Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:2967

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-03-2018
Datum publicatie
01-06-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 7077
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om kwijtschelding van openstaande vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/7077

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2018 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser,

(gemachtigde: mr. R.G.A.M. van den Heuvel),

en

het college van burgemeester en wethouders van Gouda, verweerder

(gemachtigde: N.J. van Honk).

Procesverloop

Bij besluit van 4 januari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om kwijtschelding van het restant van de openstaande fraudevordering, die met het terugvorderingsbesluit van 3 november 2006 is ontstaan, afgewezen.

Bij besluit van 30 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De beroepsgronden zijn nadien aangevuld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft een aanvullend verweerschrift en nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2018.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Op 29 juni 2016 heeft eiser verweerder verzocht om kwijtschelding van het restant aan openstaande fraudevordering ter hoogte van een bedrag van € 3.507,70. Bij besluit van 7 juli 2016 heeft verweerder dit verzoek afgewezen, omdat eiser niet voldeed aan de gestelde voorwaarden om voor kwijtschelding in aanmerking te komen.

1.2

Op 19 december 2016 heeft eiser verweerder wederom verzocht om kwijtschelding van het restant aan openstaande fraudevordering ter hoogte van een bedrag van € 3.214,54.

1.3

Bij het primaire besluit heeft verweerder het verzoek van eiser om kwijtschelding van het restant van de openstaande vordering ([vordering 1]) afgewezen, op de grond dat eiser wederom niet voldeed aan de gestelde voorwaarden om voor kwijtschelding in aanmerking te komen. Eiser had volgens verweerder slechts 80 termijnen afgelost in plaats van de op grond van het beleid vereiste 120 termijnen.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit, conform het advies van de bezwaarschriftencommissie Gouda (de commissie) van 30 augustus 2017, gehandhaafd. Voorts is daarbij de motivering van het primaire besluit aangevuld in die zin dat met inachtneming van het ingehouden vakantiegeld het aantal aflostermijnen tot en met december 2016 in totaal 88 bedraagt. In het bestreden besluit is overwogen dat eiser ten tijde van advisering door de commissie eiser 92 termijnen had afgelost, zijnde 28 van de vereiste 120 termijnen te weinig om te voldoen aan de voorwaarde zoals opgenomen in artikel 10, eerste lid, onder a, juncto tweede lid van de Beleidsregels en uitvoeringsvoorschriften terugvordering, boete en verhaal Gouda 2013 (de beleidsregels). Daarnaast voldoet eiser evenmin aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder b en c van de beleidsregels en in artikel 58, zevende lid, van de Wet werk en bijstand (WWB). Verder is overwogen dat het gegeven dat ervoor is gekozen om gedurende de afgelopen 10 jaar ook in te houden op andere vorderingen er niet toe leidt dat de restantvordering voor kwijtschelding in aanmerking moet komen. Voorts zijn er volgens verweerder geen dringende redenen of bijzondere omstandigheden aangedragen op grond waarvan met toepassing van artikel 5, onder b, van de beleidsregels kan worden afgezien van kwijtschelding. Evenmin acht verweerder zich gehouden om met toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) af te wijken van de beleidsregels.

3. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte en in strijd met zijn eigen beleidsregels een aantal aflossingen heeft gebruikt om de na de fraudevordering ontstane schulden eerst mee af te lossen. Nu de vorderingen [vordering 2], [vordering 3], [vordering 4] en [vordering 5] geen betrekking hadden op de lopende kalenderjaren, had hierop niet de bruteringsvoorrangsregel mogen worden toegepast en had de lopende verrekening van de oudste vordering [vordering 1] moeten doorlopen. Daarnaast zijn de 3 vorderingen ([vordering 3], [vordering 4] en [vordering 5]), die zijn ontstaan bij besluit van 22 juni 2012, volgens eiser ten onrechte eerder verrekend, omdat eiser tegen dat besluit bezwaar had gemaakt. Verder had ook over november of december 2006 verrekend kunnen worden, hetgeen ten onrechte is nagelaten, aldus eiser.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in overeenstemming met zijn uitvoeringsbeleid op de oudste schuld het eerst wordt afgelost, tenzij er nog een vordering is die betrekking heeft op het lopende kalenderjaar, zoals bij de vorderingen [vordering 2] en [vordering 4] het geval was. Daarnaast stelt verweerder dat eiser nimmer heeft verzocht om de volgorde van inhouding op zijn openstaande vorderingen te wijzigen. Daarnaast is volgens verweerder in verband met eventuele brutering van de vordering het moment waarop de vordering is ontstaan van belang en niet de periode waarop de vordering betrekking heeft. Verder wijst verweerder er op dat het bezwaar tegen het besluit van 21 juni 2012 na een gegeven toelichting op de opbouw van de vordering is ingetrokken en dat eiser de inhouding op de vordering destijds niet heeft betwist. Daarnaast blijkt uit het aflosoverzicht van de fraudevordering op pagina 3 van het advies van de commissie dat in verband met een correctie 5 keer is afgelost op de fraudevordering, zodat eiser geen aflossingstermijn is misgelopen. Gelet hierop bestrijdt verweerder dat ten onrechte is verrekend met later ontstane schulden.

5. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

6.1

Nu de fraudevordering met het terugvorderingsbesluit van 3 november 2006, dus vóór 1 januari 2013, is ontstaan is artikel 58 van de WWB van toepassing, zoals dit luidde tot die datum. Ingevolge dit artikel is verweerder bevoegd ten onrechte gemaakte kosten van bijstand terug te vorderen. De bevoegdheid om geheel of gedeeltelijk af te zien van (verdere) terugvordering, dus om het restant van de schuld kwijt te schelden, moet hierin besloten worden geacht (vergelijk de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 8 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3084).

