Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:3011

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-03-2018
Datum publicatie
01-05-2018
Zaaknummer
6549808/17-50715
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

toekenning transitievergoeding en toekenning volledige vergoeding ex 7:672 lid 9 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0527
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Gravenhage

EWDH

Repnr.: 6549808/17-50715

uitspraakdatum: 14 maart 2018

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekende partij,

verwerende partij inzake het zelfstandig tegenverzoek van verweerders sub 1 en 2,

verder ook te noemen: [werknemer] ,

gemachtigde: mr. M.J. Aantjes,

tegen

1 de maatschap [MB] ,
kantoorhoudende te Den Haag, verder te noemen: MB,
2. de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Okkie Noordwijk B.V.,
gevestigd te Noordwijk, verder ook te noemen: Okkie,
verwerende partijen, tevens verzoekende partijen inzake een zelfstandig tegenverzoek,
gemachtigde: mr. W. de Jong,
3. de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Caami B.V.,
gevestigd te Voorschoten, verder ook te noemen Caami,

verwerende partij,
gemachtigde: mr. L.M. Baeten.

1 Procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende processtukken, waaruit tevens het procesverloop blijkt:
- het verzoekschrift van [werknemer] , ingekomen ter griffie op 22 december 2018, met producties;
- de wijzigingen van eis van [werknemer] , ingekomen ter griffie op 25 januari 2018, met de op 26
januari 2018 ingekomen producties;
- het verweerschrift tevens houdende tegenverzoek van MB en Okkie, ingekomen ter griffie
op 5 februari 2018, met producties;
- het verweerschrift van Caami, ingekomen ter griffie op 6 februari 2018, met producties;

- de aantekeningen van de griffier van het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling
op 12 februari 2018 en de daarbij door partijen overgelegde pleitaantekeningen.

2 Feiten

De kantonrechter gaat op grond van de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge

behandeling van het volgende uit.

2.1

In 1978 is opgericht de maatschap [MB] (MB), waarin een accountants- en belastingadviesbureau wordt gedreven met zowel zakelijke als particuliere klanten. De Maatschap is een accountantsorganisatie in de zin van de Wet toezicht accountantsorganisaties (Wta) en beschikt over een vergunning van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) als bedoeld in Afdeling 2.1 van de Wta.

2.2

Op [2009] is [werknemer] als [functie] in dienst getreden van MB. Zijn salaris bedroeg laatstelijk € [xx] bruto per maand, exclusief 8% vakantiegeld. In zijn arbeidsovereenkomst is in artikel 5 bepaald dat het [werknemer] verboden is om op straffe van een boete van € 250,00 per dag, zonder toestemming van MB binnen 3 jaar na het einde van de dienstbetrekking:
-werkzaamheden te verrichten voor een cliënt van MB voor wie hij bij MB werkzaam is geweest
-te gaan samenwerken met een van de werknemers met wie hij tijdens de werkzaamheden heeft samengewerkt.

2.3

In 2016 heeft [werknemer] zijn opleiding tot Register Accountant afgerond en in [2017] is hij in het accountantsregister ingeschreven als Accountant RA.

2.4

Vanaf 1 januari 2017 bestond de Maatschap uit twee maten, te weten:
-Caami, waarvan de heer [betrokkene 1] (hierna: ‘ [betrokkene 1] ’) [functie] is;
-Okkie, waarvan de heer [betrokkene 2] (hierna: ‘ [betrokkene 2] ’) [functie] is.

2.5

[betrokkene 1] en [betrokkene 2] voerden binnen de Maatschap respectievelijk een praktijk als belastingadviseur en registeraccountant. Uit artikel 5.3 van de maatschapsovereenkomst vloeit voort dat besluiten die betrekking hebben op het inhoudelijke beleid van de accountantspraktijk enkel door [betrokkene 2] worden genomen.

