Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:3200

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-03-2018
Datum publicatie
20-04-2018
Zaaknummer
SGR 17/3399 en SGR 17/5248
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aannemelijk is dat er een rechtstreeks causaal verband bestaat tussen de bouw van het gemaal en de in juli 2011 opgetreden scheuren in de muren van de woningen van eisers. De bestreden besluiten ontberen ten aanzien van dit onderdeel van de causaliteitsvragen dan ook een deugdelijke motivering. Dit betekent dat de rechtsgevolgen van die besluiten - te weten de afwijzing van het verzoek om nadeelcompensatie - in zoverre niet in stand kunnen worden gelaten.

Scheurvorming en het zettingsproces zijn voortgegaan nadat de werkzaamheden aan het gemaal waren afgerond. Daardoor is er meer schade ontstaan, die eisers wijten aan de verlaging van de grondwaterstand waardoor de funderingen van hun woningen zijn verrot. De verlaging van het grondwaterpeil ter plaatse van de woningen van eisers en de daaruit volgens eisers voortgevloeide schade (in de vorm van verrotte funderingen en ongelijke zettingen) kan echter niet aan verweerder worden toegerekend.

De dossiers bieden onvoldoende aanknopingspunten om nadeelcompensatie voor de in juli 2011 door de trillingen opgetreden scheuren in de muren van de woningen van eisers te kunnen vaststellen. Niet alleen dienen eisers de door hen op dit punt gestelde schade(posten) nader uiteen te zetten en te onderbouwen, ook dient verweerder gelet op het bepaalde in artikel 6:98 van het Burgerlijk Wetboek – en eventueel na het inwinnen van een deskundigenadvies – een standpunt in te nemen over de vraag in hoeverre de in juli 2011 opgetreden scheuren aan verweerder kunnen worden toegerekend en vervolgens of de in juli 2011 opgetreden scheuren in de muren van de woningen van eisers tot hun normale maatschappelijke risico behoren en zo neen, welk percentage van de schade dan aan verweerder moet worden toegerekend. De rechtbank draagt verweerder op om binnen acht weken na de dag van verzending van de uitspraak nieuwe beslissingen te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TBR 2018/126 met annotatie van B.S. ten Kate
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 17/3399 en SGR 17/5248

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 maart 2018 in de zaken tussen

[eisers I] , te [plaats 1] , eisers I,

[eisers II] , te [plaats 1] , eisers II,

tezamen: eisers,

(gemachtigde: mr. H.D. Wind)

en

het college van Dijkgraaf en Hoogheemraden van Rijnland, verweerder,

(gemachtigden: R. Mensink en A.J.M. Zonneveld).

Procesverloop

Bij besluit van 8 december 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek om nadeelcompensatie van eisers I afgewezen.

Bij besluit van 4 april 2017 (bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eisers I deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard.

Eisers I hebben tegen bestreden besluit I beroep ingesteld.

Bij besluit van 1 juni 2017 (bestreden besluit II) heeft verweerder het verzoek om nadeelcompensatie van eisers II deels niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond verklaard.

Verweerder heeft met instemming van eisers II het door hen ingestelde bezwaar tegen bestreden besluit II ter behandeling als beroepschrift aan de rechtbank doorgezonden.

De zaken zijn gevoegd ter zitting behandeld op 25 januari 2017. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Voorts was aanwezig [persoon 1] van [B.V. X] te [plaats 2] ( [persoon 1] ). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1.

Eisers I en II zijn respectievelijk de eigenaren van de woningen aan [adres 1] en [adres 2] te [plaats 1] . De woningen vormen een wooneenheid; tussen beide woningen staat een gemeenschappelijke muur. Eisers ondervinden schade aan hun woningen. De schade bestaat uit scheurvorming in de muren en verzakkingen van de woningen. Door instortingsgevaar zijn de woningen onbewoonbaar geworden. Eisers I en II wonen sinds het najaar van 2016 ieder afzonderlijk in een porto cabin op eigen terrein, achter hun woningen.

1.2.

In opdracht van het Hoogheemraadschap van Rijnland (Rijnland) heeft [B.V. Y] ( [B.V. Y] ) in de periode van juni tot en met oktober 2011 nabij de woningen van eisers het poldergemaal “ [naam gemaal] ” (het gemaal) aangelegd.

