Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:2895

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-02-2018
Datum publicatie
16-03-2018
Zaaknummer
C/09/514963 / HA ZA 16-849
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid overheid wegens onrechtmatige rechtspraak in wrakingsprocedure bij rechtbank Noord-Holland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RBP 2018/54
NJF 2018/228
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/514963/HA ZA 16-849

Vonnis van 28 februari 2018

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

2. [eiser sub 2],

beiden wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

eisers,

advocaat mr. J.M.R. Vlaar te Budel,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. M. Dijkstra te Den Haag.

Partijen zullen hierna [eisers] en de Staat genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 7 juli 2016, tevens houdende een incidentele vordering, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord van 20 juli 2016, tevens houdende de conclusie van antwoord op de incidentele vordering, met producties;

  • -

    het vonnis in het incident van 24 augustus 2016, waarbij de vordering in het incident is afgewezen;

  • -

    de producties 4 en 5 zijdens [eisers] van 21 september 2016;

  • -

    het vonnis van 7 december 2016 waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    de akte houdende wijziging van eis alsmede aanvullende producties van [eisers] van 18 december 2017;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen gehouden op 18 december 2017 met de daarin vermelde stukken.

1.2.

Het proces-verbaal van comparitie is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken over het proces-verbaal voor zover het feitelijke onjuistheden betreft. Partijen hebben daarvan geen gebruik gemaakt.

1.3.

Ten slotte is de uitspraak van dit vonnis aangehouden en bepaald op 28 februari 2018.

2 De feiten

De wrakingsprocedure

2.1.

Jegens (onder anderen) [eisers] en [B.V. I] is een faillissementsverzoek ingediend bij de rechtbank Noord-Holland, waarvan de behandeling was bepaald op 7 juni 2016 op de locatie Alkmaar (zie over de faillissementsprocedure bij 2.5 en verder). [eisers] en [B.V. I] hebben verzocht de zaak naar een andere rechtbank te verwijzen. In overleg met [eisers] en [B.V. I] is de zaak voor verdere behandeling verwezen naar de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem. De zaak is vervolgens op 21 juni 2016 behandeld door mr. W.S.J. Thijs. Kort na aanvang van de behandeling hebben [eisers] en [B.V. I] een wrakingsverzoek ingediend jegens de behandelend rechter alsmede jegens de gehele rechtbank Noord-Holland.

2.2.

Het proces-verbaal van de zitting van 21 juni 2016 houdt onder meer het volgende in:

“Mr. Vlaar verklaart – zakelijk weergegeven – ik heb een punt van orde. Mijn cliënt staat er op de rechtbank te wraken.

Mr. Denninger verklaart – zakelijk weergegeven – : Ik vraag mij af of de heer [A] hier wel namens de gerekestreerden het woord kan voeren.

[A] verklaart – zakelijk weergegeven – : Ik leg hierbij de machtigingen over van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] , laatstgenoemde ook in zijn hoedanigheid van directeur van de vennootschap [B.V. I] , om namens hen hier vandaag het woord te voeren. De rechter staat [A] vervolgens toe om namens de gerekestreerden het woord te voeren.

Nadat de rechter de heer [A] heeft verzocht zich te beperken tot opgave van de wrakingsgronden heeft [A] vervolgens de volgende wrakingsgronden voorgedragen:

[volgt weergave van de veertien wrakingsgronden van de rechtbank Noord-Holland, rb,]

De rechter verklaart – zakelijk weergegeven – : Begrijp ik het goed dat u de gehele rechtbank Noord-Holland wraakt?

De heer [A] verklaart – zakelijk weergegeven – : Dat klopt.

Mr. Denninger verklaart – zakelijk weergegeven – : Ik zou graag een afschrift ontvangen van de pleitnotitie van [A] .

De rechter deelt mee dat de wrakingsgronden in het proces-verbaal zullen worden opgenomen en dat de pleitnotitie overigens geen deel uitmaakt van het proces-verbaal, omdat deze niet integraal is voorgedragen. De pleitnotitie zal om die reden ook niet aan het proces-verbaal worden gehecht.

De rechter deelt vervolgens mee dat hij de behandeling schorst en dat gerekestreerden voor de behandeling van hun wrakingsverzoek een oproep zullen ontvangen van de wrakingskamer.”

2.3.

Op 5 juli 2016 heeft de wrakingskamer van de rechtbank Noord-Holland het verzoek tot wraking buiten behandeling gesteld en bepaald dat een volgend verzoek van [eisers] om wraking, wegens misbruik van het rechtsmiddel wraking, niet in behandeling zal worden genomen. De beslissing van 5 juli 2016 houdt onder meer het volgende in:

“1.2 De wrakingskamer heeft op grond van de hierna opgenomen overwegingen besloten geen datum te bepalen voor een mondelinge behandeling van het verzoek.

