Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:3092

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-03-2018
Datum publicatie
16-03-2018
Zaaknummer
AWB 17 / 5689
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft eiser het bepaalde in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag tegengeworpen en een inreisverbod voor de duur van 10 jaar opgelegd. De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht en gemotiveerd dat eiser, die in Syrië als dienstplichtig soldaat heeft gediend bij de orde- en handhavingsdienst/oproerpolitie en in die hoedanigheid werd ingezet bij het neerslaan en onderdrukken van vreedzame demonstraties, persoonlijk een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de door de veiligheidsdienst gepleegde mensenrechtenschendingen (personal participation).

Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 9 november 2011 inzake Duitsland tegen B. en D. (ECLI:EU:C:2010:661) concludeert de rechtbank dat verweerder eiser eerst van de vluchtelingenstatus kan uitsluiten na een individueel onderzoek van specifieke feiten waaruit kan worden opgemaakt of er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat deze persoon in het kader van zijn activiteiten binnen die organisatie een misdrijf als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag heeft begaan of anderszins daaraan heeft deelgenomen. Uit het bestreden besluit blijkt onvoldoende dat verweerder een dergelijk onderzoek, toegespitst op het optreden van de oproerpolitie in de periode van januari 2012 tot augustus 2012, heeft verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 17 / 5689

Uitspraak van de meervoudige kamer van 13 maart 2018 in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (thans: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid), verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 februari 2017 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, van deze wet. Daarnaast heeft verweerder bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten en aan hem een inreisverbod voor de duur van tien jaren opgelegd.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Als gemachtigde heeft zich gesteld mr. P. Bouman, advocaat te Helmond, die bij brief van 21 maart 2017, aangevuld bij brief van 27 oktober 2017, de beroepsgronden heeft ingediend.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2017, waar eiser, bijgestaan door mr. M.P. Ufkes, waarnemer van zijn gemachtigde, en F.A.S. Al Abd, tolk, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. P. van Zijl, werkzaam bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Eiser, die is geboren op [geboortedag] 1992 en de Syrische nationaliteit bezit, heeft op 10 oktober 2015 de hiervoor genoemde aanvraag ingediend. Aan deze aanvraag heeft hij het volgende asielrelaas ten grondslag gelegd.

2. Eiser is geboren en getogen in Aleppo. Hij behoort tot de Koerdische bevolkingsgroep en is soenniet. Op 1 oktober 2011 heeft hij zich gemeld voor het vervullen van zijn militaire dienstplicht. Na een opleiding van drie maanden werd hij als dienstplichtig soldaat geplaatst bij de orde- en handhavingsdienst/oproerpolitie. Vanaf 1 januari 2012 werd hij geplaatst in [naam plaats] . Hij werd voornamelijk ingezet bij het uit elkaar halen van demonstraties voor moskeeën, vooral in Rif Damascus. Toen hij in augustus 2012 in Aleppo werd ingezet om een politiebureau te bewaken, heeft hij met hulp van zijn vader weten te deserteren. In mei 2013 is hij naar Turkije gevlucht. Tot 2015 heeft hij illegaal in Istanbul verbleven. Hij is op 10 september 2015 het gebied van de Europese Unie ingereisd.

3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, van de Vw 2000 afgewezen als kennelijk ongegrond. Verweerder heeft daartoe overwogen dat eiser in de periode van 1 oktober 2011 tot augustus 2012 als dienstplichtig soldaat heeft gediend bij de orde- en handhavingsdienst/oproerpolitie (de Haf(i)z al-Nizam, ook wel Fad a Shaghab genoemd; hierna: de oproerpolitie), die tot april/mei 2012 onder de veiligheidsdienst (Al Alm Al Dakhille) van het Ministerie van Binnenlandse Zaken viel en nadien is uitgegroeid tot een zelfstandig bataljon. Volgens verweerder moet eiser op grond van zijn verklaringen over zijn werkzaamheden en informatie uit (in de besluitvorming nader genoemde) algemene bronnen over deze dienst, in verband worden gebracht met (het faciliteren van) gevangenneming of andere ernstige beroving van lichamelijke vrijheid in strijd met fundamentele regels van internationaal recht, marteling, (zware) mishandeling en gedwongen verdwijning van personen. Dit betreft in het bijzonder de rol van eiser/de oproerpolitie bij het neerslaan dan wel onderdrukken van vreedzame demonstraties, alsmede tijdens de daarop volgende arrestaties en detenties in de beschreven periode in Rif Damascus. Verweerder heeft de aan eiser tegengeworpen gedragingen aangemerkt als misdrijven als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag. Na toepassing van de zogenoemde “personal and knowing participationtest” heeft verweerder geconcludeerd dat eiser individueel voor die gedragingen verantwoordelijk gehouden moet worden en als mededader moet worden aangemerkt.

