Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:2983

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-03-2018
Datum publicatie
19-03-2018
Zaaknummer
09/818727-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf voor mishandeling levensgezel en onttrekken van kinderen aan wettig gezag, vrijspraak voor wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/818727-17

Datum uitspraak: 12 maart 2018

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in detentiecentrum [PI] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 4 december 2017 (pro forma) en 26 februari 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. C. van den Heuvel en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. M. van Stratum, advocaat te Nootdorp, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 29 augustus 2017 tot en met 30 augustus 2017 te Delft zijn levensgezel, te weten [slachtoffer 1] , opzettelijk heeft mishandeld door die [slachtoffer 1]

- ( meermalen) (met kracht) op/tegen het hoofd en/of het lichaam te stompen/slaan en/of

- ( meermalen) (met kracht) tegen het lichaam te schoppen en/of

- ( meermalen) (met kracht) met een riem op/tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of

- ( meermalen) (met kracht) met een telefoonkabel op/tegen het lichaam te slaan,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 30 augustus 2017 te Delft en/of 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland,

opzettelijk [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3]

- ( onder schooltijd) van school op te halen en/of

- ( vervolgens) in een auto mee te nemen naar de woning van een zus van verdachte en/of de woning van een buurvrouw van die zus van verdachte en/of

- ( vervolgens) in die woning(en) achter te laten en/of in een kamer met een deur zonder deurklink (waardoor die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] die kamer niet zelfstandig konden verlaten), in elk geval die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] te beletten te gaan en te staan waarheen zij wilden;

3.

hij op of omstreeks 30 augustus 2017 te Delft en/of 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland,

opzettelijk een minderjarige, [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 3] , en/of [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum 4] , heeft onttrokken aan het wettig over hen gesteld gezag en/of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hen uitoefende, terwijl die minderjarigen beneden de twaalf jaren oud waren.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding1

Op de verdachte rust de verdenking dat hij – kort gezegd – zijn levensgezel [slachtoffer 1] heeft mishandeld door haar te stompen of te slaan met zijn handen, met een telefoonkabel en met een riem en door haar te schoppen (feit 1). Tevens wordt hem verweten dat hij zijn kinderen wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd (feit 2) en dat hij hen heeft onttrokken aan het wettig over hen gestelde gezag (feit 3). Omdat de verdachte dit alles ontkent, dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat hij zich aan deze feiten heeft schuldig gemaakt.

De volgende feiten kunnen op grond van de gebruikte bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag dienen.

Op 30 augustus 2017 heeft de verdachte zijn kinderen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] naar school gebracht in Delft. Hij heeft ze vervolgens na korte tijd, omstreeks 09.00 uur, weer van school opgehaald, waarna hij ze met een auto naar zijn zus [zus verdachte] in Den Haag heeft gebracht.2

De politie heeft de kinderen nog diezelfde dag, omstreeks 15.00 uur, aangetroffen in de woning van de buurvrouw van deze zus van de verdachte. De kinderen bevonden zich op dat moment in een kamer waarvan de toegangsdeur geen deurklink had.3

[slachtoffer 2] is geboren op [geboortedatum 3] en [slachtoffer 3] op [geboortedatum 4] .4

De verdachte had geen wettig gezag over de kinderen.5

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank bewezen zal verklaren dat de verdachte de hem ten laste gelegde feiten heeft begaan.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De politie heeft de verdachte met geweld gedwongen om zijn telefoon te ontgrendelen, zonder dat zijn raadsman aanwezig was of overleg met zijn raadsman mogelijk werd gemaakt en zonder concrete aanleiding. Hiermee is op ontoelaatbare wijze inbreuk gemaakt op de Ambtsinstructie voor de politie en op de artikelen 3, 6 en 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Ook heeft de raadsman van de verdachte aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster [slachtoffer 1] onbetrouwbaar zouden zijn.

Tevens heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] van het bewijs dienen te worden uitgesloten omdat de verdediging hen niet als getuige heeft mogen ondervragen, als gevolg waarvan de verdachte in zijn belangen is geschaad, terwijl hun verhalen onvoldoende steun vinden in andere wettige bewijsmiddelen.

