Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:3124

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-02-2018
Datum publicatie
01-05-2018
Zaaknummer
6491427 RP VERZ 17-50638
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Deelgeschil. Causaal verband. De door verzoeker gestelde klachten kunnen vanwege pre-existentie niet worden gerelateerd aan het ongeval. Geen aanleiding voor nadere bevoorschotting. Kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0396
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Gravenhage

CK

Zaak-/rolnummer: 6491427 RP VERZ 17-50638

21 februari 2018

Beschikking van de kantonrechter in de zaken van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,

gemachtigde: mr. O. Emre,

tegen

de Europese vennootschap

Amlin Insurance SE,

gevestigd te Amstelveen,

verwerende partij,

gemachtigde: mrs. Chr.H. van Dijk en K. Ertürk.


Partijen worden aangeduid als [verzoeker] en Amlin.

1 Procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties, ter griffie ingekomen op 22 november 2017;

- het op 15 januari 2018 ingekomen verweerschrift, met producties.

1.2.

Op 24 januari 2018 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Hierbij zijn beide partijen verschenen.

1.3.

Aansluitend is de uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 7 mei 2015 heeft een ongeval plaatsgevonden waarbij [verzoeker] letsel heeft opgelopen.

2.2.

Amlin heeft de aansprakelijkheid van haar verzekerde voor het ontstaan van het ongeval erkend.

2.3.

[verzoeker] is € 1.000,00 bevoorschot op zijn schade door Amlin. Voorts heeft Amlin € 3.000,00 aan buitengerechtelijke kosten betaald aan de vorige belangenbehartiger van [verzoeker] .

2.4.

Sinds 30 mei 2016 staat mr. Emre [verzoeker] als zijn belangenbehartiger bij.

2.5.

In de periode van 30 mei 2016 tot 25 oktober 2017 hebben partijen regelmatig schriftelijk contact met elkaar over een afwikkeling van de schade. Op 30 januari 2017 heeft een overleg plaatsgevonden tussen partijen, maar zij zijn het niet eens kunnen worden over een definitieve afwikkeling van de schade. In de periode daarna hebben partijen met enige regelmaat contact over de persoon van de deskundige en de aan diegene voor te leggen vraagstelling, maar partijen hebben daarover evenmin overeenstemming bereikt.

3 Het geschil

3.1.

[verzoeker] verzoekt bij wijze van deelgeschil ex artikel 1019w-1019cc Rv, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat Amlin aan [verzoeker] een voorschot beschikbaar stelt van € 7.500,00 en Amlin te veroordelen tot betaling van de gedeclareerde en onbetaald gebleven buitengerechtelijke kosten van € 5.385,38, met begroting en veroordeling van Amlin in de kosten van dit geding.

3.2.

[verzoeker] heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat Amlin op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk is voor de schade die voortvloeit uit het [verzoeker] overkomen ongeval.

3.3.

Amlin heeft ten verwere aangevoerd (kort weergegeven) dat het verzoek van [verzoeker] prematuur is en voor het overige dat de ernstige klachten die [verzoeker] aan het ongeval relateert pre-existent zijn en niet in causaal verband staan met het ongeval.

4 De beoordeling

4.1.

Daargelaten of het verzoek al dan niet prematuur is, is de kantonrechter in ieder geval van oordeel dat onvoldoende is gebleken van een causaal verband tussen de door [verzoeker] gestelde ernstige klachten en het ongeval waardoor het verzoek niet kan worden toegewezen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.2.