Omdat eiser onder de toepassing van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag valt, kan hij volgens verweerder niet worden aangemerkt als verdragsvluchteling. Evenmin wordt hem op grond van artikel 3.107 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) een verblijfsvergunning verleend op één van de andere gronden van artikel 29 van de Vw 2000. Verweerder heeft aannemelijk acht dat terugkeer van eiser naar Syrië gelet op artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) niet tot de mogelijkheden behoort. Om die reden is in het bestreden besluit opgenomen dat verweerder geen gebruik zal maken van de bevoegdheid om hem uit te zetten naar het land van herkomst.

Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, van de Vw 2000 omdat eiser op ernstige gronden een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. In het verlengde daarvan heeft verweerder bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten. Omdat eiser volgens verweerder een gevaar vormt voor de openbare orde en niet is gebleken van humanitaire of andere redenen om af te zien van het uitvaardigen van een inreisverbod, heeft verweerder eiser tot slot met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vw 2000 een inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaren.

4. Eiser heeft – op hoofdlijnen weergegeven – in beroep aangevoerd dat verweerder hem ten onrechte het bepaalde in artikel 1(F), aanhef en onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag heeft tegengeworpen. Hij heeft erkend dat hij in dienst was bij de oproerpolitie en in de periode januari 2012 tot augustus 2012 demonstraties uiteen heeft moeten drijven. Ook heeft hij niet betwist dat de gedragingen waarmee verweerder hem in verband heeft gebracht, begaan in Rif Damascus in de periode van januari 2012 tot augustus 2012 en de oorlogsmisdrijven begaan in de periode van voorjaar/begin zomer 2012 tot augustus 2012, zijn aan te merken als misdrijven tegen de menselijkheid als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag. Wel heeft hij weersproken dat hij zich direct of indirect schuldig zou hebben gemaakt aan de in het bestreden besluit genoemde mensenrechtenschendingen. Hij heeft enkel opdrachten uitgevoerd om demonstraties uit elkaar te drijven. Dit zijn werkzaamheden die tot de normale taak van de oproerpolitie behoren. Hij heeft geen demonstranten gearresteerd, noch gemarteld, noch mishandeld. Volgens eiser heeft verweerder zijn persoonlijke betrokkenheid bij dit soort handelingen geenszins aangetoond en beroept verweerder zich enkel op algemene bronnen. Eiser acht dit in strijd met de onschuldpresumptie van artikel 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest). Eiser heeft ook weersproken dat hij een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid. Verweerder heeft daarom eveneens ten onrechte geweigerd hem een verblijfsvergunning asiel te verlenen en zijn asielaanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Nu de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag ten onrechte heeft plaatsgevonden en hij geen gevaar vormt voor de openbare orde, heeft verweerder eiser eveneens ten onrechte een inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd. Daarnaast heeft eiser betoogd dat er humanitaire redenen zijn om van het opleggen van een inreisverbod af te zien. Omdat zijn echtgenote wel een verblijfsvergunning heeft, is het inreisverbod volgens eiser in strijd met artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft in de visie van eiser in zijn besluitvorming een categoriale toepassing gegeven aan artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Dit zal ertoe leiden dat hij voor het leven wordt uitgesloten van het maatschappelijk leven en van zijn familie- en gezinsleven. Geen enkel land buiten Nederland zal bereid zijn hem op te nemen teneinde hem in staat te stellen gezinsleven uit te oefenen. De in het kader van artikel 8 van het EVRM gemaakte belangenafweging heeft volgens eiser dan ook niet geresulteerd in de vereiste “fair balance”.

5. De rechtbank overweegt dat eiser, omdat tegen hem een inreisverbod met de rechtsgevolgen bedoeld in artikel 66a, zevende lid, van de Vw 2000 is uitgevaardigd, geen rechtmatig verblijf kan hebben. De beroepsgronden die eiser heeft ingediend, richten zich zowel tegen de afwijzing van eisers asielaanvraag, als tegen het uitgevaardigde inreisverbod. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 9 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:298), heeft een vreemdeling tegen wie een inreisverbod met de rechtsgevolgen als bedoeld in artikel 66a, zevende lid, van de Vw 2000 is uitgevaardigd, zolang dat inreisverbod voortduurt geen belang bij de beoordeling van het beroep tegen de afwijzing van een aanvraag om verlening of verlenging van een verblijfsvergunning, dan wel de intrekking van een zodanige vergunning. Dat beroep kan immers nimmer leiden tot het door die vreemdeling beoogde rechtmatig verblijf. Of verweerder de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel van de desbetreffende vreemdeling heeft kunnen afwijzen, kan – zoals de Afdeling heeft overwogen – ten volle aan de orde worden gesteld in het kader van de toetsing van het inreisverbod. De rechtbank ziet daarom aanleiding de gronden die eiser heeft gericht tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te bespreken in het kader van het beroep gericht tegen het inreisverbod.

