechte wordt vastgesteld dat [gedaagde] geen vordering meer op haar heeft in verband met de tussen hen gesloten leaseovereenkomsten.

Verweer

Het verweer, waarmee [gedaagde] de vordering heeft bestreden, zal - voor zover daaraan wordt toegekomen - hierna aan de orde komen.

Beoordeling
Belang bij de vordering en misbruik van procesbevoegdheid?

[gedaagde] stelt voorop dat [eiser] geen belang heeft bij de onderhavige vordering (artikel 3:303 BW) en dat zij door het instellen daarvan misbruik maakt van haar bevoegdheid daartoe (artikel 3:13 BW). Bij de beoordeling daarvan zijn de volgende omstandigheden van belang.

[eiser] heeft onbetwist gesteld dat haar commerciële bedrijfsvoering reeds lange tijd geleden is gestaakt, dat zij thans slechts bestaat om de geschillen rond de effectenleaseproducten af te wikkelen en dat aan het in stand houden van de daarvoor noodzakelijke organisatie hoge kosten verbonden zijn. Daarmee is gegeven dat [eiser] een redelijk en in rechte te respecteren belang heeft om duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of afnemers - waaronder [gedaagde] - aanspraken jegens haar hebben en zo ja, tot welke omvang en op welke grond, ten einde in staat te zijn deze af te wikkelen. Gelet op de gemotiveerde onderbouwing door [eiser] van haar stelling dat zij aan haar verplichtingen jegens [gedaagde] heeft voldaan vormt het vorderen van een verklaring voor recht een geëigend middel om die duidelijkheid te verkrijgen. [gedaagde] heeft dan immers de mogelijkheid om in conventie en/of in reconventie het tegendeel te onderbouwen.

Het voorgaande neemt niet weg dat, gelet op het verweer van [gedaagde] , moet worden onderzocht of [eiser] misbruik maakt van haar bevoegdheid tot het instellen van een vordering als de onderhavige. Hoewel hiervoor reeds is overwogen dat [eiser] voldoende belang heeft bij het verkrijgen van duidelijkheid in de rechtsverhouding tussen haar en (ook) [gedaagde] , kan er toch sprake zijn van misbruik van bevoegdheid, namelijk indien de belangen van [gedaagde] door het op dit moment instellen van de vordering onevenredig worden geschaad of indien dit in strijd is met het belang van een goede procesorde en/of een goede rechtspleging. Daarbij is van belang of [gedaagde] voldoende de gelegenheid heeft gehad om de feiten en omstandigheden te onderzoeken die bepalend zijn voor zijn aanspraken en of inmiddels voldoende duidelijkheid bestaat over de in rechte toe te passen beoordelingsmaatstaven.

De onderhavige procedure heeft betrekking op een effectenleaseovereenkomst. De rechtsverhouding tussen partijen maakt deel uit van een groot aantal financiële massaschadezaken. Elke afzonderlijke procedure in een dergelijke zaak dient te worden behandeld en beslist op grond van de feiten en omstandigheden van de individuele zaak. Tegelijkertijd moet rekening worden gehouden met de beoordelingsmaatstaven zoals die zijn en worden ontwikkeld bij de afdoening van soortgelijke zaken. Omdat de behandeling van deze zaken in en buiten rechte zich concentreert bij een klein aantal partijen en organisaties, bestaat de mogelijkheid van enige coördinatie bij de afdoening van deze zaken. Deze omstandigheden brengen mee dat bij de beoordeling of enige partij recht en belang heeft bij het instellen van een procedure in een individuele zaak, tevens van belang is wat de stand van zaken bij de ontwikkeling van beoordelingsmaatstaven voor de betreffende massaschadezaken als geheel is en voorts wat de betrokken partijen (met name [eiser] ) en de gemachtigden (met name Leaseproces) in dat verband hebben gedaan en nagelaten.

In zijn arresten van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837) en 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH2815) heeft de Hoge Raad uitsluitsel gegeven over de regels en beoordelingsmaatstaven die van toepassing zijn op effectenleasezaken zoals de onderhavige. In de arresten van het hof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL:GHAMS:2009: BK4978, ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4981, ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4982 en ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4983) is daaraan feitelijk invulling gegeven door de ontwikkeling van de zogenoemde Hof-formule. In zijn arrest van 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het hof Amsterdam daarmee een juiste toepassing heeft gegeven aan de eerder bedoelde maatstaven. Daarmee stond in hoofdlijnen vast en was aan partijen bekend welke beoordelingsmaatstaven in effectenleasezaken moeten worden toegepast.

De stellingen van (de gemachtigde van) [gedaagde] komen er op neer dat [gedaagde] thans niet in een procedure behoort te worden betrokken waarin wordt vastgesteld of er nog sprake is van aanspraken van [gedaagde] jegens [eiser] en zo ja welke. Ter onderbouwing daarvan wordt aangevoerd dat [gedaagde] de mogelijkheid behoort te hebben om arresten van hoven en van de Hoge Raad af te wachten waarin op bepaalde beslispunten duidelijkheid zal worden verkregen. Daarnaast wordt aangevoerd dat een behandeling van (en beslissing op) de vordering van [eiser] tot gevolg kan hebben dat [gedaagde] aanspraken op [eiser] verliest waarvan het bestaan in de toekomst kan blijken.

