Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:2941

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-03-2018
Datum publicatie
13-04-2018
Zaaknummer
NL18.2886
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

asiel, homoseksualiteit, beroep ongegrond, motie D66, artikel La Violetta

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.2886


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. E.R. Hagenaars),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Rennen).


Procesverloop
Bij besluit van 4 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.2887, plaatsgevonden op 6 maart 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Ahmad. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1986 en de Iraakse nationaliteit te hebben. Op
28 december 2017 heeft eiser een asielaanvraag ingediend.

2. Eiser heeft eerder, op 2 september 2008, een asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 11 juni 2009 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Het hiertegen

ingediende beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van
29 december 2011 ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft deze uitspraak op 4 april 2012 bevestigd. Eiser heeft daarna, op 6 oktober 2014, een opvolgende asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is ook door verweerder afgewezen. Het hiertegen ingediende beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 19 juni 2017 niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is door de Afdeling bevestigd op 10 augustus 2017. De huidige aanvraag van
28 december 2017 is ook een opvolgende aanvraag.

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

- Identiteit, nationaliteit en herkomst;

- Homoseksuele gerichtheid;

- Bekering tot het christendom.

Verweerder acht, kort samengevat, de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Verweerder acht de door eiser gestelde homoseksualiteit en bekering tot het christendom echter ongeloofwaardig.

4. Eiser voert, zakelijk weergegeven, aan dat verweerder de door eiser gestelde homoseksualiteit ten onrechte ongeloofwaardig heeft bevonden. Het is niet bevreemdend dat eiser op latere leeftijd een definitieve keuze heeft gemaakt met betrekking tot de eigen seksuele identificatie. Dat iemand homoseksueel is betekent voorts niet dat hij of zij geen seksuele contacten zal hebben met iemand van het andere geslacht. Verweerder heeft eiser ten onrechte tegenstrijdigheden tegengeworpen over de door eiser genoemde relaties en vriendschappen. Dat eiser nu een relatie heeft met iemand anders ([persoon A]) wil voorts niet zeggen dat hij een andere vriend wil gaan zoeken, nadat hij een status heeft. Verweerder velt een moreel oordeel over eisers geaardheid, hetgeen ten onrechte is. Eiser voert voorts aan dat verweerder door toepassing te geven aan zijn Werkinstructie 2015/9 geen zorgvuldig onderzoek heeft verricht naar zijn seksuele gerichtheid en een onjuiste beoordelingswijze heeft toegepast. Eiser wijst in dit kader op de in de Tweede Kamer aangenomen motie van D66 van 30 november 2017, waarin de regering wordt verzocht te onderzoeken of de beoordeling van de geloofwaardigheid van bekeerlingen en de seksuele gerichtheid van asielzoekers kan worden verbeterd en hiertoe met voorstellen te komen. Volgens eiser kan verweerder, gelet op het feit dat hij in zijn brief van 9 januari 2018 aan de Tweede Kamer heeft medegedeeld nader onderzoek te zullen (laten) doen naar de Werkinstructie 2015/9, niet zonder meer ervan uitgaan dat de in de Werkinstructie gehanteerde beoordelingswijze juist is. Voorts blijkt volgens eiser uit het artikel ‘Sexual Orientation and the Refugee Determination Process: Questioning a Claimant About Their Membership in the Particular Social Group’ van N. LaViolette, dat bij de totstandkoming van de Werkinstructie 2015/9 is betrokken, dat zij zich op het standpunt stelt dat het de nadruk leggen op een proces van bewustwording en zelfacceptatie slechts mag geschieden wanneer van de zijde van de overheid ernstige twijfels bestaan aan het waarheidsgehalte van het relaas van een gestelde homoseksuele asielzoeker. Dat de asielzoeker een innerlijk proces van bewustwording en zelfacceptatie moet hebben doorgemaakt als hij afkomstig is uit een land waar een taboe rust op homoseksualiteit of homoseksualiteit verboden is, is slechts een vermoeden dat niet wetenschappelijk is onderbouwd.

5. De rechtbank overweegt het volgende.

5.1

De rechtbank stelt vast dat in beroep slechts eisers gestelde homoseksualiteit ter beoordeling voorstaat. Eiser is niet opgekomen tegen de door verweerder ongeloofwaardig geachte bekering tot het christendom.