Daarbij zijn vanaf 6 juli 2011 op ongeveer 50 meter van de woning van eisers tijdelijke damwanden geplaatst. Vanaf 12 juli 2011 hebben er ook heiwerkzaamheden plaatsgevonden waarbij prefab betonnen palen in de bodem zijn geheid. De werkzaamheden zijn op 18 juli 2011 afgerond. In september 2011 zijn de tijdelijke damwanden verwijderd en zijn rondom het aangebrachte gemaal permanente damwandschermen in de bodem geplaatst.

1.3.

Op 13 juli 2011 constateerden eisers I scheurvorming op meerdere plaatsen aan de binnen- en buitenmuren van hun woning. Ook de buitendeur klemde. Naar aanleiding van een melding hierover heeft Rijnland de bouwwerkzaamheden stil laten leggen. Er is diezelfde dag een trillingsmeter (MUC3) bij de woning van eisers I geplaatst teneinde de trillingen van de werkzaamheden te kunnen vastleggen. De volgende dag zijn de werkzaamheden aan het gemaal voortgezet. Daarnaast heeft Rijnland een opname van de woning van eisers I laten uitvoeren door expertisebureau [expertisebureau] . Deze opname heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2011. Na voltooiing van de werkzaamheden is de woning van eisers I nogmaals door hetzelfde expertisebureau opgenomen. Deze opname heeft op 4 november 2011 plaatsgevonden.

1.4.

Eisers I hebben [B.V. Y] , middels hun verzekeraar, op 29 mei 2012 aansprakelijk gesteld voor de schade aan hun woning als gevolg van de bouw van het gemaal. De verzekeraar van [B.V. Y] heeft onderzoek laten doen naar de gestelde schade door [bedrijf 1] . De verzekeraar van Rijnland heeft vervolgens [bedrijf 2] ( [bedrijf 2] ) onderzoek laten doen naar de gestelde schade. Het onderzoeksrapport van [bedrijf 2] dateert van 27 mei 2013. Bij brief van 13 augustus 2013 heeft [bedrijf 2] de door eisers I gestelde aansprakelijkheid afgewezen. Bij brief van 26 november 2014 is dit nogmaals herhaald. Daarbij is het standpunt ingenomen dat er geen causaal verband bestaat tussen de werkzaamheden aan het gemaal en de schade.

1.5.

Eisers I hebben vervolgens nieuw onderzoek laten uitvoeren door [persoon 1] . Naar aanleiding van het door [persoon 1] uitgebrachte advies van 15 september 2015 hebben eisers I Rijnland (alsook [B.V. Y] ) bij brief van 4 maart 2016 opnieuw aansprakelijk gesteld. Bij brief van 31 augustus 2016 heeft de door de verzekeraar van Rijnland ingeschakelde deskundige van [bedrijf 3] (voorheen [bedrijf 2] ) de gestelde aansprakelijkheid opnieuw afgewezen.

1.6.

Bij brief van 18 oktober 2016 hebben eisers I een verzoek tot nadeelcompensatie bij Rijnland ingediend. Als schadeveroorzakende gebeurtenissen hebben zij de bouw van het gemaal en de verlaging van het grondwaterpeil ter plaatse van hun woning vermeld.  

1.7.

Bij brief van 16 september 2013 hebben eisers II Rijnland aansprakelijk gesteld voor de schade aan hun woning als gevolg van de bouw van het gemaal. Rijnland heeft de door eisers II gestelde aansprakelijkheid afgewezen.

1.8.

Bij brief van 26 april 2017 hebben eisers II een verzoek tot nadeelcompensatie bij Rijnland ingediend. Als schadeveroorzakende gebeurtenissen hebben zij, evenals eisers I, de bouw van het gemaal en de verlaging van het grondwaterpeil ter plaatse van hun woning vermeld.

2.1.

Bij het primaire besluit heeft verweerder het verzoek van eisers I afgewezen omdat niet aannemelijk is dat de oorzaak van de schade het gevolg is van gedragingen van Rijnland. Enerzijds zijn de aard en de omvang van de aan de woning van eisers I geconstateerde gebreken niet in verband te brengen met de in opdracht van Rijnland uitgevoerde werkzaamheden ten behoeve van de bouw van het gemaal. Daarnaast acht verweerder het onwaarschijnlijk dat het peilbeheer van het oppervlaktewater debet kan zijn aan de opgetreden schade. De verlaging met 5 centimeter (cm) van de oppervlaktewaterstand in de periode van 1999 tot 2010 kan geen substantiële wijziging van de grondwaterstand met zich hebben gebracht. Dit geldt ook voor eventuele kortstondige schommelingen die hebben plaatsgevonden, bijvoorbeeld als gevolg van het inregelen van het gemaal. De fluctuaties van de grondwaterstand als gevolg van andere factoren (onder andere neerslag en verdamping, infiltratie en beplanting), waar Rijnland geen invloed op heeft, zijn vele malen groter dan de geringe verlaging van het oppervlaktewaterpeil.