Naar aanleiding hiervan wordt overwogen als volgt. Het gaat om de beoordeling van de aanspraak van [gedaagde] op [eiser] ten gevolge van onrechtmatig handelen van [eiser] (het onvoldoende zorgvuldigheid betrachten bij het aangaan van de leaseovereenkomst), dat méér dan 17 jaar geleden heeft plaatsgevonden. Ook de afhandeling van de overeenkomst(en) heeft al vele jaren geleden plaats gevonden. De bij de beoordeling toe te passen criteria staan (in hoofdlijnen) al ongeveer acht jaar vast. Dat er aanleiding bestaat om te veronderstellen dat in de naaste toekomst zal blijken dat [gedaagde] een vordering op [eiser] heeft, die niet in de onderhavige procedure zou kunnen worden beoordeeld, heeft [gedaagde] in het geheel niet met concrete feiten of omstandigheden onderbouwd. Reeds op grond van het tijdsverloop moet [gedaagde] worden geacht reeds vóór aanvang van de onderhavige procedure ruim voldoende de gelegenheid te hebben gehad om de feitelijke en juridische grondslagen van zijn (eventuele) vordering op [eiser] te onderzoeken.

Voorts is niet gebleken dat er door [gedaagde] beslispunten zijn opgeworpen waarover niet reeds in de hiervoor genoemde jurisprudentie van de Hoge Raad en het hof Amsterdam - dan wel in de daarna uitgesproken arresten - is beslist, of waarover in de onderhavige procedure niet zou kunnen worden beslist. In elke stand van de jurisprudentie geldt dat van de daarin ontwikkelde maatstaven kan worden afgeweken indien zich bijzondere omstandigheden voordoen die een dergelijke afwijking rechtvaardigen. [gedaagde] is in staat geweest dergelijke omstandigheden in de onderhavige procedure naar voren te brengen, indien in zijn geval daartoe aanleiding bestaat. Voorts is niet zonder betekenis dat een aantal door [gedaagde] in de onderhavige procedure opgeworpen stellingen recent zijn verworpen door het hof, zonder dat de gemachtigde van [gedaagde] tegen de betreffende arresten cassatie heeft doen instellen. Nu die gemachtigde naar eigen zeggen optreedt voor vele duizenden afnemers, en het stellingen betreft die velen van hen (zo niet allen) zullen aangaan, overtuigt het argument betreffende de kosten van cassatie niet. Deze zullen per afnemer relatief gering zijn. Zouden de beoordelingsmaatstaven onvoldoende zijn uitgekristalliseerd, dan zou het in de rede hebben gelegen dat in het belang van de afnemers wel cassatie zou zijn ingesteld tegen het (de) betreffende arrest(en). Dat [gedaagde] zich niet kan vinden in de thans in de jurisprudentie ontwikkelde beoordelingsmaatstaven maakt niet dat deze niet zouden kunnen worden toegepast.

Het enkele feit dat er een mogelijkheid bestaat dat de jurisprudentie zich op enig moment in de toekomst in een voor [gedaagde] gunstiger zin zal kunnen ontwikkelen, betekent niet dat thans niet zou kunnen of mogen worden beslist over de aanspraken van [gedaagde] . Een dergelijke mogelijkheid is immers altijd aanwezig, ook op andere rechtsterreinen en in andere soorten zaken.

Uit het voorgaande volgt voorts dat de vordering van [eiser] beoogt om vast te stellen of [gedaagde] nog een vordering op [eiser] heeft. Voor zover [gedaagde] van mening is dat hij nog een vorderingsrecht jegens [eiser] heeft dan is hij voldoende in de gelegenheid geweest om een daartoe strekkend verweer in conventie te voeren en/of een daarop gerichte reconventionele vordering in te stellen. [gedaagde] wordt door het instellen van de onderhavige vordering niet beknot dan wel benadeeld in zijn rechtspositie. Van schending van zijn aanspraken op grond van artikel 1 Eerste Protocol EVRM - wat daar verder ook van zij - kan dan ook geen sprake zijn.

Er bestaat geen aanleiding (meer) voor een aanhouding of “standstill”. Nu er geen onduidelijkheid bestaat over de juridische toetsings- en beoordelingskaders kunnen de geschillen omtrent de in geding zijnde leaseovereenkomst worden behandeld en beslist.

Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat [eiser] voldoende redelijk belang heeft bij haar vordering en dat de belangen van [gedaagde] niet onevenredig worden geschaad door het feit dat deze thans aanhangig wordt gemaakt. Dit is evenmin in strijd met de belangen van een goede procesorde en een behoorlijke rechtspleging. Door het aanhangig maken van de onderhavige vordering maakt [eiser] geen misbruik van haar recht en bevoegdheid daartoe. Op vordering van [eiser] zal daarom in het hierna volgende worden beslist.

Advisering door [naam consultantbureau]

Partijen zijn het er over eens dat de leaseovereenkomst tot stand is gekomen door tussenkomst van [naam consultantbureau] .