6. Alvorens toe te komen aan de inhoudelijke beoordeling van dit beroep stelt de rechtbank vast dat op 27 oktober 2017 aanvullende beroepsgronden met bijlagen ter griffie zijn ontvangen. Het betreft onder meer een verwijzing naar verschillende internetvideo’s. Daarnaast heeft eiser schriftelijke stukken overgelegd ter onderbouwing van het door hem verrichte vrijwilligerswerk, alsmede een door hem zelf opgestelde verklaring. Deze stukken zijn ingediend buiten de in artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) gegeven termijn voor het indienen van nadere stukken, zijnde tien dagen vóór de zitting. In de uitnodiging van 13 juli 2017 is eisers gemachtigde op deze termijn gewezen. Ter zitting heeft eisers gemachtigde verklaard dat hij de desbetreffende stukken niet eerder van eiser gekregen heeft. Eiser zelf heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat hij de desbetreffende stukken reeds eerder in zijn bezit had, maar dacht dat hij deze niet nodig zou hebben. De rechtbank overweegt dat met die verklaringen niet aannemelijk is gemaakt dat eiser de desbetreffende stukken niet eerder in het geding had kunnen brengen. Nu verweerder echter geen bezwaar heeft gemaakt tegen het in het beroep betrekken van de desbetreffende stukken en de aard en omvang van de overgelegde stukken daar ook niet toe nopen, ziet de rechtbank geen aanleiding om de aanvullende gronden van 27 november 2017 wegens strijd met de goede procesorde niet bij de beoordeling van het onderhavige beroep betrekken.

7. Eiser heeft onder meer aangevoerd dat verweerder op geen enkele wijze heeft aangetoond dat hij zelf direct betrokken is geweest bij het soort handelingen waarmee verweerder hem in verband heeft gebracht. Volgens eiser is daar geen enkel bewijs voor en beroept verweerder zich enkel en alleen op algemene bronnen. Eiser acht die benadering van verweerder, die hij aanduidt als een categoriale benadering, strijdig met het Handvest, in het bijzonder met artikel 48 van het Handvest, waarin de onschuldpresumptie is opgenomen. Eiser heeft er in dit verband op gewezen dat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag is overgenomen in Richtlijn 2011/95/EU (de Definitierichtlijn), hetgeen met zich brengt dat een beroep kan worden gedaan op het Handvest waarin vergelijkbare bepalingen zijn opgenomen als in artikel 6 van het EVRM. Daarom kan volgens eiser worden geconcludeerd dat in zaken waarin artikel 1F aan de orde is, strafrechtelijke waarborgen, zoals de onschuldpresumptie, in acht moeten worden genomen. Eiser heeft in dit verband verwezen naar het NJBlog getiteld “Artikel 1F Vluchtelingenverdrag: een criminal charge?” van 3 mei 2015. In zijn visie is de uitsluitingsprocedure van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag inhoudelijk vergelijkbaar met een strafrechtelijke procedure en is uitsluiting op basis van het algemeen ambtsbericht in strijd met strafrechtelijke waarborgen, zoals de onschuldpresumptie.

8. De rechtbank volgt eiser niet in dit betoog. Voor de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag is niet een strafrechtelijke veroordeling van de betrokken vreemdeling vereist, laat staan dat deze veroordeling in rechte vaststaat. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld uit de uitspraak van 27 juni 2005, ECLI:NL: RVS:2005:AT8926), volgt dat verweerder de vraag of aan een vreemdeling artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag moet worden tegengeworpen zelfstandig moet beantwoorden. Daarbij dient verweerder in een zaak als de onderhavige de vraag te beantwoorden of de inhoud van het dossier de conclusie rechtvaardigt dat sprake is van “personal” en “knowing participation”. Deze vraag valt niet samen met de vraag of sprake is van strafrechtelijke aansprakelijkheid. In dit verband is van betekenis dat het Openbaar Ministerie niet ten aanzien van alle in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag genoemde misdrijven rechtsmacht heeft en voorts dat om redenen van opportuniteit van vervolging kan worden afgezien. Verweerder heeft dan ook in het bestreden besluit terecht geconcludeerd dat de bestuursrechtelijke bewijsmaatstaf verschilt van de strafrechtelijke bewijsmaatstaf en dat handelingen in de zin van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag niet hoeven te worden bewezen volgens de in het strafrecht gehanteerde en in een onherroepelijk strafvonnis neergelegde bewijsmaatstaf. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 10 juli 2014 (ECLI:NL:RBDHA:2014:8498;8504 en 8500) en ziet geen grond om in het onderhavige geval van eiser tot een andersluidend oordeel te komen.