6.2

Ingevolge artikel 58, eerste lid, van de WWB vordert het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

Ingevolge het zevende lid, aanhef en onder a, van dit artikel kan het college in afwijking van het eerste lid besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering als bedoeld in het eerste lid af te zien, indien de persoon van wie de kosten van bijstand worden teruggevorderd gedurende tien jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan.

6.3

Op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder a, in samenhang met artikel 10, tweede lid, van de beleidsregels ziet verweerder voor zover de terugvordering het gevolg is van een schending van de inlichtingenplicht van (verdere) terugvordering af, indien de belanghebbende gedurende 10 jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan. Voorts is in het tweede lid van dat artikel – voor zover van belang – bepaald dat indien sprake is van fraude, verweerder op grond van de aanvulling in artikel 58, zevende lid, van de WWB alleen kan afzien van terugvordering indien 10 jaren zijn verstreken en in die 10 jaar volledig aan de aflosverplichtingen op deze vordering is voldaan.

6.4

Ingevolge artikel 4:92, tweede lid, van de Awb kan, indien een schuldenaar verschillende geldschulden heeft bij dezelfde schuldeiser, de schuldenaar bij de betaling de geldschuld aanwijzen waaraan de betaling moet worden toegerekend en is voldaan aan een van de aldaar genoemde voorwaarden.

7.1

Ter zitting is namens verweerder verklaard dat het toepassen van de zogenoemde aflosregel, inhoudende dat eerst wordt afgelost op een recent ontstane vordering ter voorkoming van brutering, gemeentelijk uitvoeringsbeleid is dat als algemene informatie bij ieder terugvorderingsbesluit aan de belanghebbende wordt verstrekt. De rechtbank acht dit uitvoeringsbeleid dat verweerder hanteert voldoende kenbaar, nu dat bij ieder terugvorderingsbesluit wordt vermeld.

7.2

De rechtbank heeft, anders dan eiser heeft gesteld, geen aanknopingspunten voor het oordeel dat dit beleid onredelijk is of dat de toepassing daarvan bijzonder nadelige gevolgen heeft voor eiser. Daarbij neemt de rechtbank in de eerste plaats in aanmerking dat met voornoemd beleid wordt beoogd brutering van vorderingen te voorkomen dan wel te beperken. Voorts wordt in aanmerking genomen dat verweerder onweersproken naar voren heeft gebracht dat eiser – gelet op het bepaalde in artikel 4:92, tweede lid, van de Awb – de mogelijkheid had om aan te geven aan welke geldschuld de inhouding op zijn bijstandsuitkering moest worden toegerekend, maar dat hij dit heeft nagelaten. Dit had naar het oordeel van de rechtbank wel op eisers weg gelegen indien hij – zoals hij ter zitting naar voren heeft gebracht – geen brutering van vorderingen wenste te voorkomen en voor kwijtschelding van het restant van fraudevordering [vordering 1] in aanmerking had willen komen. Voor de stelling van eiser dat verweerder hem uitdrukkelijk in de gelegenheid had moeten stellen om aan te geven aan welke geldschuld de inhouding op zijn bijstandsuitkering moest worden toegerekend, zijn geen aanknopingspunten te vinden. Deze beroepsgrond kan dan ook niet slagen.

7.3

Verweerder heeft zich voorts naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat in verband met eventuele brutering van een vordering het moment waarop de vordering is ontstaan van belang is en niet de periode waarop de vordering betrekking heeft. Daarom kan de stelling van eiser niet worden gevolgd dat ten onrechte ‘met voorrang’ op de vorderingen [vordering 2] en [vordering 4] is afgelost in plaats van op fraudevordering [vordering 1]. Door deze handelwijze van verweerder werd immers brutering van (een deel van) de vorderingen [vordering 2] en [vordering 4] voorkomen.

7.4

Nu eiser zijn bezwaar tegen het besluit van 22 juni 2012, waarbij de vorderingen [vordering 3], [vordering 4] en [vordering 5] zijn ontstaan, heeft ingetrokken en de inhouding op die vorderingen niet heeft betwist, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden ter voorkoming van brutering op die vorderingen afgelost. Verweerder heeft hiermee conform zijn uitvoeringsbeleid gehandeld. Voorts blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit de door verweerder bij brief van 12 februari 2018 overgelegde bijlagen dat ook over de maanden november en december 2006 is afgelost, zodat, anders dan eiser stelt, geen aflossingen zijn ‘gemist’. Overigens zou het eiser niet kunnen baten als de 17 termijnen die op vordering [vordering 2] zijn afgelost voor optelling bij de fraudevordering in aanmerking zouden komen, omdat daarmee het totaal aantal aflossingen op fraudevordering [vordering 1] ten tijde van het bestreden besluit nog altijd niet de vereiste 120 bedraagt.

7.5

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet aan de in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder a, in samenhang met artikel 10, tweede lid, van de beleidsregels gestelde voorwaarden is voldaan. Voorts is niet gebleken van dringende redenen of bijzondere omstandigheden om van verdere terugvordering af te zien.

8. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder het verzoek van eiser om kwijtschelding van het restant van de openstaande fraudevordering, die met het terugvorderingsbesluit van 3 november 2006 is ontstaan, op goede gronden afgewezen. Het bestreden besluit kan naar het oordeel van de rechtbank daarom standhouden.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Hammer, rechter, in aanwezigheid van drs.A.C.P. Witsiers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.