Volgens [gedaagde] heeft een medewerker van [naam consultantbureau] hem eerst telefonisch benaderd en vervolgens thuis bezocht. [gedaagde] stelt aan de medewerker van [naam consultantbureau] te hebben meegedeeld dat hij wilde sparen om zijn pensioen aan te vullen en daarop adviseerde de medewerker van [naam consultantbureau] het AEX Plus Effect product. De medewerker hield hem voor dat het een spaarovereenkomst betrof die uitermate geschikt was voor het opbouwen van een aanvulling op zijn pensioen en waaraan geen risico’s waren verbonden maar wel een kans op een beter rendement dan gewoon sparen. Na vijf jaar zou [gedaagde] het bedrag uit hoofde van de onderhavige overeenkomst moeten laten uitkeren om dan de winst te investeren in nieuwe contracten. Zo zou [gedaagde] uiteindelijk een groot kapitaal kunnen opbouwen. De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] hiermee beoogt te stellen dat [naam consultantbureau] namens [eiser] als financieel adviseur is opgetreden en hem ondeugdelijk heeft geadviseerd.

[gedaagde] voert aan dat [eiser] op grond van de artikelen 6:76 BW, 6:171 BW en/of 6:172 BW aansprakelijk is voor het handelen van de medewerker van [naam consultantbureau] . Dit betekent dat in het onderhavige geval niet kan worden uitgegaan van een verdeling van de schade, zoals in de effectenleaserechtspraak is beslist.

Voorts heeft [gedaagde] bij zijn laatste akte aangevoerd dat ingevolge de arresten van de Hoge Raad van 2 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2012 en 2015) in afwijking van de Hof-formule in de onderhavige situatie de vergoedingsplicht van [eiser] geheel in stand dient te blijven.

[eiser] heeft deze stellingen van [gedaagde] weersproken, onder meer onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 6 september 2013 (ECLI:NL:HR: 2013:CA1725).

Ten aanzien van dit arrest overweegt de kantonrechter als volgt. In dit arrest is een onderscheid gemaakt tussen een standaard effectenleaserelatie, waarbij een kant-en-klaar effectenleaseproduct wordt aangeboden door de aanbieder (zoals aan de orde in de standaard effectenleasejurisprudentie van de Hoge Raad en het hofmodel) en advisering waarbij een opdrachtgever een financieel dienstverlener heeft benaderd voor een op zijn specifieke situatie toegesneden advies. De kantonrechter is van oordeel dat uit dit arrest volgt dat in de laatstgenoemde situatie op de financieel dienstverlener een bijzondere en zwaarder wegende zorgplicht rust die tot een andere verdeling van de schade kan leiden. Daarmee ligt in deze zaak de vraag voor of hier door een financieel dienstverlener aan [gedaagde] een op zijn specifieke situatie toegesneden advies is verstrekt. Uit de door [gedaagde] aangevoerde omstandigheden en uit de bij akte overgelegde producties (A t/m Q) is dit naar het oordeel van de kantonrechter niet gebleken. De omstandigheden dat - zoals door [gedaagde] onder meer aangevoerd - [eiser] op enig moment op haar website heeft aangegeven dat haar producten worden aangeboden door gespecialiseerde financiële adviseurs, dat [eiser] instructies heeft gegeven aan tussenpersonen, dat [eiser] in haar jaarverslag 1997 spreekt over persoonlijk advies en dat de heer [naam] in verklaringen spreekt over het geven van beleggingsadviezen door Spaar Select, bieden hieromtrent geen althans onvoldoende uitsluitsel. Op grond van genoemde omstandigheden moet het er wel voor worden gehouden dat [eiser] ermee bekend was dat financiële advisering tot de zakelijke activiteiten van tussenpersonen, waaronder Spaar Select, behoorde en dat er ook sprake is geweest van advisering aan afnemers van leaseovereenkomsten door haar tussenpersonen. Dit betekent echter niet dat hier tot uitgangspunt kan worden genomen dat ook [naam consultantbureau] aan alle door haar bediende afnemers van leaseovereenkomsten een op hun specifieke situatie verstrekt advies heeft gegeven en dat [eiser] dit wist of behoorde te weten. Vast staat dat de medewerker van [naam consultantbureau] het product AEX Plus Effect aan [gedaagde] heeft aanbevolen, maar dat is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende om deze aanbeveling te kwalificeren als een op de specifieke situatie van [gedaagde] toegesneden advies. Zo heeft [gedaagde] niet gesteld dat ook aan hem een persoonlijk rekenvoorbeeld is toegestuurd en dat hij naar aanleiding daarvan is teruggebeld ter bespreking van het toezonden materiaal. De omstandigheid dat [gedaagde] mogelijk in algemene zin is geadviseerd en dat het product hem is aangeprezen geeft onvoldoende aanleiding voor een andere verdeling van de vergoedingsplicht wegens eigen schuld dan die uit de standaard jurisprudentie van de Hoge Raad en het hofmodel voortvloeit. Deze conclusie betekent dat niet meer wordt toegekomen aan hetgeen overigens bij dit onderdeel van het verweer door [gedaagde] is aangevoerd.