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman verder aangevoerd dat de mishandeling niet wettig en overtuigend kan worden bewezen omdat er geen steunbewijs is voor de verklaringen van aangeefster en het letsel ook kan zijn ontstaan door de val van haar fiets, zoals de verdachte heeft verklaard.

Ook kan volgens de raadsman niet worden bewezen dat sprake was van een levensgezel omdat de verdachte en aangeefster ten tijde van het tenlastegelegde geen nauwe persoonlijke betrekking van een zekere hechtheid hadden.

Ten aanzien van de feiten 2 en 3 heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte deze feiten niet opzettelijk heeft begaan. De verdachte was in de veronderstelling dat hij het wettig gezag over de kinderen had. Hij had niet de intentie om zijn kinderen te ontvoeren of ze te onttrekken aan het over hen gesteld gezag. Als vader had hij geen toestemming nodig om zijn kinderen vroegtijdig van school te halen en ze eenmalig voor korte duur bij zijn zus onder te brengen. Dat zijn zus de kinderen vervolgens bij een buurvrouw heeft ondergebracht in een kamer met een deur zonder deurklink kan hem niet worden verweten omdat hij daarvan geen wetenschap had. De verdachte dient daarom ook te worden vrijgesproken van de feiten 2 en 3.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Onherstelbaar vormverzuim?

Met betrekking tot de vraag of sprake is van een (onherstelbaar) vormverzuim overweegt de rechtbank als volgt.

Uit het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het ontgrendelen van de telefoon van de verdachte blijkt dat de verbalisanten de verdachte eerst hebben gevraagd of hij hieraan wilde meewerken. Dit weigerde hij. Vervolgens hebben zij de verdachte gevorderd aan ontgrendeling mee te werken en hebben zij de verdachte tegen de muur en in de transportboeien geplaatst om verdere escalatie te voorkomen, aangezien de verdachte fysiek tegenwerkte. Bij het plaatsen van de duim van de verdachte op zijn telefoon zag verbalisant [verbalisant] dat de verdachte met flinke kracht in zijn telefoon kneep. [verbalisant] heeft vervolgens met geweld voorkomen dat de verdachte zijn telefoon en daarmee eventueel bewijsmateriaal zou vernielen. Hierna heeft de verdachte meegewerkt en – nadat pogingen om de telefoon te ontgrendelen door zijn vingerafdruk mislukten – de code van zijn telefoon ingetoetst.

De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een schending van de artikelen 3, 6 of 8 van het EVRM dan wel van de Ambtsinstructie voor de politie. De verdachte werd immers verdacht van zeer ernstige feiten, waaronder wederrechtelijke vrijheidsberoving van twee jonge kinderen, en op het moment waarop zijn medewerking aan ontgrendeling van zijn telefoon werd gevraagd, had de politie geen idee waar de kinderen verbleven. Er was dan ook een spoedeisend belang om zo snel mogelijk de verblijfplaats van de kinderen te achterhalen. Dan is enige dwang daarbij geoorloofd en ook noodzakelijk en hoeft niet eerst contact met een raadsman gelegd te worden. Niet is gebleken dat de politie disproportioneel heeft gehandeld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat geen sprake is geweest van een vormverzuim.

De betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster [slachtoffer 1]

Het verweer van de raadsman dat de verklaringen van aangeefster [slachtoffer 1] niet betrouwbaar zouden zijn, wordt verworpen. Haar verklaringen worden in belangrijke mate ondersteund door andere bewijsmiddelen. De verklaringen zijn bovendien vanaf het begin steeds gedetailleerd en consistent geweest. Het arbeidsverleden van [slachtoffer 1] is in dit verband volstrekt niet relevant. De rechtbank acht het overigens ongepast dat de raadsman de betrouwbaarheid van aangeefster tracht te ondermijnen door haar als persoon in diskrediet te brengen, zonder dat zij daarop kan reageren.

De verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]

De rechtbank merkt op dat zij de verklaring van [slachtoffer 2] niet voor het bewijs zal bezigen, omdat deze geen betrekking heeft op de vragen die de rechtbank in het kader van de artikelen 348 en 350 Sv moet beantwoorden.