2.6

In 2017 is onenigheid ontstaan tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en besloten zij hun samenwerking te beëindigen. In dat kader hebben zij onder meer gesproken over een verdeling van de klantenlijst en van het personeel. Begin oktober 2017 heeft [werknemer] aan [betrokkene 2] laten weten dat hij geen toekomst voor zichzelf zag bij MB en dat hij naar GBA Accountants & Adviseurs (verder: GBA) zou gaan. [betrokkene 1] heeft begin oktober 2017 aan [betrokkene 2] meegedeeld dat hij samen met o.m. [werknemer] wilde verder gaan bij GBA. [betrokkene 2] heeft daartegen geen bezwaar gemaakt. Nadien hebben [betrokkene 1] en [betrokkene 2] besloten dat Okkie de onderneming van MB per 31 december 2017 zou voortzetten en dat Caami met o.a. [werknemer] haar praktijk elders zou voortzetten. Eind oktober 2017 hebben [betrokkene 1] en [betrokkene 2] overeenstemming bereikt over de verdeling van de klanten.

2.7

Op 28 november 2017 heeft MB [werknemer] op non-actief gesteld en hiervan mededeling gedaan aan haar werknemers.

2.8

Op 1 december 2017 heeft MB bij een door haar advocaat verzonden e-mail aan [werknemer] bericht dat hij op staande voet is ontslagen wegens geconstateerde overtredingen van interne voorschriften, bestaande uit het onbevoegd ondertekenen en versturen van een vijftal jaarrekeningen en het op briefpapier van GBA, een rechtstreekse concurrent van MB, uitbrengen van offertes aan Else B.V. en Stichting [stichting] , klanten van MB. In het bericht staat ook dat MB aanspraak maakt op de contractueel overeengekomen boete bij overtreding van artikel 5 van de arbeidsovereenkomst.

2.9

Bij e-mail van 4 december 2017 heeft de advocaat van MB aan [werknemer] bericht dat eveneens is geconstateerd dat [werknemer] vertrouwelijke klantgegevens en dossiers van klanten van de Maatschap aan GBA ter beschikking heeft gesteld.

2.10

[betrokkene 2] heeft bij brief van 11 december 2017 van het onder 2.8 bedoelde handelen van [werknemer] melding gemaakt bij de AFM.

2.11

[werknemer] is per 1 januari 2018 in dienst getreden van GBA.

3 Het verzoek van [werknemer] en het daartegen gevoerde verweer

3.1

[werknemer] verzoekt, na (zowel schriftelijk als mondeling) zijn verzoek te hebben gewijzigd, verkort weergegeven:
primair:
I verwerende partijen hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [werknemer] van de billijke vergoeding conform artikel 7:681 BW ter hoogte van € 40.000,00 bruto;
II verwerende partijen hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [werknemer] van een vergoeding gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren, dan wel van rechtswege zou zijn geëindigd, zijnde € 21.043,80 bruto;
III verwerende partijen hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [werknemer] van een transitievergoeding conform artikel 7:673 BW ad € 19.875,00 bruto;
IV verwerende partijen hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [werknemer] van de bonus ad € 9.417,00 bruto;
V verwerende partijen hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [werknemer] van de wettelijke eindafrekening, bestaande uit niet-genoten vakantiedagen en opgebouwd vakantiegeld tot aan de datum uitdiensttreding;
subsidiair (voor het geval de arbeidsovereenkomst is geëindigd door het ontslag op staande voet):
verwerende partijen hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [werknemer] van een vergoeding wegens het in stand houden van het beding in artikel 5 van de arbeidsovereenkomst in de periode van 1 – 31 december 2017;
primair en subsidiair:
verwerende partijen te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de hiervoor genoemde bedragen vanaf het opeisbaar worden ervan tot de dag der algehele voldoening, en tot betaling van (zo begrijpt de kantonrechter) de proceskosten inclusief een bedrag aan salaris voor zijn gemachtigde.

3.2

Aan zijn verzoek legt [werknemer] naast de hiervoor onder 2 vermelde feiten het volgende ten grondslag, verkort weergegeven.