2.2.

Bij bestreden besluit I heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de bezwaarschriftencommissie Rijnland van 20 maart 2017, besloten het bezwaarschrift:

- niet-ontvankelijk te verklaren voor wat betreft het bezwaar dat ziet op de bouw van het gemaal;

- ongegrond te verklaren voor wat betreft de bezwaren die zich richten op het grondwaterpeil;

- het primaire besluit te handhaven.

2.3.

Aan bestreden besluit II heeft verweerder dezelfde motivering als aan bestreden besluit I ten grondslag gelegd.

3.1.

Eisers stellen dat verweerder hun bezwaren met betrekking tot de bouw van het gemaal ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hoewel volgens eisers bij die bouw sprake is geweest van onrechtmatige gedragingen die aansprakelijkheid met zich brengen voor de geleden schade, doet dat niet af aan hun recht om compensatie van het geleden nadeel te verzoeken op grond van rechtmatig overheidshandelen.

3.2.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat volgens eisers sprake is van onrechtmatig handelen door Rijnland bij de bouw van het gemaal. Zij hebben Rijnland op die grond aansprakelijkheid gesteld. Rijnland heeft die aansprakelijkheid afgewezen. Dat betekent dat voor eisers thans een rechtsgang bij de civiele rechter open staat. Ter zitting heeft verweerder daaraan toegevoegd dat eisers ook niet in aanmerking komen voor nadeelcompensatie op grond van rechtmatig overheidshandelen. De bouw van het gemaal maakt onderdeel uit van een projectplan, maar dat plan is, voor zover verweerder heeft kunnen nagaan, niet bekendgemaakt. Nu aan de bouw van het gemaal geen schadeveroorzakend besluit ten grondslag ligt, kan volgens verweerder geen beroep worden gedaan op de nadeelcompensatieregeling.

Wettelijk kader

4.1

Ingevolge artikel 7.14, eerste lid, van de Waterwet wordt aan degene die als gevolg van de rechtmatige uitoefening van een taak of bevoegdheid in het kader van het waterbeheer schade lijdt of zal lijden, op zijn verzoek door het betrokken bestuursorgaan een vergoeding toegekend, voor zover de schade redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd.

4.2.

Op grond van artikel 2, eerste lid, van Verordening nadeelcompensatie Rijnland 2015 (de Verordening) kent verweerder, indien een bestuursorgaan van Rijnland in de rechtmatige uitoefening van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak schade veroorzaakt die uitgaat boven het normale maatschappelijke risico en die een benadeelde in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft, de benadeelde desgevraagd een vergoeding toe.

Verzoek om nadeelcompensatie mogelijk?

5.1.

Eisers hebben Rijnland aanvankelijk aansprakelijk gesteld voor de door hen geleden en nog te lijden schade als gevolg van onrechtmatig handelen bij de bouw van het gemaal. Rijnland heeft deze aansprakelijkheid afgewezen en in de hier voorliggende procedure gesteld dat voor eisers nog uitsluitend een procedure bij de civiele rechter openstaat.

5.2.

De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Het gestelde onrechtmatig handelen staat er niet aan in de weg dat eisers verweerder om nadeelcompensatie kunnen verzoeken. Het gaat daarbij om een verzoek tot vergoeding van schade die wordt veroorzaakt door rechtmatig overheidshandelen. Daarbij bestaat alleen aanspraak op vergoeding van onevenredige, dat wil zeggen buiten het normaal maatschappelijk risico vallende, schade. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat eisers thans - in het kader van deze procedure - voor wat betreft de bouw van het gemaal uitgaan van rechtmatig handelen door Rijnland.

5.3.