9. De rechtbank vindt voor dit oordeel ook steun in het Handbook on Procedures and Criteria for Determining Refugee Status under the 1951 Convention and the 1967 Protocol relating to the Status of Refugees van de UNHCR. Hierin is over artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

The competence to decide whether any of these exclusion clauses are applicable is incumbent upon the Contracting State in whose territory the applicant seeks recognition of his refugee status. For these clauses to apply, it is sufficient to establish that there are “serious reasons for considering” that one of the acts described has been committed. Formal proof of previous penal prosecution is not required.

Ook uit artikel 48 van het Handvest, waarin is bepaald dat eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan, kan niet worden afgeleid dat voor de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag een onherroepelijk strafvonnis vereist is, reeds omdat dit artikel in deze zaak toepassing mist. De afwijzing van eisers aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met toepassing van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag vormt immers niet “een vervolging” als bedoeld in dit artikel. De rechtbank concludeert dan ook dat het bestreden besluit geen inbreuk maakt op de in artikel 6, tweede lid, van het EVRM neergelegde onschuldpresumptie.

10. Ten aanzien van de vraag of verweerder zich op grond van de inhoud van eisers dossier terecht op het standpunt heeft gesteld dat bij eiser sprake is van “personal” en “knowing participation” en zodoende het bepaalde in artikel 1(F), aanhef en onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag terecht aan eiser heeft tegengeworpen, overweegt de rechtbank als volgt.

11. Ingevolge artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, voor zover hier van belang, zijn de bepalingen van het Verdrag niet van toepassing op een persoon, ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:

a. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;

b. hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten.

12. Ingevolge artikel 3.107, eerste lid, van het Vb 2000 wordt onder een persoon als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag mede verstaan een persoon die heeft aangezet tot of anderszins heeft deelgenomen aan de in dat artikel genoemde misdrijven of daden.

Ingevolge artikel 3.107, tweede lid, van het Vb 2000 wordt, indien artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag aan het verlenen van een verblijfsvergunning krachtens artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 in de weg staat, aan de desbetreffende vreemdeling evenmin een verblijfsvergunning verleend op één van de andere gronden bedoeld in artikel 29 van de Vw 2000.

13. Volgens paragraaf C2/7.10.2.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) dient verweerder voor tegenwerping van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag aan te tonen dat er “ernstige redenen” zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling verantwoordelijk gehouden kan worden voor één van de misdrijven zoals bedoeld in dit artikel. Indien verweerder “ernstige redenen” heeft aangetoond, moet de vreemdeling dit gemotiveerd weerleggen, om toepassing van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag te voorkomen. Om te bepalen of de vreemdeling verantwoordelijk kan worden gehouden voor misdrijven en daden als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, onderzoekt verweerder volgens voornoemd beleid of de vreemdeling weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijf (“knowing participation”) en of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (“personal participation”).

Er is volgens voornoemd beleid in ieder geval sprake van “knowing participation” bij de vreemdeling in één van de volgende situaties:

a. de vreemdeling heeft gewerkt bij een organisatie, waarvan verweerder heeft aangetoond dat deze organisatie op systematische wijze en/of op grote schaal zich schuldig heeft gemaakt aan misdrijven die genoemd worden in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag;

b. de vreemdeling heeft behoord tot een groep die door verweerder is aangewezen als groep waarop in de regel artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is; of

c. de vreemdeling heeft deelgenomen aan handelingen, waarvan hij wist of had moeten weten dat het misdrijven betrof zoals bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag.

Volgens dit beleid is sprake van “personal participation” in tenminste één van de volgende situaties:

a. de vreemdeling heeft een misdrijf als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag gepleegd;

b. de vreemdeling heeft opdracht gegeven tot, of onder zijn verantwoordelijkheid is een misdrijf als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag gepleegd;

c. de vreemdeling heeft een misdrijf als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag gefaciliteerd; of

d. de vreemdeling behoort tot een groep die door verweerder is aangewezen als groep die in de regel artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag tegengeworpen krijgt.