Artikel 41 Nadere Regeling Toezicht Effectenverkeer 1999 (NR 99)

[gedaagde] heeft voorts aangevoerd dat [eiser] in strijd heeft gehandeld met artikel 41 van de Nadere Regeling Toezicht Effectenverkeer 1999 (NR 99) aangezien zij cliënten accepteerde van [naam consultantbureau] terwijl deze in verband daarmee vergunningsplichtige werkzaamheden verrichte ondanks dat [naam consultantbureau] niet over een vergunning beschikte. [eiser] wist of behoorde dat volgens [gedaagde] te weten. [eiser] heeft hierdoor onrechtmatig gehandeld en is aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade, aldus [gedaagde] .

De kantonrechter oordeelt als volgt.

Ten aanzien van de twee arresten van de Hoge Raad van 2 september 2016 overweegt de kantonrechter allereerst het navolgende. In deze arresten is kort gezegd geoordeeld dat een cliëntenremisier – zijnde een bijzondere soort effectenbemiddelaar – vergunningplichtig is wanneer hij tevens adviesdiensten verricht bij de totstandkoming van een effectenleaseovereenkomst. Wanneer [eiser] van een zodanige cliëntenremisier zonder vergunning een cliënt heeft geaccepteerd terwijl zij van het gegeven advies op de hoogte was of had moeten zijn, dan heeft [eiser] gehandeld in strijd met artikel 41 NR 99 en is [eiser] volledig schadeplichtig, aldus de Hoge Raad. Aangezien reeds hiervoor is geoordeeld dat geen adviesdiensten zijn verricht door [naam consultantbureau] bij de totstandkoming van de leaseovereenkomst, is derhalve in zoverre geen sprake van handelen in strijd met artikel 41 NR 99.

Tussen partijen is niet in geschil dat [naam consultantbureau] door [eiser] was aangesteld om als cliëntenremisier bemiddelingswerkzaamheden te verrichten teneinde bij [eiser] cliënten aan te brengen en kan derhalve worden aangemerkt als effectenbemiddelaar. Op grond van artikel 7 lid 1 Wte was het verboden zonder vergunning als effectenbemiddelaar in Nederland diensten aan te bieden of te verrichten. [naam consultantbureau] beschikte niet over een dergelijke vergunning. Op grond van artikel 10 lid 1 Wte en artikel 12 lid 1 aanhef en sub b, van de Vrijstellingsregeling Wte werden (rechts-)personen, voor zover zij cliënten aanbrachten bij een effecteninstelling die ingevolge artikel 7 lid 2 aanhef en onder h Wte als effectbemiddelaar diensten mag aanbieden of verrichten, vrijgesteld van de vergunningplicht. [eiser] mocht ingevolge laatstgenoemd artikel als effectenbemiddelaar diensten aanbieden of verrichten, zodat [naam consultantbureau] op deze grond was vrijgesteld van de vergunningsplicht voor het aanbieden of verrichten van diensten.

Voorts waren cliëntenremisiers zoals [naam consultantbureau] op grond van artikel 12 lid 1 sub c van de Vrijstellingsregeling Wte vrijgesteld van de vergunningplicht van artikel 7 lid 1 Wte om cliënten aan te brengen bij een effecteninstelling als [eiser] . Ingevolge artikel 21 lid 1 Wte moesten effectenbemiddelaars die van de vergunningplicht waren vrijgesteld wel worden ingeschreven in het in dit artikel genoemde register. Niet gesteld noch gebleken is dat [naam consultantbureau] destijds niet was ingeschreven in dit register. Derhalve mocht [eiser] op de voet van artikel 41 aanhef en onder d NR 99 de door [naam consultantbureau] aangebrachte cliënten in beginsel accepteren. Van handelen in strijd met artikel 41 NR 99 is in zoverre derhalve aldus geen sprake.

[eiser] mocht op grond van artikel 41 aanhef en onder d NR 99 echter geen orders van [naam consultantbureau] accepteren aangezien voor het doorgeven van orders een vergunning was vereist als bedoeld in artikel 7 Wte. Dat is ook bepaald in de geïmplementeerde Richtlijn Beleggingsdiensten (Richtlijn 93/22/EEG). [gedaagde] heeft haar stelling dat [naam consultantbureau] een effectenorder heeft doorgegeven echter onvoldoende onderbouwd. Derhalve is ook in die zin geen sprake van handelen in strijd met artikel 41 NR 99. Bovendien zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd die met zich brengen dat het eventuele optreden van [naam consultantbureau] als orderremisier tot een andere schadeverdeling zou moeten leiden dan die op grond van de Hof-formule.

Gelet op de voorgaande overwegingen inzake de door [gedaagde] aangevoerde advisering en het beroep op artikel 41 NR 99 wordt niet meer toegekomen aan hetgeen overigens bij deze onderdelen van het verweer door [gedaagde] is aangevoerd. Tot het bij deze onderdelen van het verweer gedane bewijsaanbod zal [gedaagde] niet worden toegelaten nu de gestelde feiten niet tot een andere beslissing in deze zaak kunnen leiden.