Om voor nadeelcompensatie op grond van de Verordening in aanmerking te kunnen komen, behoeft aan de gestelde schadeveroorzakende gebeurtenis, anders dan verweerder veronderstelt, geen schadeveroorzakend besluit ten grondslag te liggen. Afdoende is dat de schade het gevolg is van de rechtmatige uitoefening van een taak of publiekrechtelijke bevoegdheid van Rijnland. Naar het oordeel van de rechtbank is de feitelijke bouw van het gemaal, waaronder het plaatsen van damwanden en het heien van betonnen palen, aan te merken als een rechtmatige uitoefening van een taak van Rijnland in het kader van het waterbeheer.

5.4.

Het voorgaande brengt met zich dat verweerder het verzoek van eisers II en het bezwaar van eisers I, voor zover gericht tegen de bouw van het gemaal, ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De beroepen van eisers zijn reeds hierom gegrond en de bestreden besluiten dienen te worden vernietigd.

5.5

In het navolgende zal de rechtbank bezien of zij de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in stand kan laten. De rechtbank zal in dat verband eerst onderzoeken of er rechtstreeks causaal verband bestaat tussen de bouw van het gemaal en de in juli 2011 ontstane schade aan de woningen van eisers. Vervolgens zal de rechtbank ingaan op de vraag of de verlaging van het grondwaterpeil ter plaatse van de woningen van eisers en de daaruit volgens eisers voortgevloeide schade aan verweerder kan worden toegerekend.

Causaal verband tussen de bouw van het gemaal en de schade?

6.1.

Eisers stellen dat er concrete aanwijzingen zijn dat de scheurvorming in hun woningen het directe gevolg is van de bouw van het gemaal. Zij wijzen in dit verband onder meer naar het expertiserapport van [bedrijf 1] ( [bedrijf 1] ) en de bevindingen van [persoon 1] .

6.2.1.

Verweerder heeft zich, kort samengevat, op het standpunt gesteld dat er geen relatie is te leggen tussen de bouw van het gemaal en de schade aan de woningen van eisers. Daarbij heeft verweerder zich gebaseerd op de rapportages van deskundigen van [bedrijf 3] ( [bedrijf 3] ) en [bedrijf 2] . In die rapporten wordt, samengevat weergegeven, geconcludeerd dat het schadebeeld een gevolg is van deformatie van de fundering en/of de grondlagen waaraan de fundering haar draagkracht en stabiliteit ontleent. Dit duidt op een verstoord grondmechanisch evenwicht waardoor verplaatsingen van bodemlagen zijn ontstaan. Gezien de afstand tot de woningen van eisers en de aard van de uitgevoerde werkzaamheden is een verband met de bouw van het gemaal niet te verklaren, aldus verweerder.

6.2.2.

Verweerder heeft ter onderbouwing van zijn standpunt gewezen op het vooronderzoek dat is verricht bij naburige woningen. Daarbij zijn voor aanvang van de bouw van het gemaal (eventuele) schadebeelden vastgelegd. Na de bouw van het gemaal zijn opnieuw schadebeelden opgenomen. Uit dat onderzoek komen voor en na de bouw gelijke schadebeelden naar voren. Volgens verweerder rechtvaardigt dat de conclusie dat de bouw geen schade aan de woningen van eisers heeft veroorzaakt.

Nu de vastgestelde schadebeelden geen betrekking hebben op de woningen van eisers, kan aan de conclusies van dat onderzoek naar het oordeel van de rechtbank reeds hierom niet de waarde worden toegekend die verweerder daaraan toegekend zou willen zien.

6.2.3.

Daarnaast heeft verweerder gewezen op de trillingsmetingen die in opdracht van [B.V. Y] zijn uitgevoerd tijdens de tril- en heiwerkzaamheden. Daarbij is ook een trillingsmeter (MUC3) ter hoogte van de woning van eisers I geplaatst. Uit deze metingen blijkt volgens verweerder dat de trillingen als gevolg van de tril- en heiwerkzaamheden tijdens de bouw van het gemaal geen significante invloed hebben gehad op de stabiliteit dan wel deformatie van de constructie van de woningen van eisers.

De rechtbank stelt vast dat de trillingsmeter MUC3 pas bij de woning van eisers I is geplaatst nadat de werkzaamheden waren stilgelegd. Aangezien er daarvoor al een aantal dagen damwanden in de grond waren geslagen en die werkzaamheden nagenoeg waren afgerond, valt daarmee niet uit te sluiten dat die eerdere werkzaamheden en de daarmee gepaard gaande trillingen schade teweeg hebben gebracht aan de woningen van eisers. Dit betekent dat ook aan de trilmeetresultaten niet de waarde kan worden toegekend die verweerder daaraan toegekend zou willen zien.