De rechtbank ziet echter geen reden om de verklaring van [slachtoffer 3] niet voor het bewijs te bezigen. Het verzoek van de raadsman om de kinderen te doen horen bij de rechter-commissaris is afgewezen omdat de rechtbank het belang van de kinderen om niet aan een getuigenverhoor te worden onderworpen zwaarder vond wegen en omdat de vragen die de raadsman wilde stellen niet zagen op enige door de rechtbank in het kader van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissing. Voorts is van belang dat de verklaring van [slachtoffer 3] niet ‘sole and decisive’ is, omdat deze verklaring steun vindt in andere wettige bewijsmiddelen.

Feit 1

Op 30 augustus 2017 heeft [slachtoffer 1] aangifte gedaan van mishandeling door de verdachte in haar woning in Delft. Zij heeft verklaard dat de verdachte haar de dag ervoor met een dubbelgevouwen riem had geslagen. Zij voelde hierbij stekende pijn in haar gezicht en nek. In totaal werd ze tussen de tien en vijftien keer geslagen. Ook heeft hij haar meerdere keren met zijn vuisten en vlakke hand op haar lichaam geslagen. Dit deed veel pijn. In de ochtend van 30 augustus 2017 heeft de verdachte haar meerdere malen met een oplaadkabel van een telefoon op haar lichaam geslagen. Zij voelde hierbij pijn op haar lichaam.6

Op 9 september 2017 is aangeefster nogmaals door de politie gehoord en heeft zij verklaard dat de verdachte haar met de riem van top tot teen heeft geslagen. Met zijn vlakke hand en vuisten heeft hij haar op haar gezicht en armen geslagen. Ook heeft de verdachte haar op haar benen en arm geschopt, aldus aangeefster.7

Aangeefster heeft de riem en de oplaadkabel waarmee zij is geslagen, aan de politie overhandigd.8

Volgens de verdachte heeft hij haar niet mishandeld. Het letsel van aangeefster is veroorzaakt doordat zij met haar fiets is gevallen.

Door FARR (Forensisch Artsen Rotterdam Rijnmond) is onderzoek gedaan naar het letsel van aangeefster. In het rapport wordt vermeld dat de letsels van aangeefster niet kunnen zijn ontstaan door een val met een fiets, gelet op het soort letsel, de plaats op het lichaam en onderlinge samenhang van de letsels. De letsels kunnen daarentegen wel zijn ontstaan door het slaan met de door aangeefster aan de politie overhandigde broekriem en oplaadsnoer en door het slaan met vuisten alsmede door schoppen.9

Dit rapport ondersteunt het scenario van aangeefster en niet dat van de verdachte. Het dossier bevat verder geen aanknopingspunten voor het scenario van de verdachte. Alles overziend acht de rechtbank daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte aangeefster zowel op 29 augustus 2017 als op 30 augustus 2017 heeft mishandeld door haar te slaan met zijn vuisten, met een riem en met een oplaadkabel en door haar te schoppen.

De verdachte en aangeefster [slachtoffer 1] hadden al gedurende lange tijd een relatie en ze hadden samen twee kinderen. Hoewel ze niet samenwoonden, was de verdachte naar eigen zeggen een paar dagen in de week bij aangeefster en de kinderen en hij bleef daar ook regelmatig slapen. Ook hadden de verdachte en aangeefster seks met elkaar. Bovendien bracht de verdachte vaak de kinderen naar school en haalde ze ook weer op.10 Gelet op deze omstandigheden concludeert de rechtbank dat de verdachte en aangeefster als elkaars levensgezel beschouwd dienen te worden.

Feit 2 (vrijspraak)

De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte op 30 augustus 2017 zijn kinderen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] naar school heeft gebracht in Delft en ze korte tijd later weer met een auto van school heeft opgehaald, waarna hij ze vervolgens heeft meegenomen naar de woning van zijn zus [zus verdachte] . Ook staat vast dat de kinderen uiteindelijk zijn aangetroffen in de woning van de buurvrouw van [zus verdachte] en dat zij in een kamer zaten waarvan de toegangsdeur geen deurklink had. Over de reden waarom de deur geen deurklink had is door de verschillende getuigen die zijn gehoord, wisselend verklaard. Zo heeft [getuige] verklaard dat de deurklink kapot was en heeft de buurvrouw verklaard dat zij haar kasten wilde beschermen tegen schade die door de deurklink zou kunnen ontstaan. [slachtoffer 3] heeft verklaard dat zij de kamer niet uit konden, maar dat als zij moest plassen, de deur wel open kon, want dan werd er een deurklink gehaald.