2 De beoordeling

2.1

Op grond van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) kan de rechter die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn. Daarnaast kan de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd zijn indien sprake is van feiten of omstandigheden die grond geven om te vrezen dat een rechter niet onpartijdig is, waarbij ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid van belang is.

2.2

Een verzoek tot wraking dient ingevolge artikel 37 lid 2 Rv gemotiveerd te zijn. De verzoekende partij dient opgave te doen van de feiten en omstandigheden die het vermoeden wettigen dat de rechter bij de behandeling van de zaak niet onpartijdig of niet onafhankelijk zal zijn.

2.3

Verzoekers hebben tijdens de faillissementszitting een wrakingsverzoek gedaan, bestaande uit 14 wrakingsgronden. In de kern komen die erop neer dat de verzoekers een lange historie achter de rug hebben bij de rechtbank Alkmaar en dat ongeveer 10 rechter-commissarissen en diverse rechters betrokken waren bij allerlei vreemde uitspraken. Verzoekers betichten bovendien de insolventie-afdeling van de rechtbank Noord-Holland, de curatoren en de rechters-commissarissen van lidmaatschap van een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr. Ten slotte stellen verzoekers dat sprake is van aannemelijke belangenverstrengelingsfraude tussen de rechterlijke macht en het Openbaar Ministerie in Noord-Holland. Gelet op dit alles achten verzoekers het absoluut onverantwoord als de rechtbank Noord-Holland over de faillissementsaanvragen uitspraak gaat doen.

2.4

Het onderhavige verzoek tot wraking is gericht tot alle rechters van de rechtbank Noord-Holland. Omdat de wet niet voorziet in de mogelijkheid tot wraking van een rechter die geen bemoeienis heeft met de behandeling van zaak, dienen verzoekers reeds om die reden kennelijk niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun verzoek tot wraking van alle rechters van de rechtbank Noord-Holland. Verwezen wordt naar het arrest van de Hoge Raad van 18 december 1998 (NJ 1999, 271).

2.5

Voor zover het wrakingsverzoek van verzoekers zich eveneens richt tegen de rechter die het faillissementsverzoek zal behandelen, overweegt de wrakingskamer het volgende. Verzoekers hebben in al hun 14 wrakingsgronden helemaal niets over (on)partijdigheid of onafhankelijkheid van de rechter die het faillissementsverzoek behandelt vermeld. Verzoekers hebben hun verzoek zodoende niet gemotiveerd en zijn reeds daarom eveneens kennelijke niet-ontvankelijk in hun verzoek tot wraking van de behandelend rechter.

2.6

Het verzoek tot wraking zal overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 9.1. in samenhang met paragraaf 4.1. van het wrakingsprotocol van deze rechtbank – op internet te vinden op de website van deze rechtbank onder: www.rechtspraak.nl/ Rechtbanken/ Rechtbank Noord-Holland / Regels en procedures – wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid buiten behandeling worden gesteld.

2.7

Omdat gebleken is van misbruik van het rechtsmiddel wraking, ziet de wrakingskamer aanleiding om toepassing te geven aan artikel 39, vierde lid, Rv, en te bepalen dat behoudens nieuwe feiten of omstandigheden een volgend verzoek van verzoekers om wraking niet in behandeling zal worden genomen. De wrakingskamer bepaalt dat de faillissementsprocedure in dat geval onmiddellijk zal worden voortgezet.”

2.4.

Op 12 juli 2016 heeft mr. Thijs, op verzoek van mr. Vlaar, een aanvullend proces-verbaal opgemaakt van de zitting van 21 juni 2016. Het aanvullend proces-verbaal houdt onder meer het volgende in:

“Bij email d.d. 11 juli 2016 heeft mr. Vlaar de rechtbank verzocht het proces-verbaal van de faillissementszitting van 21 juni 2016 te corrigeren. Gelet op dit verzoek, vult de rechtbank bedoeld proces-verbaal als volgt aan en wel aldus dat aan het slot van voormeld proces-verbaal na de zinsnede:

“de rechter deelt vervolgens mee dat hij de behandeling schorst en dat gerekestreerden voor de behandeling van het wrakingsverzoek een oproep zullen ontvangen van de wrakingskamer”

wordt ingevoegd het navolgende:

“Mr Vlaar vraagt vervolgens aan de rechter of de wrakingszitting mogelijk nog op dezelfde dag zal worden behandeld in verband met zijn agenda voor de rest van de dag.

De rechter antwoordt hierop dat hij in het geheel niet bedacht was op wraking en er derhalve geen wrakingskamer achter de hand is gehouden. De rechter stelt daarna dat het uiterst onwaarschijnlijk is dat er dezelfde dag nog een oproep zal komen, omdat de wraking behandeld behoort te worden door de wrakingskamer van een andere rechtbank, omdat de rechtbank Noord-Holland uiteraard niet over haar eigen wraking kan beslissen.