6.3.1.

Aan de hand van de stukken en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank vast dat de woningen van eisers zijn gefundeerd op houten palen in een gebied met een weinig draagkrachtige bodem, te weten een veengebied. In een dergelijk gebied zijn woningen, zoals die van eisers, aan zettingen onderhevig. In de door partijen ingebrachte rapporten wordt daaraan ook aandacht besteed.

6.3.2.

In de rapportage van [bedrijf 1] van 6 november 2012 is, voor zover thans van belang, het volgende opgenomen:

“Hoewel er een verband in tijd lijkt te zijn tussen de aanleg van het gemaal en het ontstaan van nieuwe scheuren in de woning, is een oorzakelijk verband nog geenszins gegeven. Met name het feit dat zettingen ruim een jaar na uitvoering van het werk nog steeds voortschrijden, zijn aanleiding om de oorzaak van de zettingen in een gebrek in de fundatie van de woning te zoeken en/of in andere externe factoren.

(…)

Hoewel trillingen in 2011 de spreekwoordelijke druppel kunnen zijn geweest die “de emmer hebben doen overlopen”, kan het huidige zettinggedrag niet uit trillingen van een jaar daarvoor verklaard worden. Hierbij merken wij wel op dat de woning van de tegenpartij (de rechtbank leest: eisers) voor aanvang van de werkzaamheden niet onderhevig was aan ongelijke (natuurlijke) zettingen. De laatste ingrijpende verbouwing was circa 30 jaar geleden. Kennelijk was er in deze periode toch sprake van een min of meer stabiele situatie. Uit het schadebeeld maken wij op dat in 2011 kennelijk een (ongelijk) zettingproces in gang is gezet. De scheur in de zijgevel is niet direct aan te merken als een scheur ontstaan door trillingen. Wel merken wij op dat door trillingen een verstoring kan hebben plaatsgevonden van het grondmechanisch evenwicht van de laag waarop de woning van de tegenpartij is gefundeerd. Dit zou eventueel de (voortschrijdende) zettingen kunnen verklaren. Tijdens het project “ [naam gemaal] ” hebben zich geen andere activiteiten voorgedaan die deze zettingen zouden kunnen verklaren.”

6.3.3.

De rechtbank stelt voorts vast dat in het onderzoeksrapport van [bedrijf 2] van 27 mei 2013 het volgende is opgemerkt:

“Hoewel de woning van tegenpartij (de rechtbank leest ook hier: eisers) op minimaal 50 m van het werk is gelegen, is het aannemelijk dat trillingen in de woning merkbaar/voelbaar zijn geweest als gevolg van het manoeuvreren met damwand- en/of heistellingen of het heien en/of trillen van respectievelijk palen en damplanken. De relatief slappe veen- en kleilagen gedragen zich onder belasting ‘als vloeistof’ en geven als zodanig relatief eenvoudig trillingen door aan de omgeving.

Ervan uitgaande dat de woning van tegenpartij niet is onderheid, valt niet uit te sluiten dat de trillingen als gevolg van het manoeuvreren met de stellingen tot gevolg hebben gehad dat het metsel- of voegwerk op de plaatsen waar de spanningen (als gevolg van eerder opgetreden zettingen) te groot werden, bezweek.

Het naar verloop van tijd verergeren van de ontstane scheuren kan een gevolg zijn van de zettingen die sowieso in het betreffende gebied optreden. (…)”

6.4.