Hoewel er zich – zoals hierna onder feit 3 ook zal worden overwogen – in het dossier aanwijzingen bevinden dat de verdachte de intentie had om de kinderen ten minste enige tijd bij hun moeder weg te houden, acht de rechtbank een en ander onvoldoende om te komen tot een bewezenverklaring van het wederrechtelijk van de vrijheid beroven van de kinderen door de verdachte. Het enkele van school ophalen en met de auto naar zijn zus brengen is daartoe onvoldoende. De omstandigheid dat de kinderen vervolgens in het huis van de buurvrouw van de zus van de verdachte zijn terechtgekomen in een kamer met een deur zonder deurklink, kan niet aan de verdachte worden verweten omdat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte hiervan op de hoogte was. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van de hem ten laste gelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Feit 3

Uit het gezagsregister is gebleken dat aangeefster het eenhoofdig ouderlijk gezag had en dat de verdachte derhalve geen wettig gezag had over hun kinderen. De verdachte heeft verklaard dat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij wel het wettig gezag had, want hij heeft ze erkend en ze dragen zijn achternaam. De vraag of de verdachte terecht in de veronderstelling verkeerde dat hij het gezag had, is echter niet relevant. Voor de beantwoording van de vraag of bewezen kan worden dat de verdachte dit feit heeft begaan moet alleen beoordeeld worden of de verdachte zijn kinderen (opzettelijk) aan het gezag van hun moeder heeft onttrokken, waarbij het (voor het opzet) niet relevant is of de verdachte eveneens gezag over de kinderen uitoefende.

De rechtbank overweegt voorts als volgt. De verdachte heeft geen enkele logische verklaring kunnen geven voor de omstandigheid dat hij zijn kinderen op 30 augustus 2017 naar school heeft gebracht en ze korte tijd later weer van school heeft opgehaald. Hij heeft bij de politie en ter zitting verklaard dat hij de kinderen heeft opgehaald omdat hij in paniek was omdat hun moeder weg was en hij haar wilde gaan zoeken. Omdat hij niet wist hoe dat af zou lopen, heeft hij de kinderen maar vast van school gehaald.11 De rechtbank acht deze reden volstrekt onbegrijpelijk. Bovendien heeft de verdachte aan de leerkrachten van de kinderen verteld dat hij de kinderen kwam ophalen omdat hun moeder gewond was en naar het ziekenhuis moest.12

Uiteindelijk zijn de kinderen aangetroffen aan de [adres ] te Den Haag in het huis van de buurvrouw van de zus van de verdachte. In het huis van die zus zijn vervolgens de identiteitsbewijzen van de kinderen aangetroffen. Volgens de zus van de verdachte zaten deze identiteitsbewijzen in een mapje in een van haar schoenen en vond zij dit mapje toen zij haar schoen wilde aantrekken. In het mapje bevond zich tevens het rijbewijs van aangeefster [slachtoffer 1] en nog enkele andere pasjes van haar.13 Ook de telefoon van aangeefster is aangetroffen in het huis van deze zus van de verdachte.14 Ook hiervoor heeft de verdachte geen logische en begrijpelijke verklaring gegeven. Zowel zijn verklaring dat hij niets weet van de map met pasjes en rijbewijs als zijn verklaring dat hij de telefoon heeft meegenomen omdat hij dacht dat aangeefster misschien naar haar eigen telefoon zou bellen, omdat ze zijn nummer niet uit haar hoofd kende, acht de rechtbank niet geloofwaardig. Daar komt bij dat aangeefster heeft verklaard dat de identiteitsbewijzen van de kinderen voordat de verdachte hen naar zijn zus bracht, in haar portemonnee zaten. Het mapje dat is aangetroffen, heeft aangeefster herkend als het mapje van de verdachte.15 Bovendien heeft [slachtoffer 3] , de dochter van de verdachte, verklaard dat haar vader de portemonnee en de telefoon van haar moeder vanuit hun huis had meegenomen, nadat hij had ontdekt dat haar moeder niet meer thuis was.16