3.2.1

Een dringende reden voor het ontslag op staande voet was er niet. Als accountant RA was hij immers bevoegd zelfstandig jaarrekeningen te tekenen. Ook andere RA’s en AA’s die geen vennoot zijn ondertekenen binnen MB jaarrekeningen. Een interne procedure op dit punt ontbreekt. De door hem ondertekende jaarrekeningen betroffen cliënten die met [betrokkene 1] zouden meegaan naar GBA. Het dossier van deze cliënten kende [werknemer] goed en hij had ook de slotbespreking met hen gevoerd. Het ontslag is ook niet onverwijld verleend, want [betrokkene 2] wist al geruime tijd dat [werknemer] enkele jaarrekeningen had getekend. Hij doet dit namelijk al vanaf 31 oktober 2017 in alle openheid. Op basis van de door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] gemaakte, schriftelijk vastgelegde, afspraken en de door [betrokkene 1] aan hem gedane mededelingen mocht hij erop vertrouwen dat hij:

-door [betrokkene 1] opgestelde brieven aan de met [betrokkene 1] meegaande klanten mocht
medeondertekenen;
-die klanten offertes mocht sturen;

-hij aan GBA dossiers en informatie betreffende die cliënten mocht sturen en dat die cliënten daarmee akkoord waren.

Daarbij handelde [werknemer] niet uit eigen belang. Daarnaast heeft MB op onrechtmatige wijze bewijs verkregen van het sturen van dossiers en informatie aan GBA door de computer, data en bestanden van [werknemer] te onderzoeken.

3.2.2

Nu de opzegging in strijd met artikel 7:761 BW is geschied maakt [werknemer] aanspraak op de fictieve schadevergoeding ex artikel 7:672 lid 10 BW en een billijke vergoeding. MB heeft ernstig verwijtbaar gehandeld door een niet rechtsgeldig ontslag op staande voet te verlenen, en de non-actiefstelling en het ontslag binnen MB te communiceren. Daarnaast is de bij de AFM gedane melding zeer schadelijk voor [werknemer] .

3.2.3

[betrokkene 2] stelt dat [werknemer] artikel 5 van de arbeidsovereenkomst in december 2017 heeft overtreden, maar dat heeft [werknemer] niet gedaan. Daarom heeft [werknemer] belang bij schorsing van het beding. Okkie heeft geen belang bij handhaving van het beding omdat hij het beding vanaf 1 januari 2018 heeft laten vervallen.

3.2.4

Alle jaren heeft [werknemer] een bonus ontvangen van MB. Het lag voor de hand dat hij deze ook over 2017 zou ontvangen. Uit de mail van [betrokkene 2] aan [betrokkene 1] van 26 november 2017 volgt dat [betrokkene 2] voorstelt om aan [werknemer] een bonus te verstrekken voor zijn werkzaamheden in 2017 van € 9.417,00 bruto. Daarom maakt [werknemer] aanspraak op deze bonus. Er is geen reden om hem vanwege verminderde productiviteit een lagere bonus toe te kennen. Tot en met september is hij gemiddeld 69% productief geweest.

3.3

MB en Okkie voeren het volgende tot verweer aan.
Op 27 november 2017 bleek dat [werknemer] een vijftal jaarrekeningen had getekend. Het was [werknemer] binnen MB nog niet toegestaan om dit zelfstandig te doen, zoals ook valt op te maken uit het beoordelingsformulier d.d. 28 november 2016.
Op 8 november 2017 heeft [werknemer] op briefpapier van GBA offertes getekend en uitgestuurd aan klanten van MB; hij heeft ook onjuiste mededelingen gedaan over MB aan klanten en geprobeerd de klant [klant] onder valse voorwendselen te bewegen over te stappen naar GBA. Ook heeft [werknemer] integrale, vertrouwelijke klantendossiers van MB gestuurd aan GBA. Dit handelen is onrechtmatig jegens MB en Okkie, in strijd met goed werknemerschap en in strijd met artikel 6 van de arbeidsovereenkomst, dat [werknemer] verplicht tot geheimhouding. Anders dan [werknemer] betoogt hebben Okkie en Caami nooit overeenstemming bereikt over de verdeling en splitsing. [werknemer] heeft door het ontslag geen schade geleden; toekenning van de transitievergoeding en een billijke vergoeding is daarom in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Het voorstel van [betrokkene 2] inzake de bonus is achterhaald door de gebeurtenissen erna.