Hoewel [bedrijf 2] en [bedrijf 3] zich in hun brieven van respectievelijk 13 augustus 2013, 26 november 2014 en 31 augustus 2016 op het standpunt hebben gesteld dat de zettingen van de woning van eisers I niet in verband zijn te brengen met de werkzaamheden aan het gemaal, constateert de rechtbank dat het onderzoeksrapport van 27 mei 2013 van datzelfde [bedrijf 2] die mogelijkheid uitdrukkelijk openlaat. In dat rapport wordt immers niet uitgesloten geacht dat de trillingen als gevolg van met name het manoeuvreren met de aangebrachte stellingen tot scheuren in de woning hebben geleid. Ook in voormelde rapportage van [bedrijf 1] wordt expliciet de mogelijkheid opengelaten dat de trillingen die gepaard zijn gegaan met de werkzaamheden aan het gemaal de directe aanleiding zijn geweest voor het in gang brengen van een ongelijk zettingsproces. Daarnaast heeft ook [persoon 1] zich blijkens zijn op verzoek van eisers uitgebrachte advies van 15 september 2015 op het standpunt gesteld dat de schade is veroorzaakt door de bouw van het gemaal en tijdens die werkzaamheden is opgetreden. Op verzoek van [bedrijf 3] heeft [persoon 1] zijn standpunt in een e-mailbericht van 25 mei 2016 nader toegelicht. In dat bericht heeft [persoon 1] zijn standpunt gehandhaafd en daarbij te kennen gegeven dat door de werkzaamheden aan het nieuwe gemaal de constructieve samenhang van de woningen verloren is gegaan. Ter zitting heeft [persoon 1] dit nogmaals bevestigd.

6.5.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting leidt de rechtbank het volgende af. Al voorafgaand aan de bouw van het gemaal vertoonden de woningen van eisers een labiel evenwicht, gelet op de verrotte fundering, welke geen draagkracht meer heeft en niet stabiel is, en de slappe ondergrond. In feite, zo begrijpt de rechtbank uit het in opdracht van eisers op 30 september 2016 uitgevoerde onderzoek, had de fundering al geen dragende functie meer, waardoor de situatie van de woningen is te vergelijken met een bouwwerk dat in het geheel niet onderheid is. Gezien de inhoud van voormelde expertiserapporten en adviezen, die vanwege de bouwkundige eenheid tussen de woningen van eisers ook op de woning van eisers II van toepassing zijn, acht de rechtbank het aannemelijk dat de bouwwerkzaamheden aan het gemaal – zoals [bedrijf 1] het noemt – de druppel zijn geweest die voormeld wankel evenwicht hebben verstoord. Aannemelijk is dat hierdoor het metsel- of voegwerk op de plaatsen waar de spanningen als gevolg van door het labiele evenwicht reeds ontstane zettingen te groot werden, is bezweken en zijn scheuren ontstaan. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee een direct zogenoemd conditio sine qua non verband gegeven tussen de bouw van het gemaal en de in juli 2011 opgetreden scheuren in de muren van de woningen.

6.6.

De bestreden besluiten ontberen ten aanzien van dit onderdeel van de causaliteitsvragen dan ook een deugdelijke motivering. Dit betekent dat de rechtsgevolgen van die besluiten - te weten de afwijzing van het verzoek om nadeelcompensatie - in zoverre niet in stand kunnen worden gelaten.

Toerekening van gestelde schade door verlaging van het grondwaterpeil aan Rijnland?

7.1.

Aan en in de woningen van eisers is sinds 2011 verdere scheurvorming opgetreden. Ook zijn de woningen verzakt en onbewoonbaar geworden. Eisers wijten dat aan de slechte staat van de funderingen. Het sinds 2011 opgetreden zettinggedrag kan niet uit de trillingen van juli 2011 verklaard worden, zo blijkt uit de in 6.3.2 geciteerde expertise. Eisers stellen dat door beleid en handelen van Rijnland de houten funderingspalen onder hun woningen droog zijn komen te staan, waardoor deze volledig zijn verrot. Volgens eisers heeft Rijnland veel te weinig onderzoek gedaan naar de verschillen in het grondwaterpeil in het verleden, waarbij ook de periode vóór 1999 relevant kan zijn voor de verschillen in het grondwaterpeil en de droogstand van de houten fundering. Onderzoek heeft uitgewezen dat de grondwaterstand ter plaatse minimaal 500 millimeter (mm) te laag is, waardoor de houten fundering grotendeels droog is komen te staan en is gaan rotten. Eisers hebben in dit verband gewezen op het in 6.5 al genoemde funderingsonderzoek van 30 september 2016. De rapportage van dit onderzoek hebben eisers I reeds in de bezwaarfase ingebracht. Verweerder bestrijdt de conclusies van dat onderzoek niet.

7.2.