14. Wat betreft de “knowing participation” heeft verweerder eiser zowel tegengeworpen dat hij bij een organisatie heeft gewerkt die op systematische wijze en/of op grote schaal 1(F)- misdrijven heeft gepleegd (de in C2/7.10.2.4, aanhef en onder a, van de Vc 2000 genoemde situatie), als dat hij heeft deelgenomen aan handelingen waarvan hij wist of had behoren te weten dat het hier om misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag ging (de in C2/7.10.2.4, aanhef en onder c, van de Vc 2000 genoemde situatie). In dit kader heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat uit (de in het voornemen nader genoemde) gezaghebbende en vrij toegankelijke rapportages naar voren komt dat onder meer de Syrische veiligheidsdiensten bij het neerslaan dan wel onderdrukken van vreedzame demonstraties misdrijven tegen de menselijkheid hebben begaan. Verder komt volgens verweerder uit die rapportages naar voren dat onder meer de Syrische veiligheidsdiensten op systematische wijze en/of op grote schaal misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag hebben gepleegd in de periode dat eiser deel uitmaakte van de orde- en handhavingsdienst/ oproerpolitie Haf(i)z al-Nizam, ook wel bekend als Fad a Shaghab. De eenheid waartoe eiser behoorde heeft in opdracht van de veiligheidsdienst Al Alm Al Dakhille en vanaf april/mei 2012 als zelfstandig bataljon (Katibeh Hifaz al-Nizam) in samenwerking met de veiligheidsdiensten deelgenomen aan het gewelddadig neerslaan van vreedzame demonstraties, alsmede het arresteren van demonstranten in Rif Damascus in de periode januari 2012 tot augustus 2012, waarbij arrestanten (zwaar) zijn mishandeld, gedood, gevangen genomen en gemarteld. Voorts heeft verweerder in aanmerking genomen dat uit eisers verklaringen is gebleken dat hij zich op verschillende momenten bewust was, dan wel moet zijn geweest, van het misdadig handelen van zijn eenheid, maar hij desondanks zijn deelname aan deze eenheid niet heeft beëindigd. Ook heeft verweerder geconcludeerd dat eiser niet heeft aangetoond dat er in zijn individuele geval sprake is van een significante uitzondering. Volgens verweerder moet uit eisers verklaringen worden afgeleid dat hij zich ervan bewust is geweest dat het Syrische regime in genoemde periode buitensporig geweld heeft gebruikt tegen demonstranten, alsmede dat gevangen genomen demonstranten zwaar zijn mishandeld en aansluitend gedetineerd zijn. Dat er in Syrië ernstige mensenrechtenschendingen worden begaan tegen gedetineerde tegenstanders van het Syrische regime, moet eiser volgens verweerder voorts als Syrisch burger bekend zijn geweest.

15. Eiser heeft onder verwijzing naar artikel 30, eerste en derde lid, van het Statuut van Rome aangevoerd dat hij in de relevante periode geen wetenschap had van het feit dat de door de veiligheidsdienst gearresteerde personen werden gemarteld dan wel anderszins onmenselijk werden behandeld. Hij blijft erbij dat hij op het moment van de demonstraties, te weten in de periode van januari 2012 tot augustus 2012, gelet op zijn taak, zijnde het verdrijven van de demonstraties, niet wist dat het “de gewone loop van de gebeurtenissen” was dat mensen in detentie zouden worden gemarteld of vermoord. Dit werd hem eerst aan het einde van genoemde periode bekend. In de visie van eiser heeft verweerder onvoldoende onderbouwd waarom dit niet aannemelijk wordt geacht. De door verweerder aangehaalde documentatie dateert van na augustus 2012, zodat niet van eiser verwacht mag worden dat de inhoud daarvan hem in de genoemde periode bekend had moeten zijn. Subsidiair heeft eiser aangevoerd dat in zijn geval wel degelijk sprake is van een significante uitzondering op de regel dat hij wetenschap zou hebben gehad of had moeten hebben van het plegen van bedoelde misdrijven. Hij maakte weliswaar onderdeel uit van de orde en handhavingsdienst/ oproerpolitie, maar voerde geen andere orders uit dan het uiteendrijven van demonstranten. Hij wist niet dat burgers die tijdens demonstraties en het uiteen slaan daarvan door de veiligheidsdienst werden gearresteerd, door die dienst gemarteld of anderszins onmenselijk bejegend zouden worden en had dit ook niet hoeven te veronderstellen.

16. De rechtbank overweegt dat het merendeel van de door verweerder gehanteerde bronnen betrekking heeft op de Syrische veiligheidsdiensten en dat slechts twee van die bronnen expliciet betrekking hebben op de oproerpolitie waartoe eiser heeft behoord. Hoewel uit eisers verklaringen kan worden opgemaakt dat de eenheid waartoe hij behoorde, aanvankelijk in opdracht van de veiligheidsdienst en vanaf april/mei 2012 als zelfstandig bataljon in samenwerking met de veiligheidsdiensten, heeft deelgenomen aan het gewelddadig neerslaan van vreedzame demonstraties in Rif Damascus, is de rechtbank van oordeel dat de onlosmakelijke samenhang tussen de veiligheidsdiensten en de oproerpolitie bij het plegen van bedoelde mensenrechtenschendingen die in de onderhavige besluitvorming besloten ligt, niet uit de door verweerder aangehaalde bronnen naar voren komt. In die zin is de rechtbank van oordeel dat verweerder – binnen de gegeven bewijslastverdeling – onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser heeft gewerkt bij een organisatie, waarvan is aangetoond dat deze organisatie op systematische wijze en/of op grote schaal zich schuldig heeft gemaakt aan misdrijven die genoemd worden in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Voor zover verweerder de “knowing participation” heeft gebaseerd op de onder a genoemde situatie van paragraaf C2/7.10.2.4 van de Vc 2000 kan dit derhalve geen stand houden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder echter wel toereikend gemotiveerd dat de in dit beleid onder c genoemde situatie op eiser van toepassing is. De rechtbank wijst in dit kader in het bijzonder op eisers verklaringen tijdens het aanvullend gehoor van 8 juni 2016 over wat er tijdens zo’n demonstratie gebeurde (pagina’s 9 en 10 van het aanvullend gehoor).

