Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:2932

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-02-2018
Datum publicatie
13-04-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 2877
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen nieuw element en niet aannemelijk dat eiser bij terugkeer naar Pakistan een reëel risico loopt op een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/2877

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 februari 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. F.H. Bruggink),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. L.T. Krabbenborg).

Procesverloop

Bij besluit van 6 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de opvolgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2017.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft aanleiding gezien het onderzoek ter zitting te schorsen om verweerder de gelegenheid te geven nader onderzoek te verrichten.

Verweerder heeft op 13 september 2017 een aanvullend besluit genomen.

Eiser heeft bij brief van 12 oktober 2017 nadere gronden ingediend.

De rechtbank heeft op 27 oktober 2017 partijen verzocht om binnen vier weken aan te geven of zij mondeling op zitting nader willen worden gehoord. Partijen hebben hierop niet gereageerd.

De rechtbank heeft het onderzoek op 27 november 2017 gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank overweegt dat ingevolge het bepaalde in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) het beroep mede is gericht tegen het besluit van verweerder van 13 september 2017.

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser heeft op 26 februari 2015 een aanvraag ingediend voor verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Het beroep tegen deze afwijzing is bij uitspraak van 28 april 2016 van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in deze uitspraak geoordeeld dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de bekering van eiser tot het Ahmadi-geloof niet geloofwaardig is. Het enkele feit dat eiser formeel bekend is als Ahmadi maakt niet dat hij reeds daarom in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft de uitspraak van de rechtbank bij uitspraak van 23 augustus 2016 bevestigd.

3. Op 2 februari 2017 heeft eiser onderhavige aanvraag ingediend. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag de volgende documenten overgelegd:

  • -

    Een foto;

  • -

    Het hoger beroepschrift uit de vorige procedure;

  • -

    Een laissez-passer Duitsland;

  • -

    Een brief van de Unit Dublin;

  • -

    Een Huwelijkscertificaat;

  • -

    Een verklaring van de Ahmadiyya moslimgemeenschap Den Haag van 10 augustus 2015;

  • -

    Een vaantje van zijn werk als beveiliger op een conferentie in Duitsland;

  • -

    Een vliegticket van zijn reis naar Duitsland;

  • -

    Een pasje van de conferentie in Duitsland;

  • -

    Vier toegangskaartjes van deze conferentie;

  • -

    Vijf brieven van de secretaris van de Khalifah en een persoonlijke brief van de Khalifah, inclusief enveloppe;

  • -

    Een verklaring van de Mobarak moskee Den Haag van 31 januari 2017;

  • -

    verschillende schriftelijke stukken omtrent de algemene situatie van Ahmadi’s in Pakistan overgelegd.

4. Verweerder heeft eisers aanvraag niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser geen nieuwe elementen of bevindingen aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd.

5. Eiser kan zich niet vinden in het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Ten onrechte worden de certificaten en bewijsstukken van de Ahmadi Djamaat Nederland niet objectief en verifieerbaar geacht. Eiser verwijst naar een email wisseling tussen verweerder en de Ahmadi Djamaat Nederland over het inbrengen, de bewijskracht en de verificatie van de door de gemeenschap afgegeven certificaten. Ook verwijst eiser naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Den Bosch van 14 mei 2015. Verweerder wijkt af van zijn eigen beleid. Reeds daarom kan eiser niet worden tegengeworpen dat hij de nadere verklaring van de Mobarak-moskee pas bij onderhavige aanvraag heeft overgelegd. De Ahmadi gemeenschap is goed georganiseerd. Anders dan verweerder stelt is het wel inzichtelijk hoe het onderzoek in Pakistan is uitgevoerd.