3.4

Caami betoogt dat de verzoeken van [werknemer] moeten worden afgewezen voor zover zij zijn gericht tegen Caami. Daartoe voert zij het volgende aan, zakelijk weergegeven. Sinds 1 januari 2018 maakt Caami geen deel meer uit van MB. Caami is niet betrokken geweest bij het ontslag. De consequenties ervan moeten daarom voor rekening van Okkie komen. De positie van [werknemer] is tot inzet gemaakt in het geschil tussen Okkie en Caami over de afwikkeling van de maatschap. [werknemer] heeft telkens gehandeld conform de tussen Okkie en Caami gemaakte afspraken en te allen tijde met medeweten van Caami. De door Okkie gestelde dringende reden voor ontslag onderschrijft Caami daarom niet.

4 Het tegenverzoek van MB en Okkie en het verweer van [werknemer]

4.1

MB en Okkie verzoeken [werknemer] te veroordelen tot betaling van een vergoeding conform art.7:677 lid 2 BW ad € 6.495,00, met de wettelijke rente daarover vanaf het opeisbaar worden van het bedrag tot de dag der algehele vergoeding, en veroordeling van [werknemer] in de proceskosten, waaronder begrepen een bedrag aan salaris voor de gemachtigde van MB en Okkie.

4.2

[werknemer] voert daartegen tot verweer aan dat hij deze vergoeding niet verschuldigd is omdat van een dringende reden voor ontslag geen sprake is, en omdat de dringende reden niet is veroorzaakt of de schuld is van [werknemer] .

5 Beoordeling van het verzoek van [werknemer]

5.1

Allereerst dient beoordeeld te worden of het gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven en of aan [werknemer] een billijke vergoeding, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding moet worden toegekend. [werknemer] heeft het verzoek hiertoe tijdig ingediend, want het verzoek is ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.

5.2

[werknemer] stelt dat aan het besluit om hem te ontslaan geen maatschapsbesluit ten grondslag ligt en dat [betrokkene 2] niet bevoegd was om hem te ontslaan. [werknemer] heeft aan deze stelling echter geen gevolgen verbonden. Ter zitting heeft [werknemer] immers verklaard dat hij niet beoogt de arbeidsovereenkomst te herstellen. De kantonrechter laat deze stelling van [werknemer] en het daartegen door MB en Okkie gevoerde verweer daarom verder onbesproken.

5.3

Een werkgever kan de arbeidsovereenkomst met een werknemer met onmiddellijke ingang opzeggen indien zich een dringende reden voordoet als bedoeld in artikel 7:678 BW. Volgens deze bepaling worden voor de werkgever als dringende redenen beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

5.4

Bij de beoordeling van de vraag of van een dringende reden sprake is moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij moeten allereerst de aard en de ernst van de door MB in haar e-mail van 1 december 2017 gestelde dringende reden worden betrokken.
Als dringende reden noemt MB: het tekenen van vijf jaarrekeningen zonder daartoe bevoegd te zijn, en het op 8 november 2017 op briefpapier van GBA namens GBA offertes uitbrengen aan klanten van MB. Ter zitting heeft [werknemer] erkend dat hij vijf jaarrekeningen heeft getekend terwijl hij van MB geen toestemming had gekregen om jaarrekeningen te tekenen. Het uitbrengen van eerdergenoemde offertes tijdens werktijd zonder toestemming van MB (in de persoon van [betrokkene 2] ) is door [werknemer] niet weersproken. Daarmee staat naar het oordeel van de kantonrechter vast dat [werknemer] verwijtbaar heeft gehandeld. De aard en de ernst van deze handelingen acht de kantonrechter echter niet van dien aard dat van MB redelijkerwijze niet gevergd kon worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, als de navolgende omstandigheden in aanmerking worden genomen.
a. Gedurende zijn dienstverband heeft [werknemer] altijd goed gefunctioneerd; eerdere laakbare handelingen of waarschuwingen zijn immers niet gesteld of gebleken.
b. Als Registeraccountant is (naar MB niet heeft weersproken) [werknemer] formeel bevoegd tot het tekenen van jaarstukken.
c. Gesteld noch gebleken is dat het tekenen van de betreffende jaarstukken tot schade voor MB heeft geleid.
d. De door [werknemer] uitgebrachte offertes waren gericht aan klanten van MB die volgens de door [betrokkene 2] en [betrokkene 1] ondertekende lijst per 1 januari 2018 met Caami ( [betrokkene 1] ) mee zouden gaan naar GBA en de betreffende offertes zijn uitgebracht met instemming van [betrokkene 1] .
e. [werknemer] had [betrokkene 2] daarvoor weliswaar geen toestemming gevraagd, maar laatstgenoemde had [werknemer] ook geen instructies gegeven over de wijze waarop die klanten mochten of (niet) moesten worden geïnformeerd.
d. Het feit dat [werknemer] deze offertes tijdens werktijd heeft opgesteld is laakbaar, maar MB had de daarmee gemoeide tijd op het loon van [werknemer] kunnen inhouden of zij had [werknemer] kunnen vragen die tijd in te halen.

