Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:2945

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-03-2018
Datum publicatie
13-04-2018
Zaaknummer
NL18.3155
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

asiel, Dublin Slovenië, medische stukken leiden er niet toe dat Nederland het verzoek aan zich dient te trekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.3155


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2018 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

Mede namens haar minderjarige kind:

[kind], geboren op [geboortedatum kind] 2011, Iraanse nationaliteit

(gemachtigde: mr. F. Khodajoo-Aziz Maleki),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Rennen).

Procesverloop

Bij besluit van 13 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Slovenië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.3156 plaatsgevonden op 6 maart 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer M.A. Gardezy. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1984 en de Iraanse nationaliteit te hebben. Zij heeft, mede namens haar minderjarige kind, op 1 oktober 2017 een asielaanvraag ingediend.

2. Verweerder heeft de aanvraag niet in behandeling genomen. Hij heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Deze verordening is de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Dublinverordening). In dit geval heeft Nederland op
17 oktober 2017 bij Slovenië een verzoek om overname gedaan. Slovenië heeft dit verzoek op 27 november 2017 aanvaard.

3. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte geen gebruik maakt van zijn discretionaire bevoegdheid om haar asielaanvraag op grond van artikel 17, van de Dublinverordening aan zich te trekken. Overdracht naar Slovenië getuigt volgens eiseres van onevenredige hardheid omdat haar dochtertje autistisch is en niet tegen veranderingen kan. Zij heeft op dit moment in Nederland vastigheid gevonden waardoor zij zich goed aan het ontwikkelen is. De psychische toestand van haar dochtertje is volgens eiseres zeer slecht en als zij in deze toestand aan Slovenië zal worden overgedragen, zal zij een reële kans lopen op aanzienlijke onomkeerbare achteruitgang van haar gezondheid. Door eiseres en haar dochtertje over te dragen aan Slovenië handelt verweerder in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4. De rechtbank overweegt het volgende.

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat Slovenië de verantwoordelijke lidstaat is voor de behandeling van het asielverzoek van eiseres. Tussen partijen is in geschil of Nederland het asielverzoek op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich dient te trekken. Eiseres beroept zich hiervoor op de psychische toestand van haar dochtertje, welke zij met medische stukken heeft onderbouwd.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de medische situatie van zowel eiseres als haar minderjarige dochter niet tot de conclusie dient te leiden dat zij niet overgedragen zouden kunnen worden aan Slovenië. De rechtbank verwijst daarvoor naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017 inzake C.K. e.a. tegen Slovenië (ECLI:EU:C:2017:127). In dat arrest heeft het Hof bepaald dat artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest) aldus moet worden uitgelegd dat zelfs indien niet ernstig hoeft te worden gevreesd voor systeemfouten in de verantwoordelijke lidstaat, een asielzoeker slechts kan worden overgedragen in het kader van de Dublinverordening in omstandigheden waarin het uitgesloten is dat die overdracht een reëel en bewezen risico inhoudt dat betrokkene wordt onderworpen aan onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van dat artikel. De overdracht van een asielzoeker met een ernstige mentale of lichamelijke aandoening in omstandigheden waarin die overdracht een reëel en bewezen risico zou inhouden op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van de betrokkene, zou een onmenselijke en vernederende behandeling in de zin van dat artikel vormen. Het is aan de overdragende staat om te beoordelen of de gezondheidstoestand van een vreemdeling zodanig ernstig is dat er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat de overdracht leidt tot een reëel risico voor de vreemdeling om te worden onderworpen aan onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord is het aan de overdragende staat om de twijfels weg te nemen en te verzekeren dat de benodigde maatregelen voor de uitvoering van de overdracht worden genomen, dan wel dat de overdracht zo nodig zal worden uitgesteld tot het moment waarop de gezondheidstoestand van de vreemdeling niet langer aan de weg staat aan de overdracht.

De rechtbank overweegt dat eiseres onvoldoende aanknopingspunten naar voren heeft gebracht voor de conclusie dat overdracht in strijd zou zijn met artikel 4 van het Handvest. Naar het oordeel van de rechtbank kan noch uit de medische stukken van eiseres noch uit het overgelegde medisch dossier van het dochtertje van eiseres worden afgeleid dat bij de overdracht een reëel en bewezen risico zou bestaan op een aanzienlijke onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand. Ook is niet aannemelijk geworden dat Nederland het meest aangewezen land is om het dochtertje van eiseres te behandelen. Niet is gebleken dat in Slovenië geen goede behandelmogelijkheden zouden zijn. Daarnaast heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres zich, in het geval van eventuele problemen, dient te wenden tot de daartoe aangewezen (hogere) autoriteiten van Slovenië. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij dit niet zou kunnen of dat de autoriteiten van Slovenië haar niet zouden kunnen of willen helpen. In het claimakkoord is voorts opgenomen dat eiseres een minderjarig kind heeft, zodat de Sloveense autoriteiten daar bij overdracht van op de hoogte zijn. In wat eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank, uitgaande van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, geen aanleiding om te vrezen voor schending van artikel 4 van het Handvest in geval van overdracht zonder nader onderzoek door verweerder. Hoewel de rechtbank inziet dat eiseres zich in een moeilijke positie bevindt, kan dit er niet toe leiden dat Nederland het asielverzoek van eiseres op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich dient te trekken.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. C.E.B. Davis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.