Certificaatproduct

De tussen partijen gesloten leaseovereenkomst heeft geen betrekking op aandelen maar op certificaten van aandelen. [gedaagde] stelt dat [eiser] niets aankocht; geen aandelen of andere effecten. [eiser] zou het geleende geld niet hebben besteed aan een aankoop van certificaten, hetgeen volgens [gedaagde] betekent dat [eiser] de overeenkomst feitelijk niet heeft uitgevoerd. Dienaangaande wordt overwogen dat certificaatproducten geen betrekking hebben op aandelen, maar betrekking hebben op een vorderingsrecht, waarvan de omvang wordt bepaald en afhankelijk is van de koersontwikkelingen van (al dan niet op de beurs) genoteerde aandelen (AEX-index). De leaseovereenkomst vermeldt dat de Lessee least van de Bank, gelijk deze aan lessee verleast, de na te noemen aandelen/effecten, verder ook te noemen de waarden. Daarnaast vermeldt de leaseovereenkomst dat de Bank door middel van deze akte de waarden levert aan de lessee onder de opschortende voorwaarde dat (kort gezegd) lessee aan haar verplichtingen voldoet. Volgens de omschrijving “effecten” gaat het om het Labouchere AEX Plus Certificaat van uitgevende instelling Labouchere N.V. De lease betreft aldus geen aandelen, maar een certificaatproduct. Door de vordering op naam aan te kopen heeft [eiser] haar verplichtingen uit de leaseovereenkomst vervuld. [eiser] heeft bij deze producten aldus niet de contractuele verplichting op zich genomen om ten behoeve van haar afnemers aandelen te verwerven en te behouden. Dat leidt tot de conclusie dat de voormelde stelling van [gedaagde] niet relevant en zonder belang is. Immers, [eiser] had uit hoofde van het certificaatproduct slechts de verplichting het bedrag van de hoofdsom vermeerderd met de stijging van de overeengekomen index (het certificaat) uit te keren. Dit betekent dat ook de standpunten, die [gedaagde] overigens in deze heeft ingenomen, geen stand houden.

Resterende termijnen

De door [eiser] opgestelde eindafrekening ziet er - voor zover hier van belang - als volgt uit.

Opbrengst verkoop

€ 4.584,50

Totaal aan inhaalincasso’s (tegoed)

Bij

€ 90,76

Subtotaal bij:

€ 4.675,26

11 Resterende termijnen à € 90,76

Af € 998,36

50,00% korting over resterende termijnen

Af

€ 499,18

Restant hoofdsom

Af

€ 7.769,12

Subtotaal af:

€ 8.268,30

Totaal door u nog te voldoen

€ 3.593,04

Het geschil van partijen ziet op het bedrag van € 499,18 aan resterende termijnen dat [eiser] in deze eindafrekening heeft verrekend. [eiser] acht zich daartoe gerechtigd op grond van artikel 3 van de leaseovereenkomst, zoals geciteerd onder feiten sub c. [gedaagde] stelt zich echter op het standpunt dat het beroep van [eiser] op dit beding, niet zijnde een kernbeding, dient te worden afgewezen omdat het een oneerlijk beding betreft als bedoeld in de zin van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).

De onderhavige procedure is aangehouden geweest in afwachting van beantwoording van prejudiciële vragen in een zaak waarin de verrekening van resterende termijnen onderwerp van geschil was (hof Amsterdam, 9 augustus 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:3242). Daarin lag ter beoordeling voor of artikel 6 (hier artikel 5, zie feiten sub c) in samenhang met artikel 15 van de algemene voorwaarden een beding betreft dat op grond van de richtlijn als oneerlijk moet worden beschouwd. De Hoge Raad heeft zich hierover uitgesproken bij beslissing van 21 april 2017 (ECLI:NL:HR:2017:773).

[eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat het recht van [gedaagde] om zich te beroepen op de vernietigbaarheid van het beding uit artikel 3 van de leaseovereenkomst is verjaard. De kantonrechter overweegt hieromtrent het volgende. Ook zonder dat [gedaagde] een dergelijk beroep op vernietigbaarheid doet, dient de kantonrechter het betreffende beding ambtshalve te toetsen en eventueel te vernietigen als blijkt dat dit beding oneerlijk is in de zin van de richtlijn (HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691). Dat een voltooiing van de verjaringstermijn daaraan in de weg zou staan, is niet verenigbaar met de strekking van deze richtlijn. Dit volgt eveneens uit het arrest HvJ EU 21 december 2016 (ECLI:EU:C:2016:980, Gutiérrez Naranjo) waaraan [eiser] heeft gerefereerd. Na te hebben overwogen dat de toepassing van een procedureregel, zoals een redelijke verjaringstermijn, dient te worden onderscheiden van een beperking in de tijd van de gevolgen van een uitlegging van een regel van Unierecht, overweegt het hof daarin in rechtsoverweging 70, tweede alinea: “De in het nationale recht geldende voorwaarden, waarnaar artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 verwijst, mogen derhalve geen afbreuk doen aan de essentie van het recht dat consumenten aan deze bepaling - zoals uitgelegd in de in de punten 54 tot en met 61 van dit arrest aangehaalde rechtspraak van het hof - ontlenen om niet gebonden te zijn aan een beding dat geacht wordt oneerlijk te zijn.”

