Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:2957

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-03-2018
Datum publicatie
16-03-2018
Zaaknummer
NL18.2896
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

eiser, Algerijnse nationaliteit, problemen niet ten onrechte ongeloofwaardig, veilig land herkomst, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.2896


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 maart 2018 in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. E.S. van Aken),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.J.F.M. van Raak ).


Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 9 februari 2018 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.2897, plaatsgevonden op 1 maart 2018. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Aangenomen wordt dat eiser is geboren op [geboortedatum] en de Algerijnse nationaliteit bezit. Zijn asielaanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij is overwogen dat hij afkomstig is uit een veilig land, dat hij verweerder heeft willen misleiden omtrent zijn identiteit en dat zijn relaas ongeloofwaardig is.

2, Anders dan eiser heeft betoogd, heeft verweerder bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door eiser afgelegde verklaringen terecht ten nadele van eiser betrokken dat eiser moedwillig onjuiste gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit en dat hij eerst na confrontatie met de uit EU-Vis bekende informatie zijn verklaringen omtrent zijn identiteit heeft aangepast. Verweerder heeft er ook terecht op gewezen dat eiser geen bevredigende uitleg heeft gegeven voor het feit dat hij zijn identiteitsdocumenten niet heeft meegenomen of heeft laten overkomen uit Algerije.

3. Daarnaast heeft verweerder terecht ten nadele van eiser in zijn beoordeling betrokken dat eiser eerder in zowel Spanje als Frankrijk heeft nagelaten om internationale bescherming te vragen en dat eiser heeft verklaard ook vanwege het gebrek aan werk of toekomst Algerije te hebben verlaten.

4. Verder heeft verweerder terecht aangenomen dat eiser zijn relaas had kunnen onderbouwen met de gestelde aangifte van mishandeling en stukken van het ziekenhuis of andere documentatie van de behandeling die eiser zegt te hebben gehad. Verweerder heeft niet ten onrechte geconcludeerd dat eiser geen geloofwaardige uitleg heeft gegeven voor het ontbreken van deze stukken.

5. Eisers verklaringen over zijn problemen met een criminele bende zijn niet ten onrechte als ongeloofwaardig bestempeld. Daarbij heeft verweerder terecht overwogen dat eiser niet heeft weten uit te leggen waarom uitgerekend hij jarenlang zou zijn achtervolgd door zijn belagers om de reden dat hij op enig moment in 2013 zou hebben geweigerd om voor hen als drugskoerier te werken. Ook heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiser heeft verklaard dat hij ondanks deze gestelde problemen is blijven werken op de plaats waar hij door zijn belagers werd benaderd. Los hiervan heeft verweerder nog terecht gewezen op de wisselende verklaringen van eiser over de houding van de politie bij de aangifte. De omstandigheid dat eiser een litteken heeft op zijn onderarm, doet aan de ongeloofwaardigheid van de gestelde aanleiding voor dat litteken niet af.

6. Verweerder heeft terecht overwogen dat eiser de gestelde ondervonden discriminatie niet heeft gestaafd, terwijl uit zijn verklaringen ook moet worden afgeleid dat zijn leven in Algerije niet onhoudbaar was. Immers had hij in Algerije een woning en werk, heeft hij scholing genoten en heeft hij toegang gehad tot medische zorg. De enkele stelling van eiser dat hij behoort tot de Amezigh en dat hij als Berber te maken heeft met discriminatie, leidt niet tot een ander oordeel.

7. Gelet op het voorgaande heeft verweerder niet ten onrechte geoordeeld dat het asielrelaas van eiser niet geloofwaardig is.

8. Algerije wordt beschouwd als een veilig land van herkomst (AbRS 8 maart 2017 en 31 juli 2017). De aangevoerde omstandigheid dat er geen recent Algemeen Ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over dit land is opgesteld, dwingt verweerder niet tot een nader onderzoek. In het bestreden besluit is uitgebreid gemotiveerd op basis van welke – recentere – rapporten de situatie in Algerije is beoordeeld. De eveneens genoemde omstandigheid dat de aanwijzing van Algerije als veilig land van herkomst dateert uit 2016 is evenmin reden om van verweerder nader onderzoek te verlangen. Eiser heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht, die niet reeds zijn betrokken in de aanwijzing van Algerije als veilig land van herkomst en die wel aanleiding zouden moeten zijn voor een nader onderzoek. Evenmin heeft eiser aannemelijk gemaakt dat Algerije specifiek voor hem geen veilig land is.

9. Gelet hierop, maar daarnaast ook omdat is vastgesteld dat eiser verweerder heeft misleid omtrent zijn identiteit, is de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.

10. Op grond hiervan heeft verweerder kunnen besluiten om aan eiser een vertrektermijn te onthouden. Verweerder was vervolgens gehouden een inreisverbod op te leggen. Verweerder heeft gemotiveerd dat eiser geen individuele omstandigheden heeft aangedragen op grond waarvan een inreisverbod achterwege zou moeten blijven.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat hij hierover nog afzonderlijk had moeten worden gehoord. Eiser is in zijn zienswijze ingegaan op het inreisverbod en heeft daarbij niet aangevoerd dat deze gelegenheid niet volstond om individuele omstandigheden aan te voeren.

11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. A.E. Paulus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.