De rechtbank overweegt allereerst dat verweerder verantwoordelijk is voor het peilbeheer van het oppervlaktewater, maar niet voor dat van het grondwater. Dit blijkt uit artikel 3.6 van de Waterwet, waarin is bepaald dat de gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders zorg dragen voor het in het openbaar gemeentelijke gebied treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken, voor zover het treffen van die maatregelen doelmatig is en niet tot de zorg van de beheerder of de provincie behoort. Uit dit artikel en de toelichting daarop blijkt dat de verantwoordelijkheid voor het treffen van maatregelen op particulier terrein bij de eigenaar van de grond ligt. De rechtbank verwijst naar de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2005/06, 30 578, nr. 3), waarin voor zover hier van belang staat: “Een eigenaar (…) is verantwoordelijk voor de staat waarin de bij hem in eigendom zijnde gebouwen verkeren, inclusief de fundering (…), en voor de toestand waarin zijn percelen verkeren. Van hem mag worden verwacht dat hij, indien nodig of gewenst, de vereiste (waterhuishoudkundige en/of bouwkundige) maatregelen neemt om problemen als gevolg van een bepaalde grondwaterstand te voorkomen of te bestrijden, voor zover deze niet aantoonbaar worden veroorzaakt door onrechtmatig handelen of nalaten van een ander, particulier of overheid.”

7.3.

In deze procedure wordt uitgegaan van rechtmatig handelen door Rijnland. De rechtbank verwijst daartoe naar 5.2 hiervoor. Er behoeft dus niet te worden onderzocht of de slechte staat van de fundering door onrechtmatig handelen of nalaten van Rijnland zou zijn veroorzaakt.

7.4.

Daargelaten dat eisers blijkens de Waterwet zelf verantwoordelijk zijn voor de staat van de fundering, hebben zij ook geenszins aannemelijk gemaakt dat de oorzaak van de lage grondwaterstand ter plaatse van hun woningen gelegen is in het peilbeheer van het oppervlaktewater door Rijnland. Weliswaar heeft Rijnland in de periode 1999 tot 2010 een verlaging van de oppervlaktewaterstand van 5 cm doorgevoerd, maar de rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat deze geen wezenlijke verandering van de grondwaterstand met zich kan hebben gebracht. Dit geldt ook voor door Rijnland kortstondig doorgevoerde verlagingen van het oppervlaktewaterpeil in verband met bijvoorbeeld het inregelen van het gemaal. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat het beheer van het oppervlaktewater slechts één van de factoren is die van invloed is op het grondwaterniveau. Andere omstandigheden die van invloed zijn op de grondwaterstand zijn neerslag, verdamping, infiltratie of beplanting. Voor de woningen van eisers heeft een grote wilg gestaan, zodat het niet ondenkbaar is dat ook die beplanting van invloed is geweest op de grondwaterstand ter plaatse van de woningen van eisers. Daar komt nog bij dat verweerder ten aanzien van het peilbeheer van het oppervlaktewater ter plaatse een conservatief beleid heeft gevoerd. Er is in het betreffende gebied minder dan de autonome maaivelddaling gevolgd. Bovendien gaan eisers er zelf, blijkens een zich bij de stukken bevindende e-mail van eiseres [I] , van uit dat het grondwaterpeil rond 1950 is verlaagd om in het gebied landbouw mogelijk te maken. Toen al moet het rottingsproces een aanvang hebben genomen. Dat eisers op deze verlaging van het grondwaterpeil op hun percelen hebben gewezen, betekent ook dat eisers zich daarvan bewust zijn geweest, zodat het als perceeleigenaars op hun weg had gelegen in de loop der tijd sinds 1950 - of in elk geval vanaf het moment dat zij eigenaar werden van die percelen - afdoende maatregelen te treffen teneinde het rotten van de fundering te voorkomen.

7.5.

De rechtbank volgt eisers voorts niet in hun betoog dat verweerder onderzoek had moeten doen naar de grondwaterstand vóór 1999, reeds omdat de stand van het grondwater niet tot het taakbeheer van Rijnland behoort. Ook hier geldt dat het allereerst aan eisers zelf is om, indien nodig of gewenst, de vereiste (waterhuishoudkundige en/of bouwkundige) maatregelen te nemen. Daaronder valt in ieder geval ook het zelf (laten) uitvoeren van onderzoeken teneinde problemen als gevolg van een bepaalde grondwaterstand te voorkomen. Voor zover eisers betogen dat Rijnland ten onrechte geen nader onderzoek heeft verricht naar het polderpeilniveau van vóór 1999, overweegt de rechtbank nog als volgt. Verweerder heeft onweersproken naar voren gebracht dat het oppervlaktewater in het peilvak van de polder [polder] waar de woningen van eisers in zijn gelegen sinds 1999 door een apart gemaal wordt bemalen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat in de periode vóór 1999 een dusdanige verlaging van het oppervlaktewaterpeil heeft plaatsgevonden dat deze een substantiële wijziging van de grondwaterstand met zich heeft gebracht, rekening houdend met de overige daarop van invloed zijnde factoren.