Ten slotte heeft de verdachte zowel bij zijn aanhouding als later op het politiebureau niet willen zeggen waar zijn kinderen waren. Ter zitting heeft hij verklaard dat dit was omdat hij zich op zijn zwijgrecht wilde beroepen. Gelet op hetgeen de verbalisanten hieromtrent hebben gerelateerd, kan de rechtbank zich echter niet aan de indruk onttrekken dat hij niet wilde dat de kinderen werden gevonden, hetgeen de rechtbank sterkt in de overtuiging dat de verdachte zijn kinderen aan het gezag van hun moeder heeft willen onttrekken.

De rechtbank laat hierbij meewegen dat aangeefster [slachtoffer 1] heeft verklaard dat de verdachte zowel op 29 augustus als op 30 augustus 2017 heeft gezegd dat hij met de kinderen in Turkije wilde gaan wonen en dat aangeefster haar kinderen nooit meer zou zien.17 Ook bij hierbij past dat hij de identiteitsbewijzen van de kinderen meeneemt en in eerste instantie hun verblijfplaats niet bekend wil maken.

Alle hiervoor genoemde omstandigheden, ook in onderlinge samenhang bezien, maken dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het opzettelijk onttrekken van zijn kinderen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , die op dat moment nog geen twaalf jaren oud waren, aan het wettig over hen gesteld gezag.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

1.

op tijdstippen gelegen in de periode van 29 augustus 2017 tot en met 30 augustus 2017 te Delft

zijn levensgezel, te weten [slachtoffer 1] , opzettelijk heeft mishandeld door die [slachtoffer 1]

- meermalen met kracht tegen het hoofd en het lichaam te stompen en

- meermalen met kracht tegen het lichaam te schoppen en

- meermalen met kracht met een riem tegen het hoofd en het lichaam te slaan en

- meermalen met kracht met een telefoonkabel tegen het lichaam te slaan,

waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

3.

op 30 augustus 2017 te Delft en 's-Gravenhage, opzettelijk minderjarigen, [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 4] , en [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum 3] , heeft onttrokken aan het wettig over hen gesteld gezag, terwijl die minderjarigen beneden de twaalf jaren oud waren.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 6 (zes) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en als bijzondere voorwaarden de voorwaarden zoals voorgesteld door de reclassering, welke zij heeft gevorderd om dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte een rechterlijk contactverbod wordt opgelegd ex artikel 38v Wetboek van Strafrecht en dat wordt bevolen dat deze maatregel uitvoerbaar bij voorraad zal zijn alsmede dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan twee weken vervangende hechtenis zal worden toegepast met een maximale duur van zes maanden.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en met de omstandigheid dat de feiten niet al te ernstig zijn, mede vanwege de korte pleegperiode. Ook is de verdachte bereid in te stemmen met de voorwaarden van de reclassering en heeft hij laten weten aangeefster en zijn kinderen met rust te zullen laten. Er dient verder strafkorting plaats te vinden wegens het onherstelbaar vormverzuim.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De ernst van de feiten

De verdachte heeft zich zowel op 29 augustus 2017 als op 30 augustus 2017 schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn levensgezel [slachtoffer 1] . Hij heeft haar behoorlijk toegetakeld door haar te slaan met zijn handen, met een telefoonkabel en met een riem en door haar te schoppen. Hij heeft dit gedaan in haar huis en in haar slaapkamer en ook dat maakt dat het gaat om een ernstig feit. Juist daar moet iedereen zich veilig kunnen voelen. Uit de ter zitting voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring blijkt ook dat het slachtoffer zich inmiddels zo onveilig voelt dat zij samen met de kinderen is ondergedoken op een geheim adres. Voor de kinderen betekent dat dat zij uit hun vertrouwde omgeving van huis, straat en school(vriendjes) zijn weggehaald en ook dat rekent de rechtbank de verdachte aan.