[verzoeker] heeft blijkens de overgelegde (medische) stukken sinds het ongeval vooral geklaagd over pijn in zijn nek, schouder en rug met tintelingen naar arm, heup en been. Naar aanleiding daarvan heeft op 7 mei 2015, de dag van het ongeval, op de SEH een uitvoerige analyse op de traumakamer en een aanvullende röntgendiagnostiek plaatsgevonden. Daarbij zijn geen afwijkingen vastgesteld waarna [verzoeker] is ontslagen uit het ziekenhuis. Op 12 mei 2015 heeft [verzoeker] bij zijn huisarts geklaagd over zijn nek, slaapproblemen en angstklachten. [verzoeker] wordt vervolgens door zijn huisarts doorverwezen naar een neuroloog bij het HagaZiekenhuis, die hij op 19 mei 2015 bezoekt. De neuroloog bericht de huisarts van [verzoeker] onder meer dat [verzoeker] sinds drie maanden rugpijn met uitstraling naar het linkerbeen heeft. Gelet op de datum waarop [verzoeker] de neuroloog bezocht (19 mei 2015) en de dag van het ongeval (7 mei 2015), heeft de medisch adviseur van Amlin begrijpelijkerwijs geconcludeerd dat de rugklachten pre-existent zijn. Hoewel de fysiotherapeut tot de conclusie komt dat [verzoeker] whiplashachtige klachten heeft na een auto-ongeluk worden de klachten ook bij een tweede bezoek aan de neuroloog op 15 september 2015 niet in verband met het ongeval gebracht (“normale MRI-scan van de halswervelkolom, geen verklaring van de klachten”). Verder blijkt uit de medische informatie afkomstig van de huisarts dat [verzoeker] reeds sinds maart 2014 klaagt over nek-, rug-, schouder- en beenpijn en dat hij angstklachten en paniekaanvallen heeft waarvoor hij begin 2014 een doorverwijzing heeft gekregen naar een psychiater.

4.3.

Daarnaast heeft Amlin aangevoerd en met stukken onderbouwd dat de aanrijding die [verzoeker] is overkomen een zeer lichte is waarbij zijn voertuig slechts is geschampt en dat de ernstige klachten die [verzoeker] stelt te hebben ongevalsvreemde klachten zijn.

4.4.

Het voorgaande in acht genomen kunnen de klachten die [verzoeker] heeft gesteld te hebben niet zonder meer gerelateerd worden aan het ongeval. Dat sprake is van pre-existentie heeft [verzoeker] niet bestreden, terwijl uit niets blijkt dat deze klachten wel gerelateerd moeten worden aan het ongeval. Daarnaast verschillen partijen kennelijk ook nog van mening over de toedracht van het ongeval. Voor een nadere bevoorschotting is ten minste vereist dat aannemelijk is dat de schade meer omvat dan het bedrag waarvoor hij thans bevoorschot is. Dat is de kantonrechter niet gebleken, zodat het verzoek zal worden afgewezen.

Kosten deelgeschil

4.5.

Ingevolge artikel 1019aa Rv dient de kantonrechter de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door letsel lijdt te begroten, ook als het verzoek wordt afgewezen. Hierbij dient de dubbele redelijkheidstoets gehanteerd te worden: het dient redelijk te zijn dat de kosten zijn gemaakt en de hoogte van de kosten dient eveneens redelijk te zijn. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen (TK 2007-2008, 31518, nr. 3, p. 12).

4.6.

De kantonrechter is van oordeel dat van een volstrekt onnodig of onterecht ingestelde procedure in dit geval sprake is. Het causaal verband (en de omvang van de schade) is reeds lange tijd onderwerp van discussie tussen partijen. De beschikbare medische informatie is afkomstig van [verzoeker] . Reeds uit die informatie blijkt dat sprake is van pre-existente klachten en is een medisch oordeel gegeven dat causaal verband tussen het ongeval en de klachten ontbreekt. Ook (de gemachtigde van) [verzoeker] kon en moest daaruit opmaken dat de omvangrijke pre-existentie aan klachten, zonder nadere onderbouwing die niet is gegeven, een beletsel is voor het veronderstellen van een causaal verband tussen de gestelde hogere schade en het ongeval.

4.7.

De kosten van de behandeling van het verzoek komen, gelet op het voorgaande, niet voor vergoeding in aanmerking. Begroting van deze kosten kan derhalve achterwege blijven.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

wijst het verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. J.L.M. Luiten en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 februari 2018.