Voorts heeft [eiser] aangevoerd dat artikel 3 van de leaseovereenkomst een kernbeding is, zodat op grond van artikel 4 lid 2 van de richtlijn dit beding buiten de toepassing van de richtlijn blijft. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde] terecht gesteld dat artikel 3 van de leaseovereenkomst geen kernbeding is. De leaseovereenkomst is een overeenkomst tussen een professionele partij en een consument en over artikel 3 van de leaseovereenkomst is niet afzonderlijk tussen partijen onderhandeld. Artikel 3 van de leaseovereenkomst is derhalve een beding als bedoeld in artikel 6:231 onder a BW, zodat ook dit standpunt van [eiser] zal worden gepasseerd (zie ook HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1866).

De Hoge Raad heeft in zijn voormelde prejudiciële beslissing artikel 6 van de algemene voorwaarden getoetst aan de richtlijn en heeft daarin voor zover hier van belang het volgende voorop gesteld:

3.5.1 Richtlijn 93/13 is niet rechtstreeks van toepassing in de Nederlandse rechtsorde. Een richtlijnconforme uitleg van het Nederlandse recht brengt echter mee dat de Nederlandse rechter op grond van art. 6:233 BW gehouden is een beding te vernietigen indien hij vaststelt dat een beding oneerlijk is in de zin van die richtlijn (HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691, NJ 2014/274 ([.../...]), rov. 3.7.1-3.7.3).

3.5.2 Op grond van art. 3 lid 1 Richtlijn 93/13 wordt een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Op grond van art. 4 lid 1 Richtlijn 93/13 worden voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding in een overeenkomst in aanmerking genomen, voor zover te dezen van belang, alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst, op het moment waarop de overeenkomst is gesloten, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft.

(…)

3.5.6 Uit de hiervoor weergegeven overwegingen volgt dat voor de beantwoording van de eerste door het hof gestelde vraag dient te worden nagegaan of art. 6 Bijzondere voorwaarden een ‘aanzienlijke verstoring van het evenwicht’ tussen de uit de overeenkomst van partijen voortvloeiende rechten en verplichtingen veroorzaakt ten nadele van de consument, met name doordat als gevolg van dit beding diens uit de wettelijke bepalingen voortvloeiende rechtspositie in daartoe voldoende ernstige mate wordt aangetast. (…) Deze beoordeling dient plaats te vinden naar het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst, waarbij dient te worden bezien welke gevolgen het beding voor de consument kan hebben.

De kantonrechter neemt deze overwegingen over, aangezien deze overwegingen ook op de onderhavige zaak van toepassing zijn.

De Hoge Raad komt vervolgens in haar beslissing tot het oordeel dat de rechter ten aanzien van artikel 6 van de algemene voorwaarden (hier artikel 5, geciteerd onder feiten sub c) gehouden is om dit beding op grond van artikel 6:233 BW te vernietigen voor zover het betrekking heeft op rentetermijnen die ten tijde van de beëindiging van de leaseovereenkomst nog toekomstig waren. Op die rentetermijnen kan derhalve niet op grond van artikel 6 van de algemene voorwaarden aanspraak worden gemaakt. Aan deze beslissing ligt onder meer ten grondslag hetgeen in de onderstaand weergegeven overwegingen 3.7.5 en 3.7.8 en 3.8.1 is overwogen.

3.7.5 Door de ontbinding ontvangt [eiser] de aflossing van het geleende bedrag op een eerder tijdstip dan overeengekomen. Bij een effectenovereenkomst met een financiële instelling moet tot uitgangspunt worden genomen dat een eerdere aflossing die instelling in staat stelt om het hiermee gemoeide bedrag opnieuw uit te lenen. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat de eerdere aflossing voor haar het voordeel heeft dat dit bedrag onmiddellijk opnieuw rentedragend is, tegen het percentage dat zij op dat moment kan bedingen. Met dit voordeel dient overeenkomstig het hiervoor overwogene rekening te worden gehouden bij de vaststelling van de schade als bedoeld in art. 6:277 BW.

3.7.8 Met het hiervoor in 3.7.5 genoemde voordeel wordt geen rekening gehouden bij de berekening van het bedrag waarop [eiser] aanspraak kan maken bij beëindiging op grond van art. 6 Bijzondere voorwaarden, zij het dat bij de uitleg die het hof aan art. 15 Bijzondere voorwaarden heeft gegeven, hierin wel op andere wijze wordt voorzien, doordat bij die uitleg de in art. 7A:1576e lid 2 (oud) BW genoemde vaste aftrek van 5% per jaar dient plaats te vinden op de vervroegde betaling van het restant van de leasesom. Laatstgenoemde aftrek is evenwel volgens art. 15 Bijzondere voorwaarden bij voorbaat gelimiteerd tot dat percentage, zodat in het geval [eiser] een groter voordeel geniet door de vervroegde aflossing, het verschil in zoverre niet in mindering komt op de haar toekomende vergoeding.

3.8.1 In verband met het hiervoor in 3.7.8 overwogene levert het beding van art. 6 Bijzondere voorwaarden een aanzienlijke verstoring op van het evenwicht tussen de uit de overeenkomst van partijen voortvloeiende rechten en verplichtingen ten nadele van de consument als hiervoor bedoeld in 3.5.6. Het hiervoor in 3.7.5 genoemde voordeel kan immers, afhankelijk van de hoogte van de rente en het tijdstip waarop de beëindiging dan wel de ontbinding plaatsvindt, zeer aanzienlijk zijn. Met dat voordeel wordt bij de berekening van hetgeen waarop [eiser] op grond van art. 6 Bijzondere voorwaarden aanspraak kan maken, geen rekening gehouden, terwijl art. 15 Bijzondere voorwaarden hierin slechts beperkt op andere wijze voorziet. In verband hiermee kan worden gesproken van een onevenredig hoge schadevergoeding als hiervoor bedoeld in 3.5.3.