5.5

Uit het voorgaande vloeit voort dat voor het ontslag geen dringende reden aanwezig was. De omstandigheid dat na het ontslag gebleken is dat [werknemer] dossiers van klanten en andere klantgegevens naar GBA heeft gestuurd leidt niet tot een ander oordeel omdat die omstandigheid niet aan het ontslag ten grondslag heeft gelegen. In het midden kan daarom blijven of het ontslag onverwijld is gegeven en of er sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs inzake het sturen van dossiers en klantgegevens aan GBA. De dienaangaande door partijen naar voren gebrachte stellingen en weren behoeven dus geen bespreking.

5.6

Bij gebrek aan een dringende reden is de arbeidsovereenkomst op 1 december 2017 opgezegd tegen een eerdere dag dan tussen partijen geldt, zodat [werknemer] aanspraak kan maken op de vergoeding van artikel 7:672 lid 9 BW. Krachtens dat wetsartikel heeft [werknemer] aanspraak op een vergoeding gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. In deze zaak staat vast dat, als [werknemer] niet per 1 december 2017 was ontslagen, de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden was geëindigd per 31 december 2017. Naar het oordeel van de kantonrechter zou het daarom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn om aan [werknemer] een vergoeding toe te kennen over de periode na 31 december 2017. Aan [werknemer] zal daarom worden toegewezen zijn loon over december 2017 incl. vakantiegeld, zijnde € 7.014,60 bruto.

5.7

De kantonrechter ziet geen aanleiding om [werknemer] op grond van artikel 7:681 lid 1 BW ten laste van MB een billijke vergoeding toe te kennen. Daartoe is redengevend dat (zie 5.4) [werknemer] zich niet als een goed werknemer heeft gedragen en dat de arbeidsovereenkomst zonder het ontslag per 31 december 2017 zou zijn geëindigd door ontslagname door [werknemer] of met wederzijds goedvinden.
De door MB gedane melding bij AFM staat los van het ontslag. Bij de beslissing over het al dan niet toekennen van een billijke vergoeding moet die melding daarom buiten beschouwing blijven.

5.8

De arbeidsovereenkomst van [werknemer] met MB heeft meer dan 8 jaar geduurd en is door MB opgezegd. Het eindigen van de arbeidsovereenkomst is naar het oordeel van de kantonrechter niet het gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [werknemer] (zie ook 5.4). Uit artikel 7: 673 BW vloeit voort dat MB dan een transitievergoeding aan [werknemer] is verschuldigd. Naar het oordeel van de kantonrechter is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid echter onaanvaardbaar om de transitievergoeding toe te kennen. Als opzegging door MB achterwege was gebleven dan zou de arbeidsovereenkomst immers door ontslagname of op verzoek van [werknemer] met wederzijds goedvinden enkele weken later zijn geëindigd, namelijk per 31 december 2017. In dat geval zou [werknemer] geen aanspraak op een transitievergoeding hebben. De opzegging heeft ook niet aan indiensttreding van [werknemer] bij GBA in de weg gestaan.