Zo verklaart eiser op pagina 9 het volgende:

Vraag gehoormedewerker: “Hoe ging dat?”

Eiser antwoordt:

“We renden en sloegen met onze wapenstokken op onze schilden om herrie te maken. Als [de demonstranten] bleven staan, dan had de hulpofficier een soort traangas bij zich dat hij afschoot. Op het moment dat ze door dat traangas uit elkaar gingen, bleven we achter hen aangaan. Dan gingen ze alle straten in en daar zat de politieke veiligheidsdienst. En tussen de demonstranten waren er mollen van de politieke veiligheidsdienst en aan de hand van informatie arresteerden ze mensen of niet.”

En op pagina 10 van het aanvullend gehoor:

Gehoormedewerker: “Op het moment dat ze bij de politieke veiligheidsdienst kwamen, werden ze opgepakt?”

Eiser: “Nee, niet iedereen.”

Gehoormedewerker: “Wat werd er met de demonstranten gedaan?”

Eiser: “Wat wij zagen wat er gebeurde, was dat zij werden geslagen en beledigd en ook toen ze in de auto zaten. Wat er daarna gebeurde hebben wij niet gezien. Er zijn mensen waarvan niemand weer waar ze zijn, tot op de dag van vandaag. Er zijn families die al vijf jaar niet weten waar hun familielid is. Er zijn veel mensen omgekomen en op internet zijn veel foto’s te vinden van mensen die zijn omgekomen.”

Reeds gezien deze verklaringen heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser heeft deelgenomen aan handelingen, waarvan hij wist of had moeten weten dat het misdrijven betrof zoals bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder de in voornoemd beleid onder c genoemde situatie terecht van toepassing heeft geacht en op grond daarvan ten aanzien van eiser terecht “knowing participation” heeft aangenomen.

17. Ten aanzien van verweerders standpunt dat in het geval van eiser sprake is van “personal participation” overweegt de rechtbank dat verweerder de in het beleid onder c genoemde situatie op eiser van toepassing heeft geacht. Volgens verweerder heeft eiser een misdrijf als bedoeld in artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag gefaciliteerd, dat wil zeggen dat zijn handelen of nalaten in wezenlijke mate heeft bijgedragen aan het misdrijf. Uit de verklaringen van eiser en de eerdergenoemde bronnen inzake het neerslaan dan wel onderdrukken van demonstraties in de desbetreffende periode, moet volgens verweerder worden afgeleid dat eiser regelmatig en gedurende een langere periode deel heeft uitgemaakt van een eenheid die primair tot taak had om demonstraties neer te slaan dan wel te onderdrukken, alsmede om demonstranten te arresteren. Uit eisers verklaringen blijkt dat, en op welke wijze, de orde- en handhavingsdienst/oproerpolitie bij het neerslaan van demonstraties in genoemde periode nauw samenwerkte met de veiligheidsdiensten. De bijdrage van de eenheid van eiser aan het neerslaan van de demonstraties vormde volgens verweerder een onlosmakelijk deel van het geweld dat tegen de demonstranten is gebruikt. Dit geweld heeft volgens verweerder niet alleen bestaan uit slaan en zwaar mishandelen, maar ook uit geweervuur met zware verwondingen en dodelijke slachtoffers tot gevolg. Gearresteerde demonstranten werden (zwaar) mishandeld, en later gemarteld of gedood. Waar eiser bij herhaling het woord “schild” heeft gebruikt bij de uitleg van het doel van de aanwezigheid van zijn eenheid, lijkt de term “stoottroep” volgens verweerder meer op zijn plaats. Door de demonstranten te provoceren en achter hen aan te gaan en de demonstranten in de armen van de veiligheidsdienst te drijven, is dat handelen volgens verweerder onderdeel geweest van het toepassen van (dodelijk) geweld door de gewapende veiligheidstroepen die zich achter, tussen of naast de leden van een dergelijke stoottroep bevonden. Ook is volgens verweerder zeer aannemelijk te achten dat de leden van een dergelijke stoottroep op verschillende manieren behulpzaam zullen zijn geweest bij het bedwingen en arresteren van demonstranten. Weliswaar kan uit de verklaringen van eiser niet worden afgeleid welke specifieke handelingen hij tijdens het onderdrukken van de demonstraties in concreto heeft verricht, maar dit laat onverlet dat hij gedurende een langere periode deel heeft uitgemaakt van een eenheid met een duidelijk omschreven doel, en hij om die reden als mededader van de genoemde misdrijven kan worden beschouwd”, aldus verweerder.