Hieraan doet niet af dat het hiervoor in 3.7.5 genoemde voordeel dan wel het hiervoor aan het slot van 3.7.8 genoemde verschil onder omstandigheden ook zeer gering of zelfs nihil kan zijn, afhankelijk van de rentestand en het tijdstip van de beëindiging of ontbinding van de overeenkomst. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor in 3.5.4-3.5.6 is overwogen, gaat het te dezen immers om de gevolgen die het beding voor de consument kan hebben, en om de aantasting van diens rechtspositie door het beding, beide beoordeeld naar het moment van het aangaan van de overeenkomst.

Zoals [eiser] in haar akte uitlaten heeft aangevoerd wordt in de onderhavige zaak geen beroep gedaan op het beding uit artikel 6 (hier artikel 5) van de algemene voorwaarden doch op het beding uit artikel 3 van leaseovereenkomst. De ontbinding van de leaseovereenkomst door [eiser] wegens wanprestatie van de lessee (ex artikel 5 algemene voorwaarden) is in de onderhavige zaak niet aan de orde. [gedaagde] heeft in de onderhavige zaak gebruik gemaakt van de mogelijkheid, die artikel 3 van de leaseovereenkomst hem biedt, om de leaseovereenkomst met een looptijd van 240 maanden voortijdig te beëindigen. Voor het geval deze beëindiging door de lessee plaatsvindt binnen 60 maanden na aanvang – zoals hier – bepaalt artikel 3 van de leaseovereenkomst dat de lessee alsdan naast betaling of verrekening van de restant-hoofdsom tevens de nog niet verstreken maandtermijnen t/m de 60e maand verschuldigd is, waarbij over deze maandtermijnen een korting wordt verleend van 50%. Onder deze voorwaarden is de lessee op grond van artikel 3 van de leaseovereenkomst gerechtigd de leaseovereenkomst, zijnde een duurovereenkomst, op te zeggen.

Of dit beding uit artikel 3 van de leaseovereenkomst als een oneerlijk beding in de zin van de richtlijn dient te worden aangemerkt, zal de kantonrechter beoordelen aan de hand van het toetsingscriterium dat de Hoge Raad in zijn hiervoor weergegeven overweging 3.5.6 voorop heeft gesteld. Artikel 3 is, anders dan artikel 6 van de algemene bepalingen, niet te brengen onder een van de bedingen (a t/m q) die zijn opgesomd in de indicatieve en niet uitputtende lijst in de bijlage van de richtlijn. Dit sluit echter niet uit dat het beding “in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort" (lid 1 van artikel 3 van de richtlijn). Om dit te beoordelen, zal gelet op overweging 3.5.6, dienen te worden bezien of de uit de wettelijke bepalingen (Nederlandse recht) voortvloeiende rechtspositie van de consument door het beding in voldoende ernstige mate wordt aangetast. Het Nederlandse recht voorziet niet in een specifieke wettelijke bepaling inzake het tussentijds opzeggen van een duurovereenkomst voor bepaalde tijd met al dan niet de verplichting tot schadevergoeding. Artikel 7A:1576e lid 2 BW waar [eiser] naar verwijst is immers enkel van toepassing tijdens de looptijd van het contract en niet bij beëindiging, zo volgt uit overweging 3.7.6. De opzeggingsbevoegdheid van een duurovereenkomst wordt in het Nederlands recht beheerst door de redelijkheid en billijkheid (6:248 BW).

De kantonrechter is na toepassing van voornoemd toetsingscriterium van oordeel dat de gevolgen die het beding uit artikel 3 voor [gedaagde] als consument kan hebben en de aantasting van zijn rechtspositie door dit beding – beoordeeld naar het moment van het sluiten van de leaseovereenkomst – niet onaanvaardbaar zijn. Het beding voorziet er immers in dat de lessee bij tussentijdse opzegging ná 60 maanden enkel de restant-hoofdsom dient te betalen. Tussen partijen is niet in geschil dat dit bedrag voor verrekening in aanmerking komt. In geval van beëindiging vóór het verstrijken van 60 maanden dient lessee ingevolge het beding 50% van de niet verstreken maandtermijnen tot en met de 60e maand te betalen. Deze termijnen bestaan deels uit rente en deels uit aflossing van de restant-hoofdsom. Daarbij dient te worden bedacht dat [eiser] € 13.270,95 aan rente zou hebben getoucheerd indien de overeengekomen looptijd van 240 maanden zou zijn uitgediend. In het onderhavige geval is in de eindafrekening een bedrag van € 499,18 voor de onbetaald gebleven 50ste t/m 60ste termijn in rekening gebracht, waarin begrepen - aldus de toelichting van [eiser] - een bedrag van € 329,71 aan rente. Als een onredelijk beding in de zin van de richtlijn dan wel een onredelijk beding in de zin van artikel 6:233 BW is deze aldus gefixeerde en gematigde vergoeding naar het oordeel van de kantonrechter niet aan te merken, ook niet wanneer de leaseovereenkomst op een ander willekeurig moment zou worden beëindigd. Wanneer dit immers wordt vergeleken met de vergoeding waarop [eiser] naar het oordeel van de Hoge Raad recht heeft ingeval van ontbinding van de leaseovereenkomst wanneer artikel 6 van de algemene voorwaarden niet zou bestaan, kan niet worden gezegd dat de vergoeding zoals genoemd in artikel 3 van de leaseovereenkomst strijdig is met de redelijkheid en billijkheid. Naar het oordeel van de kantonrechter is derhalve door dit beding het evenwicht tussen de uit de leaseovereenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen niet aanzienlijk ten nadele van de consument verstoord. De kantonrechter zal het beding daarom in stand laten en dit verweer passeren.

