Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:2946

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-03-2018
Datum publicatie
13-04-2018
Zaaknummer
NL18.2982
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

asiel, Dublin Duitsland, eiser stelt dat hij ten onrechte niet is gehoord over de overdracht naar Duitsland, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.2982


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. N. van Luijk),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Rennen).

Procesverloop

Bij besluit van 12 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.2983, plaatsgevonden op 6 maart 2018. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1994 en de Eritrese nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 7 november 2017 een asielaanvraag ingediend.

2. Verweerder heeft de aanvraag niet in behandeling genomen en heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Deze verordening is de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Dublinverordening). In dit geval heeft Nederland op
28 november 2017 bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 1 december 2017 aanvaard.

3. Eiser voert, zakelijk weergegeven, aan dat hij ten onrechte niet is gehoord over een overdracht naar Duitsland. Eiser is slechts gehoord over een overdracht naar Italië. De enkele mogelijkheid om zijn bezwaren hiertegen schriftelijk kenbaar te maken is onvoldoende volgens eiser. Daarnaast heeft eiser geen vertrouwen in de Duitse asielprocedure. Het is voor hem onbegrijpelijk dat Duitsland zijn asielaanvraag heeft afgewezen, ondanks dat hij uit Eritrea komt en de situatie daar gevaarlijk is. Eiser stelt dat hij reeds daarmee heeft aangetoond dat er sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de Duitse asielprocedure. Subsidiair doet eiser een beroep op artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, nu overdracht aan Duitsland gelet op zijn persoonlijke en individuele omstandigheden van een onevenredige hardheid getuigt.

4.1

De rechtbank is van oordeel dat eiser voldoende in de gelegenheid is gesteld om zijn bezwaren tegen de overdracht aan Duitsland kenbaar te maken. Eiser is reeds gehoord in het kader van de overdracht naar Italië. Voorts heeft eiser bij brief van 26 januari 2018 schriftelijk gereageerd op de voorgenomen overdracht naar Duitsland en heeft eiser ook een zienswijze in deze procedure ingediend. Eiser is niet ter zitting verschenen om een nadere toelichting te geven. Gelet op vorenstaande heeft eiser voldoende gelegenheid gehad om zijn bezwaren tegen de overdracht nader toe te lichten. Het standpunt van eiser dat hij opnieuw in persoon gehoord had dienen te worden wordt niet gevolgd.

4.2.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat in Duitsland sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de asielprocedure die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat vreemdelingen na overdracht aan Duitsland een reëel risico lopen op een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest van de Europese Unie of artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De enkele stelling van eiser dat het voor hem onbegrijpelijk is dat hij als Eritreeër in Duitsland geen asielvergunning heeft gekregen, en dat daarmee al aangetoond is dat sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen, is onvoldoende. De autoriteiten van Duitsland hebben middels het claimakkoord gegarandeerd het verzoek van eiser om internationale bescherming in behandeling te nemen, zoals bedoeld in artikel 18, aanhef en onder d, van de Dublinverordening. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, moet worden aangenomen dat de Duitse autoriteiten de opvolgende asielaanvraag volgens de regels van het Europese recht zal behandelen. Onder die regels valt ook het verbod op refoulement. Dat verbod betekent dat een vluchteling niet naar een land zal worden uitgezet waar deze persoon vervolging, foltering of andere mishandeling heeft te vrezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen niet zal nakomen. Als het door de Duitse autoriteiten te nemen besluit volgens eiser in strijd is met artikel 3 van het EVRM, het refoulementverbod, of andere verdragsverplichtingen, dan is het aan eiser om daarover te klagen bij de geëigende autoriteiten in Duitsland. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij die mogelijkheid niet heeft in Duitsland.

Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van eiser naar Duitsland van een onevenredige hardheid getuigt. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet gehouden is om eisers asielverzoek op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich te trekken.

4.3

Ten aanzien van eisers stelling dat hij in Nederland als Eritreeër waarschijnlijk wel in aanmerking voor een asielvergunning zou zijn gekomen, overweegt de rechtbank dat in deze procedure slechts ter beoordeling staat welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. C.E.B. Davis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.