Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:2929

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-03-2018
Datum publicatie
13-03-2018
Zaaknummer
C/09/545612 / FA RK 18-1
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

voorlopige voogdijmaatregel uitgesproken in het kader van een teruggeleidingsprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2018-0084
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den HAAG

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 18-1

Zaaknummer: C/09/545612

Datum beschikking: 16 januari 2018

Internationale kinderontvoering/ voorlopige voogdij (ex artikel 13 lid 4 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering)

Beschikking op het op 2 januari 2018 ingekomen verzoek van:

[verzoeker] ,

de vader,

wonende te Australië,

advocaat: mr. M. Groenleer te ’s-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[belanghebbende] ,

de moeder,

verblijvende te ’ [verblijfplaats]

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. T.M. Coppes te ’s-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    de brief van 15 januari 2018 van mr. Coppes namens moeder.

Op 16 januari 2018 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk in de Engelse taal;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk in de Engelse taal;

- namens de Raad voor de Kinderbescherming: mevrouw [naam] .

Het betrof hier een regiezitting met het oog op crossborder mediation in internationale kinderontvoeringszaken.

Op genoemde regiezitting is aan partijen de gelegenheid geboden om een crossborder mediation traject te volgen, gefaciliteerd door het Mediation Bureau van het Centrum Internationale Kinderontvoering, teneinde tot een minnelijke regeling te komen. Partijen hebben daar om hen moverende redenen geen gebruik van gemaakt.

De behandeling ter terechtzitting is aangehouden

Verzoek en verweer

De vader heeft verzocht de onmiddellijke terugkeer van zijn minderjarige dochter [minderjarige] te bevelen, althans de terugkeer van de minderjarige uiterlijk op 15 februari 2018, waarbij de moeder de minderjarige dient terug te brengen naar Australië, meer specifiek naar het woonadres van partijen, dan wel – indien de moeder nalaat de minderjarige terug te brengen – te bepalen op welke datum de moeder de minderjarige met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven uiterlijk op 18 februari 2018, zodat hij de minderjarige zelf mee terug kan nemen naar Australië, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De moeder heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de vader, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie gehad.

- Zij zijn de ouders van het volgende thans nog minderjarige kind:

- [minderjarige] (hierna [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Duitsland.

- De vader heeft de Australische nationaliteit, de moeder heeft de Guatamalese en Duitse nationaliteit en de minderjarige heeft de Duitse en Australische nationaliteit.

- De vader heeft zich niet gemeld bij de Nederlandse Centrale Autoriteit;

- [minderjarige] bevindt zich thans met de moeder in [verblijfplaats]

Beoordeling

Artikel 13, vierde lid van de Uitvoeringswet bepaalt dat de rechter op verzoek of ambtshalve een voogdij-instelling kan belasten met de voorlopige voogdij over een kind, indien gevaar bestaat dat het wordt onttrokken aan de tenuitvoerlegging van een bevel tot teruggeleiding.

In het verzoekschrift is vermeld dat de vrouw in Nederland verblijft en aan de man heeft meegedeeld naar Duitsland te willen verhuizen. Bij de man is de vrees aanwezig dat de vrouw Nederland zal verlaten waardoor tenuitvoerlegging van een eventuele teruggeleidingsbeschikking niet uitvoerbaar zal zijn.

In de brief van 15 januari 2018 die van de zijde van de moeder is overgelegd is naar voren gebracht dat de moeder niet in Nederland maar in Duitsland woonachtig is. Op de regiezitting heeft de moeder aangevoerd na de regiezitting terug naar Duitsland te gaan, waar ze een woning huurt aan de [adres] (Duitsland). Zij heeft voorts vermeld voor de MK-zitting terug naar Nederland te zullen komen. Ook geeft zij aan dat zij in Duitsland als medicus wil werken en daartoe haar diploma’s heeft laten erkennen en dat er geen enkele vrees bestaat dat zij Duitsland zal verlaten naar een onbekende bestemming.

Namens de Raad is naar voren gebracht dat er vluchtgevaar bestaat nu de moeder geen vast adres in Nederland heeft. Voorts acht de Raad hulpverlening aan de ouders in het belang van [minderjarige] nodig nu de ouders verharden in hun strijd.

De rechtbank is van oordeel dat er op dit moment voldoende concrete feiten aanwezig zijn die duiden op de mogelijkheid dat [minderjarige] aan de tenuitvoerlegging van een bevel tot teruggeleiding zal worden onttrokken. De moeder beschikt niet over een adres in Nederland waar zij staat ingeschreven en zij is voornemens naar Duitsland te vertrekken. Dat de moeder daadwerkelijk op het gemelde adres in Duitsland is ingeschreven is thans niet gebleken, nog daargelaten dat inschrijving op dit adres evenmin zekerheid biedt dat de moeder daadwerkelijk voornemens is op dit adres te verblijven.

Dit alles leidt ertoe dat een voogdij-instelling moet worden belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige] .

De rechtbank zal de Stichting Leger des Heils, Jeugdbescherming en Reclassering, gevestigd te Utrecht (locatie Den Haag) belasten met de voorlopige voogdij over [minderjarige] tot het moment waarop een eventuele beslissing tot teruggeleiding van [minderjarige] ten uitvoer zal worden gelegd. Indien het verzoek tot teruggeleiding wordt afgewezen, volgt uit artikel 13, vierde lid, van de Uitvoeringswet dat deze beschikking van rechtswege haar kracht verliest.

De beslissing op het verzoek tot teruggeleiding en de verzochte proceskostenveroordeling zullen worden aangehouden tot de nader te bepalen zitting van de meervoudige kamer.

(alleen opnemen indien kostenveroordeling is verzocht)

Beslissing

De rechtbank:

belast de Stichting Leger des Heils, Jeugdbescherming en Reclassering zijnde een stichting zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg, met de voorlopige voogdij over het minderjarige kind:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Duitsland;

van 16 januari 2018 tot het moment waarop een eventuele beslissing tot teruggeleiding ten uitvoer zal zijn gelegd;

stelt vast dat alle bevoegdheden ten aanzien van de persoon en het vermogen van voornoemde kinderen aan Leger des Heils, Jeugdbescherming en Reclassering worden toegekend, onder de voorwaarde dat de kinderen niet uit huis wordt geplaatst dan na instemming van de kinderrechter;

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van het verzoek tot teruggeleiding aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, tevens kinderrechters, bijgestaan door mr. K. Willems als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 januari 2018.

Van deze beschikking kan -voor zover er definitief is beslist- hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.