Wettelijke rente

De navolgende stelling van [gedaagde] is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende door [eiser] weerlegd. Die stelling houdt in dat het hiervoor onder de feiten sub e genoemde bedrag van € 3.312,00 is betaald op 18 januari 2012, terwijl de rente is berekend tot en met 31 december 2011. Het moet er mitsdien voor worden gehouden dat [eiser] ter zake van wettelijke rente tot 18 januari 2012 nog verschuldigd is het door [gedaagde] genoemde bedrag van € 6,88, vermeerderd met de wettelijke rente daarover conform artikel 6:119 lid 2 BW.

Buitengerechtelijke kosten

[gedaagde] heeft aangevoerd dat nog aanspraak bestaat op vergoeding van buitengerechtelijke kosten door [eiser] , hetgeen [eiser] gemotiveerd heeft betwist. [gedaagde] heeft een beschrijving gegeven van de werkzaamheden die haar gemachtigde voorafgaand aan deze procedure heeft verricht. Uit die beschrijving blijkt dat het ten dele gaat om werkzaamheden ter instructie van de zaak, waarvoor in geval van een procedure de in de artikelen 237 tot en met 240 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedoelde (proces)kosten reeds een vergoeding plegen in te sluiten. Dit zijn derhalve geen buitengerechtelijke verrichtingen die voor een afzonderlijke vergoeding in aanmerking komen. De beschrijving ziet voor het overige op gestandaardiseerde buitengerechtelijke verrichtingen van de gemachtigde van [gedaagde] , tevens gemachtigde van een zeer groot aantal andere opponenten van [eiser] . Een opgave en specificatie van aan deze gestandaardiseerde verrichtingen verbonden kosten ontbreekt en evenmin is onderbouwd of en zo ja in hoeverre deze kosten aan [gedaagde] zullen worden toegerekend. Er is derhalve niet komen vast te staan dat [gedaagde] ter zake van buitengerechtelijke kosten nog een vordering op [eiser] geldend zal kunnen maken.

Slotsom

Niet is in geschil dat bij toepassing van de maatstaven en beoordelingskaders (zoals geformuleerd door de Hoge Raad in de voormelde arresten van 2008 en 2009 en nader uitgewerkt in het hofmodel) [gedaagde] aanspraak had op een schadevergoeding van

€ 3.312,00. Dit bedrag heeft [eiser] op of omstreeks 18 januari 2012 aan [gedaagde] uitgekeerd. De door [gedaagde] aangevoerde feiten en omstandigheden en de op basis daarvan gevoerde verweren bieden geen grond om van deze jurisprudentie af te wijken. Volledigheidshalve wordt hierbij nog overwogen dat de kantonrechter bij het voorgaande is uitgegaan van de door [eiser] bij inleidende dagvaarding overgelegde financiële gegevens, welke niet dan wel onvoldoende door [gedaagde] zijn weersproken. Nu [eiser] uitsluitend gegevens heeft overgelegd betreffende de door haar in deze procedure genoemde overeenkomst, zal de verklaring voor recht slechts daarop betrekking kunnen hebben. Dit betekent dat de vordering van [eiser] toewijsbaar is als hierna vermeld. Partijen zullen geen verplichtingen meer jegens elkaar hebben uit de onderhavige rechtsverhouding.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Daarbij zal een gematigde vergoeding worden aangehouden inzake het pleidooi, nu er één en hetzelfde pleidooi is gehouden in een veelheid van zaken.

BESLISSING

De kantonrechter:

- verklaart voor recht dat [eiser] , met uitzondering van haar verplichting om aan [gedaagde] een bedrag te betalen van € 6,88, vermeerderd met de wettelijke rente conform artikel 6:119 lid 2 BW, aan al haar verplichtingen uit hoofde van de leaseovereenkomst met nummer 39282167 heeft voldaan en op grond daarvan verder niets meer aan [gedaagde] verschuldigd is;

- veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eiser] gevallen, tot op heden begroot op:
verschuldigd griffierecht € 115,00
exploot van dagvaarding € 77,52

informatiekosten € 1,63
salaris gemachtigde € 230,00 +
totaal € 424,15, een en ander onverminderd de eventueel over de proceskosten verschuldigde btw;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de proceskostenveroordeling;

-
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. F.P.L.M. Vennix en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 maart 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.