18. Door in wezenlijke mate bij te dragen aan het mogelijk maken van de misdrijven wordt eiser geacht daadwerkelijk hieraan te hebben deelgenomen. Verweerder heeft in dit verband gewezen op de uitspraak van het Joegoslavië-tribunaal in de Tadic-zaak. In die uitspraak is overwogen dat een verdachte strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn handelen, wanneer is komen vast te staan dat hij bewust deelnam aan het begaan van een misdrijf en indien zijn deelname een rechtstreekse en wezenlijke invloed had op het begaan van het misdrijf door zijn daadwerkelijke steun hieraan gedurende, voorafgaande aan, of volgend op een misdrijf. Onder wezenlijke invloed verstaat het Joegoslavië-tribunaal volgens verweerder dat de bijdrage een feitelijk effect heeft gehad op het begaan van het misdrijf en dat het misdrijf hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze zou hebben plaatsgevonden indien niemand de rol van de verdachte had vervuld. Door een wezenlijke bijdrage te leveren aan de gepleegde misdrijven moet eiser hier mede verantwoordelijk voor worden gehouden en dus als mededader worden beschouwd. Verweerder heeft daarbij in aanmerking genomen dat het zeer onwaarschijnlijk wordt geacht dat eiser zich steeds heeft kunnen onttrekken aan deelname aan het gewelddadig neerslaan en onderdrukken van demonstraties en zelf nimmer geweld tegen demonstranten heeft gebruikt. Volgens verweerder heeft eiser steeds getracht het beeld te schetsen van een zeer passieve aanwezigheid bij de demonstraties in Rif Damascus in de periode van januari 2012 tot augustus 2012 en de daarop volgende arrestaties en detenties, zonder enige actieve rol bij de gepleegde misdrijven als hiervoor genoemd. Omdat eiser op vragen over de invulling van zijn afwezigheid bij demonstraties echter geen aannemelijke antwoorden heeft gegeven, heeft verweerder geconcludeerd dat eiser het daadwerkelijke doel van zijn aanwezigheid, en zijn daadwerkelijke handelingen tijdens de demonstraties en de daarop volgende arrestaties en detenties, heeft trachten te verhullen. Op vragen over de invulling van zijn aanwezigheid bij de demonstraties heeft eiser volgens verweerder geen aannemelijke antwoorden gegeven. Dit geldt volgens verweerder te meer nu deze ook tegenstrijdig zijn met de eerder door eiser afgelegde verklaringen.

19. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder in strijd met de in zijn visie toepasselijke onschuldpresumptie voorbij gaat aan het feit dat hij middels zijn handelen geen wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de door het Syrische regime gepleegde mensenrechtenschendingen en hij om die reden daar niet persoonlijk voor verantwoordelijk kan worden gehouden. Hij tekent hierbij aan dat verweerder hiertoe slechts algemene informatie uit openbare bronnen heeft gehanteerd die niet tot zijn persoon te herleiden is. Het enkel verwijzen naar openbare bronnen levert in de visie van eiser geen bewijs dat hij persoonlijk betrokken is geweest bij de bedoelde mensenrechtenschendingen.

20. De rechtbank stelt voorop dat volgens de toepasselijke bewijslastverdeling de bewijslast om aan te tonen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser verantwoordelijk kan worden gehouden voor één van de misdrijven zoals bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag primair bij verweerder rust. De rechtbank stelt vervolgens vast dat het door verweerder aangenomen onlosmakelijke verband tussen de veiligheidsdienst en oproerpolitie als zodanig niet uit de door verweerder gehanteerde openbare bronnen (die in overwegende mate handelen over het optreden van de veiligheidsdienst) naar voren komt. Ter zitting heeft verweerder de in de besluitvorming vervatte verwevenheid tussen het optreden van de veiligheidsdienst enerzijds en de oproerpolitie waarvan eiser als dienstplichtig militair onderdeel van uitmaakte anderzijds, desgevraagd nader toegelicht. Uit die toelichting komt naar voren dat de relatie tussen beide diensten er volgens verweerder een is van communicerende vaten. Volgens verweerder bestaat er alleen al gezien de aard van het optreden een onlosmakelijk verband tussen beide diensten, in die zin dat zonder de inzet van de oproerpolitie de arrestatie en detentie van demonstranten volgens verweerder niet had kunnen plaatsvinden. Daarbij heeft verweerder aangetekend dat het niet zo kan zijn dat de individuele verantwoordelijkheid zou wegvallen in geval van handelen als groep, tenzij eiser aannemelijk zou maken dat hij zich door zijn handelen buiten de groep heeft geplaatst.