Daarnaast heeft de verdachte zijn kinderen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] van destijds respectievelijk acht en zeven jaar oud weggehaald van school en buiten medeweten van hun moeder ondergebracht bij een zus waarmee tot dan toe nauwelijks contact was. De verdachte heeft de moeder van de kinderen enige uren in onzekerheid en angst gelaten over de verblijfplaats van haar kinderen. Zij was enorm bang dat hij de kinderen mee naar het buitenland had genomen. De rechtbank kan zich goed voorstellen dat dat bij haar een enorme onrust heeft veroorzaakt.

Ook dit is een ernstig feit. Ouders hebben de plicht goed voor hun kinderen te zorgen en daarbij dient het belang en welzijn van de kinderen centraal te staan, ook bij de vader. De verdachte lijkt zich hier weinig rekenschap van te hebben gegeven.

De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van de verdachte d.d. 31 augustus 2017. Daaruit blijkt dat de verdachte recentelijk niet voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op de inhoud van het reclasseringsadvies d.d. 22 februari 2018, opgesteld door M. van Buul, reclasseringswerker, en C. van den Berg, unitmanager. In dit advies wordt – voor zover van belang – het volgende vermeld.

De verdachte heeft geen vaste woon- of verblijfplaats en beschikt niet over een zinvolle dagbesteding. Hij ontvangt een daklozenuitkering en heeft schulden. Ook is er sprake van misbruik van cannabis. In 2016 zijn er aanwijzingen waargenomen voor de aanwezigheid van trekken van persoonlijkheidsproblematiek cluster B. De kans op recidive wordt hoog ingeschat. Geadviseerd wordt een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een contactverbod, een locatieverbod en schuldhulpverlening. De reclassering heeft geadviseerd om deze voorwaarden en het daarop uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van de Pro Justitia rapportages betreffende de verdachte d.d. 23 november 2017, opgesteld door R. Bout, GZ-psycholoog en d.d. 2 december 2017, opgesteld door K. Jangbahadoer Sing, psychiater. De verdachte heeft echter geen medewerking verleend aan het onderzoek zodat de deskundigen de hen gestelde vragen niet hebben kunnen beantwoorden.

De op te leggen straf

De rechtbank weegt, naast hetgeen hiervoor is overwogen, in het nadeel van de verdachte mee dat hij tot op heden geen openheid van zaken heeft gegeven en niet heeft laten zien dat hij enig inzicht heeft in het strafwaardige karakter van zijn handelen. In het voordeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat de onttrekking van de kinderen aan het wettig gezag van hun moeder al geruime tijd geleden heeft plaatsgevonden.

Gelet op de ernst van de feiten acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf passend. De rechtbank komt tot een lagere gevangenisstraf dan door de officier van justitie is gevorderd, omdat de rechtbank de verdachte van een deel van de tenlastelegging zal vrijspreken. Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat geen sprake is geweest van een onherstelbaar vormverzuim, zal de rechtbank hier bij de duur van de op te leggen gevangenisstraf geen rekening mee houden.

De rechtbank zal, zoals ook door de officier van justitie is gevorderd, een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen teneinde de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst wederom schuldig te maken aan het plegen van strafbare feiten. Zij zal daaraan de bijzondere voorwaarden verbinden zoals geadviseerd door de reclassering en aan deze voorwaarden een proeftijd verbinden van drie jaren.

De rechtbank is van oordeel dat met oplegging van de bijzondere voorwaarden de belangen van aangeefster en de kinderen voldoende zijn gewaarborgd. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding om daarnaast een rechterlijk contactverbod ex artikel 38v Sr op te leggen.

Aangezien de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van personen en de rechtbank van oordeel is dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan, zal zij bevelen dat de hierna op grond van artikel 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14d Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

7 De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding, groot € 1.700,-, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

[slachtoffer 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding, groot € 1.000,-, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding, groot € 1.000,-, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vorderingen dienen te worden afgewezen vanwege de door hem bepleite vrijspraak. Subsidiair dienen de vorderingen volgens de raadsman te worden afgewezen, aangezien de vorderingen onvoldoende zijn onderbouwd dan wel dienen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te worden verklaard in die vorderingen, aangezien deze een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren.

Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht om de toe te wijzen bedragen aanzienlijk te matigen vanwege de slechts korte pleegperiode.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Ter zake van de gevorderde immateriële schade zal de rechtbank naar billijkheid een bedrag van € 750,- toewijzen omdat is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering verklaren, aangezien de gestelde schade voor dat deel niet voldoende is onderbouwd.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 29 augustus 2017 is ontstaan.

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2]

De rechtbank zal de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de gestelde schade onvoldoende is onderbouwd en een nader (diepergaand psychologisch) onderzoek een onredelijke belasting van het strafgeding opleveren.

Dit brengt mee dat de benadeelde partijen dienen te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 36f, 57, 279, 300, 304 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard, en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 3:

opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag, terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 (TWAALF) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 4 (vier) maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich binnen twee werkdagen na het vonnis meldt bij het Leger des Heils, Conradkade 53 te Den Haag en zich daarna gedurende de proeftijd op door de reclassering te bepalen tijdstippen blijft melden bij deze instelling, zo vaak en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt onder behandeling stelt van forensische polikliniek De Waag of een soortgelijke zorgverlener, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, waarbij de veroordeelde zich houdt aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener hem geeft;

- gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, verblijft in een nader door de reclassering te bepalen instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, en zich houdt aan de huisregels en het (dag-)programma die deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld;

- gedurende de proeftijd geen contact legt of laat leggen – direct of indirect – met [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum 2] ), [slachtoffer 3] (geboren op [geboortedatum 3] ), [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum 4] ), [familie aangeefster] (geboren op [geboortedatum 5] ), [familie aangeefster] (geboren op [geboortedatum 6] ) en [familie aangeefster] (geboren op [geboortedatum 7] ), zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd niet bevindt binnen een straal van 500 meter van het adres [adres bedrijf] te Alphen aan den Rijn en binnen een straal van 500 meter van het woonadres van [slachtoffer 1] , mocht dit adres hem bekend worden, waarbij de veroordeelde zich onder elektronisch toezicht stelt ter nakoming van deze bijzondere voorwaarde, mits het gebruik van elektronische controlemiddelen mogelijk is op de (nog te bepalen) verblijfplaats van de veroordeelde;

- gedurende de proeftijd meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen waarbij de veroordeelde gehouden is de reclassering inzicht te geven in zijn financiën en schulden;

geeft opdracht aan het Leger des Heils tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het op grond van artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht- uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 1] een bedrag van € 750,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 29 augustus 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot
€ 750,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 29 augustus 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening ten behoeve van [slachtoffer 1] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 15 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer 3] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer 2] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.E. Bierling, voorzitter,

mr. E.A.G.M. van Rens, rechter,

mr. K.C.J. Vriend, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. F.M. Schreuder, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 maart 2018.

Mr. Vriend is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2017248398, van de politie eenheid Den Haag, district westland-Delft, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 297).

2 Proces-verbaal aangifte, p. 14; verklaring verdachte ter terechtzitting van 26 februari 2018; proces-verbaal van bevindingen, p. 39.

3 Proces-verbaal bevindingen, p. 48-49; verklaring verdachte ter terechtzitting van 26 februari 2018.

4 Proces-verbaal bevindingen, p. 39.

5 Proces-verbaal bevindingen, p. 43-44.

6 Proces-verbaal van aangifte, p. 13-14.

7 Proces-verbaal van 2e verhoor aangever, p. 162, 165 en 166.

8 Proces-verbaal bevindingen inbeslagname riem en usb kabel, p. 199-200.

9 Een geschrift, te weten een pro justitia rapportage van FARR BV d.d. 4 januari 2018.

10 Proces-verbaal aangifte, p. 13-14; verklaring verdachte ter terechtzitting van 26 februari 2018.

11 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 26 februari 2018.

12 Proces-verbaal van bevindingen, p. 39.

13 Proces-verbaal aantreffen mapje met pasjes, p. 205.

14 Proces-verbaal telefoon aangeefster, p. 203 en proces-verbaal bevindingen rondom teruggave mobiele telefoon en inbeslagname riem en usb kabel, p. 199.

15 Proces-verbaal van 2e verhoor aangever, p. 167.

16 Proces-verbaal van bevindingen, p. 102.

17 Proces-verbaal aangifte, p. 13-14.