7.6.1.

Eisers hebben tenslotte aangevoerd dat het oppervlaktewaterpeil sinds 2010 steeds verder is gezakt. In 2017 en 2018 was dit 16 cm lager dan het vastgestelde polderpeil. Deze verdere verlaging is volgens eisers van invloed geweest op de lage grondwaterstand. Verweerder heeft ter zitting te kennen gegeven dat het polderpeil automatisch wordt geregistreerd, welke registraties kunnen worden nagegaan.

7.6.2.

Nu eisers hun stellingen en de kennelijk door hen verrichte metingen niet met stukken hebben onderbouwd en voorts onduidelijk is op welke wijze zij die metingen hebben uitgevoerd, kan aan de gestelde meetresultaten niet de waarde worden toegekend die eisers daaraan toegekend zouden willen zien. Het betoog kan eisers faalt reeds hierom.

7.7.

Het voorgaande brengt met zich dat de verlaging van het grondwaterpeil ter plaatse van de woningen van eisers en de daaruit volgens eisers voortgevloeide schade naar het oordeel van de rechtbank niet aan verweerder kan worden toegerekend.

Conclusies en finalisering

8.1.1.

De rechtbank komt tot de volgende conclusies. Aannemelijk is dat er een rechtstreeks causaal verband bestaat tussen de bouw van het gemaal en de in juli 2011 opgetreden scheuren in de muren van de woningen van eisers. Scheurvorming en het zettingsproces zijn voortgegaan nadat de werkzaamheden aan het gemaal waren afgerond. Daardoor is er meer schade ontstaan, die eisers wijten aan de verlaging van de grondwaterstand waardoor de funderingen van hun woningen zijn verrot. De verlaging van het grondwaterpeil ter plaatse van de woningen van eisers en de daaruit volgens eisers voortgevloeide schade (in de vorm van verrotte funderingen en ongelijke zettingen) kan echter niet aan verweerder worden toegerekend.

8.1.2.

De rechtsgevolgen van de bestreden besluiten kunnen niet in stand blijven. De rechtbank ziet geen mogelijkheden om te komen tot finalisering. De rechtbank heeft haar oordeel gegeven over de voorgelegde causaliteitsvragen. De dossiers bieden onvoldoende aanknopingspunten om nadeelcompensatie voor de in juli 2011 door de trillingen opgetreden scheuren in de muren van de woningen van eisers te kunnen vaststellen. Niet alleen dienen eisers de door hen op dit punt gestelde schade(posten) nader uiteen te zetten en te onderbouwen, ook dient verweerder gelet op het bepaalde in artikel 6:98 van het Burgerlijk Wetboek – en eventueel na het inwinnen van een deskundigenadvies – een standpunt in te nemen over de vraag in hoeverre de in juli 2011 opgetreden scheuren aan verweerder kunnen worden toegerekend en vervolgens of de in juli 2011 opgetreden scheuren in de muren van de woningen van eisers tot hun normale maatschappelijke risico behoren en zo neen, welk percentage van de schade dan aan verweerder moet worden toegerekend. De rechtbank zal verweerder daarom opdragen om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe beslissingen te nemen. Gelet op al het voorgaande geeft de rechtbank partijen in overweging om naar aanleiding van deze uitspraak met elkaar in gesprek te gaan.

Griffierechten en proceskosten

9. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen ieder afzonderlijk betaalde griffierecht van € 168,- vergoedt.

10. Voorts zal de rechtbank verweerder veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten, waarbij de twee samenhangende zaken op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) als één zaak worden beschouwd. De rechtbank stelt de proceskosten op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

In beide zaken

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten van 4 april 2017 en 1 juni 2017;

- draagt verweerder op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.002,-, te betalen aan eisers;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van in totaal € 336,-- aan eisers te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, voorzitter, en mr. B. Hammer en mr. M. Tjepkema, leden, in aanwezigheid van mr. L.F.A. Bouwens- Bos , griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.