5.2

Ten aanzien van de stelling van eiser in beroep dat verweerder bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van iemands seksuele gerichtheid een onjuiste toets hanteert, overweegt de rechtbank als volgt. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in haar uitspraak van 15 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1630) heeft verweerder in de Werkinstructie 2015/9 de systematiek aan de hand waarvan hij de geloofwaardigheid van iemands seksuele gerichtheid beoordeelt, voldoende inzichtelijk gemaakt. De Afdeling heeft in die uitspraak verder geconcludeerd dat de wijze van beoordeling aan de hand van de Werkinstructie in beginsel juist is. Zoals de Afdeling heeft overwogen in die uitspraak hecht verweerder in de regel terecht veel waarde aan de verklaringen van een vreemdeling over zijn eigen ervaringen. Elke vreemdeling die een seksuele gerichtheid als asielmotief aanvoert, zal zich op enig moment van die gerichtheid bewust zijn geworden en zich gerealiseerd hebben dat zijn gerichtheid in zijn omgeving of land van herkomst niet algemeen geaccepteerd wordt of zelfs strafbaar is gesteld. Hij moet daarom kunnen verklaren over het moment waarop of de periode waarin hij zich bewust is geworden van zijn seksuele gerichtheid, wat deze seksuele gerichtheid voor hem heeft betekend en welke invloed dit heeft gehad voor de manier waarop hij uiting heeft gegeven aan zijn seksuele gerichtheid. Dit alles bezien tegen de achtergrond van zijn land van herkomst en de omgeving waaruit hij afkomstig is. Daarbij verwacht verweerder niet dat in alle gevallen een vreemdeling een uitgebreid bewustwordingsproces heeft doorlopen of een innerlijke worsteling heeft doorgemaakt, omdat dit te zeer zou uitgaan van stereotiepe opvattingen over een seksuele gerichtheid of een bepaald land. In deze uitspraak heeft de Afdeling tevens het door eiseres aangehaalde artikel van N. LaViolette betrokken. De rechtbank ziet geen grond om thans tot een ander oordeel te komen dan de Afdeling destijds heeft gedaan. De omstandigheid dat de Tweede Kamer een motie heeft aangenomen die oproept te onderzoeken of de beoordeling van de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid van asielzoekers kan worden verbeterd en verweerder naar aanleiding daarvan bereid is om dat te (laten) onderzoeken, biedt evenmin grond voor het oordeel dat de onderzoeksmethode zoals neergelegd in Werkinstructie 2015/9 thans zonder meer onzorgvuldig is of de wijze van beoordeling onjuist. Het aangekondigde onderzoek moet immers nog plaatsvinden. Daarbij komt dat het te verrichten onderzoek blijkens de brief van verweerder aan de Tweede Kamer van 9 januari 2018 niet zozeer is gericht op de vraag of de onderzoeksmethodiek en beoordelingswijze van Werkinstructie 2015/9 al dan niet juist zijn, maar op de vraag of daarin verbeteringen mogelijk zijn. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.

5.3

De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat eiser zijn gestelde homoseksualiteit niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiser heeft tijdens het nader gehoor verklaard dat hij zich op jonge leeftijd al bewust was van zijn homoseksuele gerichtheid en dat hij bij aankomst in Nederland het gevoel had volledig overtuigd te zijn van zijn geaardheid. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat dit in strijd is met eisers latere verklaringen dat hij zichzelf pas in Nederland is gaan zien als homoseksueel. Dit doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van eisers relaas. Daarnaast is de rechtbank met verweerder van oordeel dat eiser vaag heeft verklaard over zijn proces van bewustwording. Eiser heeft slechts verklaard dat hij het normaal vond om homoseksuele gevoelens te hebben en dat het moeilijk voor hem was om als puber bewust te worden van zijn geaardheid. Verweerder heeft dit te oppervlakkig kunnen achten, gelet op het feit dat eiser uit Irak komt, waar homoseksualiteit verboden is en waar eiser, zoals hij zelf ook heeft verklaard, om die reden gedood kan worden. Eiser heeft voorts ter zitting erkend dat zijn verklaringen tijdens het nader gehoor, over enerzijds zijn relatie met [persoon A] en anderzijds dat hij een vriend kan gaan zoeken zodra hij een status heeft, als tegenstrijdig kunnen worden gezien. Hij stelt echter dat hieruit wel blijkt dat eiser relaties wil met mannen en dat deze tegenstrijdigheid niet per se iets hoeft te zeggen over zijn geaardheid. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Het is aan eiser om zijn asielrelaas aannemelijk te maken. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat het feit dat eiser tegenstrijdig verklaart over iets essentieels als het wel of niet hebben van een relatie, afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn relaas.

6. Eiser komt niet in aanmerking voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De aanvraag is terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Dutrieux, rechter, in aanwezigheid van mr. C.E.B. Davis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.