Nu gedocumenteerd vaststaat dat eiser een actief lid was en is van de Ahmadi beweging, is van belang dat er in Pakistan sprake is van groepsvervolging van Ahmadi’s. Eiser wijst in dit verband op een uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 23 januari 2015 (zaaknummer Awb 14/12383 en Awb 14/12386). Verweerder verwijst in het bestreden besluit naar de uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2014, zaaknummer 201300914/1, maar deze uitspraak ziet op gevallen waarin geen bewijs voorhanden is die de geloofsovertuiging onderbouwt. Ook stelt eiser dat de door verweerder gehanteerde vaste gedragslijn bij bekering vooral ziet op bekeringen tot het christendom. De verschillen tussen Soeni en Ahmadi zijn enerzijds weinig talrijk maar anderzijds essentieel. Het is dan ook niet voor niets dat verweerder de beantwoording van de vraag of sprake is van een echte Ahmadi (en oprechte bekering) in handen heeft gesteld van de Ahmadi Djamaat Nederland. Voorts zijn de inhoudelijke tegenwerpingen in het voornemen en het besluit uit de eerste procedure over de gebeurtenissen, die ten onrechte in de vorige procedure niet zijn bestreden, heel goed te bestrijden. Verweerder gaat in het bestreden besluit ten onrechte en ondeugdelijk gemotiveerd voorbij aan het beroep op het arrest van het EHRM van 19 januari 2016 inzake M.D. en M.A. tegen België.

6. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een opvolgende asielaanvraag en zal het besluit over deze aanvraag toetsen aan de hand van de tegen dit besluit aangevoerde beroepsgronden en zal toetsen of verweerder niet ten onrechte de aanvraag niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1759).

7. De rechtbank is van oordeel dat hetgeen eiser heeft aangevoerd met betrekking tot het door verweerder gehanteerde toetsingskader om de gestelde bekering van eiser te toetsten niet als nieuw element of bevinding kan worden aangemerkt. Immers, de gestelde bekering van eiser is door verweerder getoetst en ongeloofwaardig bevonden. Dit besluit staat in rechte vast. De nu ter beoordeling voorliggende opvolgde asielaanvraag kan niet leiden tot een herbeoordeling van zijn eerste asielaanvraag.

8. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser in onderhavige procedure met de overgelegde documenten geen nieuwe elementen of bevindingen naar voren heeft gebracht. Ook bij zijn eerdere aanvraag heeft eiser zijn gestelde bekering onderbouwd met documenten. Hij heeft destijds onder andere een bewijs van betaling aan de Ahmadi gemeenschap in [buitenland], een bevestigingsbrief van [persoon A], een Ahmadi-huwelijksakte, de geboorteakte van zijn zoon, en een verklaring van de Mobarak Moskee overgelegd.

8.1.

De rechtbank overweegt dat verweerder niet ten onrechte de nieuwe verklaring van de Mobarak Moskee (de Ahmadi Djamaat Nederland) onvoldoende heeft geacht om als nieuw element aan te merken. Ook uit de overige bij onderhavige aanvraag overgelegde documenten blijkt niet dat anders dan voorheen, verweerder thans wel van een oprechte bekering uit heeft hoeven gaan.

8.2.

De verwijzing van eiser naar de gestelde vaste gedragslijn van verweerder dat een verklaring van de Ahmadi Djamaat Nederland voldoende is om vast te stellen dat hij het Ahmadi geloof aanhangt kan niet slagen. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat het aan de vreemdeling is om zijn bekering aannemelijk te maken en dat de vreemdeling daartoe overtuigend dient te verklaren. Het overleggen van documenten is hiertoe onvoldoende. Nu eiser met zijn verklaringen omtrent zijn bekering daarin niet in is geslaagd en het besluit hieromtrent van verweerder in rechte vast staat, is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet ten onrechte de overgelegde verklaring van Ahmadi Djamaat Nederland niet als nieuw element heeft aangemerkt waaruit kan worden geconcludeerd dat nu sprake is van een diepgewortelde bekering.

9. Voorts heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een wezenlijke verandering van eisers motieven voor en het proces van bekering ten opzicht van de voorgaande procedure. Eiser heeft aangegeven dat hij de geestelijk leider heeft ontmoet, veel literatuur heeft gelezen en veel contact heeft met Ahmadi-leden. Van deze handelingen was reeds sprake in de vorige procedure.

10. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het bovenstaande eveneens dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Pakistan een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Zoals de rechtbank reeds in de uitspraak van 28 april 2016 heeft overwogen, maakt het enkele feit dat eiser formeel als Ahmadi geregistreerd staat nog niet dat hij reeds daarom in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat. De rechtbank ziet daarom geen grond voor het oordeel dat sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden, zoals bedoeld in het arrest Bahaddar, die verweerder ertoe te verplichten eiser toch een verblijfsvergunning te verlenen.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Gunster, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.