5.9

Voorts dient te worden beoordeeld of [werknemer] aanspraak heeft op het door hem gevorderde geldbedrag aan bonus. [werknemer] heeft aan het door hem aan bonus gevorderde bedrag van € 9.417,00 ten grondslag gelegd dat [betrokkene 2] bij

e-mailbericht van 26 november 2017 aan [betrokkene 1] voorstelt om [werknemer] een bonus van € 9.743,00 toe te kennen. MB voert daartegen o.m. aan dat MB toen nog niet bekend was met de gedragingen van [werknemer] en het ontslag per 1 december 2017.
De kantonrechter stelt vast dat in artikel 4 lid 3 van de arbeidsovereenkomst voor wat betreft de bonus wordt verwezen naar separaat verstrekte algemene arbeidsvoorwaarden. Deze arbeidsvoorwaarden zijn niet in het geding gebracht. Ter zitting heeft [werknemer] noch MB kunnen aangeven op welke wijze de hoogte van de bonus moet worden berekend.
Een en ander maakt dat de kantonrechter niet kan vaststellen dat [werknemer] recht heeft op eerdergenoemde bonus dan wel op een ander (lager) bedrag. De vordering zal daarom als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.

5.10

Subsidiair verzoekt [werknemer] om een vergoeding wegens het in standhouden van het beding in artikel 5 van de arbeidsovereenkomst in de periode van 1 – 31 december 2017. De kantonrechter stelt vast dat het subsidiaire karakter aan dit verzoek is ontvallen nu de arbeidsovereenkomst is geëindigd door het ontslag op staande voet.
Voor toekenning van een dergelijke vergoeding is vereist dat [werknemer] in genoemde periode door het beding in belangrijke mate is belemmerd om anders dan in dienst van MB werkzaam te zijn (zie artikel 7:653 lid 5 BW). [werknemer] heeft echter nagelaten zijn verzoek te onderbouwen met feiten of omstandigheden die maken dat sprake is van die situatie. De vordering zal daarom worden afgewezen.

5.11

Al het vorengaande leidt tot de conclusie dat [werknemer] jegens MB aanspraak heeft op betaling van € 7.014,60 bruto als vergoeding ex artikel 7:672 lid 9 BW. De daarover gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 1 december 2017, de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.

5.12

Ten tijde van het ontslag en het ontstaan van de onder 5.11 bedoelde aanspraak waren Caami en Okkie maten van MB. Om die reden zullen beiden naast MB hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling. De omstandigheid dat Caami niet was gekend in het ontslag en dat Caami de door MB gestelde dringende reden niet onderschrijft, leidt niet tot een ander oordeel, omdat dit [werknemer] niet regardeert.

5.13

MB dient als werkgever een eindafrekening op te stellen, uitgaande van beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 december 2017, waarin de niet-genoten vakantiedagen en het opgebouwde vakantiegeld zijn opgenomen. Bij de door [werknemer] gevorderde veroordeling tot betaling van de eindafrekening heeft [werknemer] echter geen belang, omdat een dergelijke veroordeling niet ten uitvoer kan worden gelegd. Deze vordering wordt daarom afgewezen.

5.14

De kantonrechter zal MB, Okkie en Caami als de grotendeels in het ongelijk gestelde partijen veroordelen in de proceskosten van [werknemer] .

6 Beoordeling van het tegenverzoek van MB en Okkie

6.1

Uit het hiervoor overwogene vloeit voort dat [werknemer] aan MB en Okkie geen dringende reden voor onverwijlde opzegging van de arbeidsovereenkomst heeft gegeven. Daarmee is de grondslag aan het tegenverzoek komen te ontvallen, zodat dit zal worden afgewezen.

6.2

MB en Okkie zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van [werknemer] .

7 Beslissing

De kantonrechter:

in de zaak van het verzoek van [werknemer] :

  1. veroordeelt MB, Okkie en Caami hoofdelijk tot betaling aan [werknemer] van een vergoeding ad € 7.014,60 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 december 2017;

  2. wijst af het anders of meer verzochte;

  3. veroordeelt MB, Okkie en Caami in de proceskosten, welke tot op deze uitspraak aan de zijde van [werknemer] worden vastgesteld op € 478,-, waarvan een bedrag van € 400,- als het salaris van de gemachtigde;

in de zaak van het tegenverzoek van MB en Okkie:

4. wijst het verzoek af;

5. veroordeelt MB en Okkie in de proceskosten van [werknemer] , welke tot op deze uitspraak aan de
zijde van [werknemer] worden vastgesteld op nihil.

Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. E. Weiss en uitgesproken ter openbare
zitting van 14 maart 2018.