21. De rechtbank is van oordeel dat ook met deze nadere toelichting niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat er in het kader van de onderhavige besluitvorming geen enkel onderscheid zou hoeven te worden gemaakt tussen het optreden van de veiligheidsdienst en dat van de oproerpolitie. Voor zover de gestelde onlosmakelijke samenhang van het optreden van beide diensten al zou moeten worden aangenomen, heeft verweerder in zijn besluitvorming evenmin onderscheid gemaakt tussen de verschillende rangen en rollen binnen de oproerpolitie. Dit klemt te meer nu de verklaringen die eiser heeft afgelegd daar wel aanleiding toe geven. Zo heeft eiser tijdens het aanvullend gehoor (p. 6) het volgende verklaard:

Eiser: “We hadden de dienstplichtige soldaten, beroepssoldaten, hulpofficieren en officieren als groepen.

Gehoormedewerker: “Waren de beroepsmilitairen en dienstplichtige militairen niet gemengd?”

Eiser: “Ja, omdat de dienstplichtige militairen geen wapens mochten dragen.”

Gehoormedewerker: “Zat u in een groep?”

Eiser: “Bij een opdracht heb je een beroepsmilitair, een hulpofficier en een officier bij je.”

Gehoormedewerker: “Hoeveel manschappen zaten er in zo’n groep?”

Eiser: “Een groep bestond uit vijftig man. In totaal waren er vier tot zes beroepsmilitairen in een groep, een hulpofficier en een officier. De rest was dienstplichtig militair. Soms gingen er wel twee tot drie bussen naar dezelfde plek.”

22. De rechtbank is onder de aldus gegeven omstandigheden van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht en gemotiveerd dat eiser persoonlijk een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de door de veiligheidsdienst gepleegde mensenrechtenschendingen. Dit klemt temeer nu uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 9 november 2011 inzake Duitsland tegen B. en D. (ECLI:EU:C:2010:661) volgt dat een persoon, zelfs als die heeft behoord tot een organisatie die terroristische methoden toepast, slechts van de vluchtelingenstatus kan worden uitgesloten na een individueel onderzoek van specifieke feiten waaruit kan worden opgemaakt of er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat deze persoon in het kader van zijn activiteiten binnen die organisatie een misdrijf als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag heeft begaan of anderszins daaraan heeft deelgenomen. De enkele omstandigheid dat de betrokken persoon tot een dergelijke (terroristische) organisatie heeft behoord, heeft, aldus het Hof, niet automatisch tot gevolg dat deze persoon van de vluchtelingenstatus moet worden uitgesloten. Uit het bestreden besluit blijkt onvoldoende dat verweerder een dergelijk onderzoek, toegespitst op het optreden van de oproerpolitie in de periode van januari 2012 tot augustus 2012, heeft verricht. Zonder dat feitelijk duidelijk is welke rol en positie dienstplichtige soldaten zoals eiser innamen binnen de oproerpolitie, kan naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer worden geconcludeerd dat de bijdrage van eiser een feitelijk effect heeft gehad op het begaan van bedoelde mensenrechtenschendingen door de Syrische veiligheidsdienst en dat die misdrijven in de bewuste periode hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze hadden plaatsgevonden indien niemand de rol van eiser had vervuld. Zonder die informatie kan evenmin worden beoordeeld of eiser zijn aandeel in de gebeurtenissen heeft proberen te verhullen. De rechtbank concludeert dan ook dat verweerders standpunt dat ten aanzien van eiser sprake is van “personal participation” niet berust op een voldoende draagkrachtige motivering. Dit betekent ook dat de in de onderhavige besluitvorming vervatte tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag geen stand kan houden.

23. Nu verweerder zowel aan de afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel als aan het inreisverbod het bepaalde in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag ten grondslag heeft gelegd, lijdt het besluit op beide onderdelen aan het hiervoor geconstateerde zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. Aan de vragen of het tegen eiser uitgevaardigde inreisverbod wel of niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM en of humanitaire omstandigheden aan het opleggen van het inreisverbod in de weg zouden staan, komt de rechtbank niet meer toe.

24. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van het gestelde in deze uitspraak.

25. De rechtbank acht voorts termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van zijn beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het bijwonen van de zitting bij de rechtbank, met een waarde per punt van € 501,- en wegingsfactor 1,0). Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1002,- (wegens kosten van rechtsbijstand), te vergoeden aan eiser.

Aldus vastgesteld door mr. R.M.M. Kleijkers, voorzitter, en mr. N.J.J. Derks-Voncken en mr. A.A.M.J. Smulders, leden, in aanwezigheid van mr. E.M.J. Clermonts, griffier.

De uitspraak is openbaar gemaakt op 13 maart 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 13 maart 2018

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt één week na de datum van verzending van deze uitspraak.