Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:3210

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-03-2018
Datum publicatie
22-03-2018
Zaaknummer
NL17.7809
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing eerste asielaanvraag. Irak. Geloofwaardigheid verklaringen over eerwraak. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.7809

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 maart 2018 in de zaak tussen


[naam] , eiseres, mede namens haar minderjarige kinderen [naam 1], [naam 2] en [naam 3]

(gemachtigde: mr. F.A.G.M. Landerloo),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, daaronder mede begrepen diens rechtsvoorgangers, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Hamzaoui).


Procesverloop
Bij besluit van 23 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en aanvullende beroepsgronden ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2018 in Breda. Op dezelfde zitting is het beroep van haar echtgenoot [naam 4] met zaaknummer NL17.8898 afzonderlijk behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Karem. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en bezit de Iraakse nationaliteit. Na relocatie vanuit Griekenland heeft zij op 15 februari 2017 samen met haar echtgenoot asiel aangevraagd. Daaraan heeft zij ten grondslag gelegd dat zij met haar gezin is gevlucht voor IS van Hamra naar Hawera. Daar is zij gaan werken bij een alleenstaande man met wie zij een affaire is begonnen. Haar broer is daar achter gekomen en heeft de man dood geschoten. Omdat deze broer daarnaast heeft gedreigd ook eiseres uit eerwraak te vermoorden, is eiseres met haar gezin naar Europa gevlucht.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder acht de nationaliteit, identiteit en herkomst van eiseres geloofwaardig. Verweerder acht echter haar verklaringen over de vrees voor eerwraak niet geloofwaardig. Eiseres is afkomstig uit de provincie Ninewa, waar sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw, maar verweerder acht een vestigingsalternatief in de Koerdische Autonome Regio (KAR) aanwezig.

3. Op wat eiseres daartegen aanvoert wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Eiseres voert aan dat verweerder haar verklaringen over haar vrees voor eerwraak ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder dat niet ten onrechte heeft gedaan, gelet op het navolgende.

5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht aan eiseres tegengeworpen dat zij in het nader gehoor verklaringen heeft afgelegd die tegenstrijdig zijn aan haar verklaringen tijdens het relocatiegehoor. Zo heeft eiseres in het relocatiegehoor verklaard dat zij door haar broers is betrapt op het hebben van een affaire en dat deze broers slechts hebben gedreigd met eerwraak, terwijl zij in het nader gehoor heeft verklaard dat een broer en twee of drie van diens vrienden direct na de ontdekking dat eiseres een affaire had zijn overgegaan tot het vermoorden van haar minnaar en dat zij ook op dat moment met de dood is bedreigd maar ternauwernood kon ontsnappen. Deze tegenstrijdigheid kan eiseres niet weerleggen met de stelling in beroep dat tijdens het relocatiegehoor haar asielrelaas niet goed uit de verf is gekomen omdat dit gehoor daar niet voor bedoeld was. Uit het verslag van het relocatiegehoor blijkt namelijk dat juist uitdrukkelijk aan eiseres is gevraagd om haar asielrelaas naar voren te brengen en dat eiseres ook over haar relaas is bevraagd. Daarnaast heeft eiseres tijdens het nader gehoor (pagina 3) verklaard: ”Ik vind het raar dat ik opnieuw geïnterviewd moet worden. Ik dacht dat ik alles achter de rug had.” Hieruit blijkt juist dat eiseres ten tijde van het nader gehoor de mening was toegedaan dat zij tijdens het relocatiegehoor haar asielrelaas al had verteld.

6. Ook heeft verweerder terecht aan eiseres tegengeworpen dat zij tegenstrijdig heeft verklaard over de mate waarin zij haar echtgenoot op de hoogte heeft gesteld van haar affaire. In het relocatiegehoor heeft zij verklaard dat zij dit aan hem heeft verteld, terwijl zij in het nader gehoor heeft verklaard dat haar man daar geen weet van heeft. In beroep heeft eiseres deze tegenstrijdigheid niet weggenomen door ter zitting nog een derde versie van de feiten te geven, te weten dat zij slechts aan haar echtgenoot heeft verteld dat zij soms flirtte met haar werkgever in ruil voor geld maar niet dat zij ook seks met hem had.

7. Daarnaast heeft verweerder terecht aan eiseres tegengeworpen dat het vreemd is dat zij in Irak als getrouwde vrouw bij een alleenstaande man zou zijn gaan werken, temeer daar eiseres zelf heeft verklaard dat haar gelovige familie dichtbij woonde en dat haar gezin omringd was door diverse mensen die haar en haar echtgenoot kenden. Met de stelling in beroep dat er geen directe controle zou zijn geweest van haar familie, kan eiseres dit niet weerleggen. Dit laat namelijk onverlet dat de familie en de kennissen ervan op de hoogte konden raken dat eiseres dit deed en dat het zeer onwaarschijnlijk is dat eiseres dit risico zou nemen. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres herhaaldelijk heeft verklaard dat zij ging werken omdat haar man in Hawera geen werk kon vinden, terwijl het de rechtbank ambtshalve bekend is dat de echtgenoot van eiseres in zijn zaak ter zitting heeft verklaard dat hij wekelijks meerdere dagen in de week in de bouw werkte en dat eiseres op de andere dagen in de week bij de man, die volgens de echtgenoot getrouwd was en kinderen had, ging werken.

8. Ook heeft verweerder terecht aan eiseres tegengeworpen dat zij vreemde verklaringen heeft afgelegd over de ontdekking van haar affaire. Verweerder heeft terecht opgemerkt dat het vreemd is dat eiseres in het geheel niets weet over hoe haar broer ervan op de hoogte is geraakt dat zij buitenshuis werkte. Nu de ontdekking de basis vormt van het asielrelaas van eiseres, mag van haar worden verwacht daarover meer te kunnen verklaren. Het is verder vreemd dat eiseres de liefde met haar minnaar zou hebben bedreven in de gang van diens woning zonder eerst de voordeur op slot te doen. Ook is de stelling in beroep dat eiseres kon vluchten omdat er sprake was van hectiek en haar broer in beslag genomen was door de moord op de minnaar niet te volgen, met name omdat eiseres aanvankelijk in het nader gehoor alsook ter zitting heeft verklaard dat haar broer zich tot haar heeft gewend met een doodsbedreiging.

9. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen gronden heeft gericht tegen het standpunt van verweerder dat zij een vestigingsalternatief heeft in de KAR.

10. Gezien het voorgaande heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat haar aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Verweerder heeft de asielaanvraag daarom terecht op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw afgewezen. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Toekoen, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2018.

griffier

De rechter is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen.

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.