Mr Vlaar antwoordt hierop bevestigend en dat hij dus op deze dag geen rekening hoeft te houden met een mogelijke wrakingzitting en de oproep van de wrakingkamer van een andere rechtbank af zal wachten.”

De faillissementsprocedure

2.5.

Sint Maarten Beheer B.V. en [X] hebben bij de rechtbank Noord-Holland het faillissement aangevraagd van (onder anderen) [eisers] en [B.V. I] De behandeling van de zaak is, na de schorsing op 21 juni 2016 wegens de hiervoor beschreven wrakingsprocedure, op 13 juli 2016 voortgezet. Op 19 juli 2016 heeft de rechtbank Noord-Holland het verzoek strekkende tot faillietverklaring van [eisers] en [B.V. I] afgewezen.

2.6.

Sint Maarten Beheer B.V. en [X] zijn van de beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 19 juli 2016 in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof Amsterdam. Bij beschikking van 13 september 2016 heeft het gerechtshof Amsterdam, voor zover van belang, [eisers] en [B.V. I] failliet verklaard. Mr. A.G. Moeijes is thans curator.

De procedure tegen de stichting Bloembollenkeuringsdienst

2.7.

De rechtbank Noord-Holland heeft op 29 juni 2016 uitspraak gedaan in een procedure tussen onder anderen [eisers] en de Stichting Pacavon als eisers, en de stichting Bloembollenkeuringsdienst (de BKD) als verweerder. De Stichting Pacavon stelt zich volgens een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel ten doel “het binnen en/of buiten rechte terugclaimen van in bloembollenfraude verloren gelden”. In deze uitspraak staat onder meer het volgende:

Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de verzoeken om informatie te verstrekken in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) afgewezen.

Bij besluit van 13 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

(…)

Overwegingen

(…)

3.1

Voor zover het bestreden besluit betrekking heeft op het bezwaar van [eiser] , hierna te noemen eiser, overweegt de rechtbank als volgt. In de verzoeken is gevraagd om informatie over de in die verzoeken genoemde bloembollen. Gevraagd is onder meer naar de herkomst, het herkomstnummer en de klassering van de bloembollen die in de jaren 2003/2004 zijn gekocht. Tevens is verweerder gevraagd om aan te geven of de genoemde bloembollen in verweerders database zijn opgenomen onder een bij verweerder geregistreerde teler/veredelaar.

3.2

Verweerder heeft een deel van de gevraagde informatie verstrekt en het verzoek om informatie voor het overige afgewezen, primair, omdat het belang bij openbaarheid niet opweegt tegen het belang van inspectie op controle en toezicht door bestuursorganen, subsidiair, ter voorkoming van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen, rechtspersonen of derden.

4. Eiser heeft zich in beroep gemotiveerd gekeerd tegen het bestreden besluit. (…)

9. Gelet op bovenstaande zal de rechtbank zal het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en bepalen dat verweerder opnieuw beslist op het bezwaar van eiseres met inachtneming van deze uitspraak.”

2.8.

De BKD heeft aan de Stichting Pacavon bij brief van 6 november 2017 onder meer het volgende bericht:

“Zoals ik eerder heb aangegeven, heb ik u, met de geanonimiseerde verstrekking van de data 2003, 2004 en 2005 over de bedrijven zoals die op ‘de lijst’ vermeld staan, alle data verstrekt die ik nog tot mijn beschikking heb. Over andere bedrijven dan op genoemde lijst vermeld, heb ik geen gegevens over die jaren meer.

Ik kan u dan ook geen nadere data meer verstrekken op papier noch digitaal.

De enige openstaande vraag betreft, volgens mij, die naar de anonimisering van de verstrekte data. Ik heb u aangegeven waarom ik de gegevens geanonimiseerd heb op de wijze waarop dat is gebeurd. Het is aan de rechter om te beoordelen of dat terecht is geweest.”

3 Het geschil

3.1.

In de hoofdzaak vorderen [eisers] , na wijziging van eis, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht verklaart dat jegens [eisers] sprake is (geweest) van onrechtmatige rechtspraak, waarvoor de Staat aansprakelijk is, zodat de Staat aldus gehouden is de voor [eisers] hieruit voortvloeiende schade te vergoeden;

II. bij wege van schadevergoeding in natura de Staat op te dragen te bevorderen dat het wrakingsverzoek van [eisers] alsnog ter terechtzitting van de rechtbank wordt behandeld, door daartoe de rechtbank Midden-Nederland aan te zoeken als behandelende rechterlijke instantie, althans een zodanige beslissing te nemen en/of zodanige voorziening te treffen als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;

met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2.

[eisers] hebben bij akte vermeerdering van eis een vordering III toegevoegd, inhoudende: ten aanzien van de gang van zaken rond de zogenaamde Novacap-affaire en uitmondend in de vernietiging van alle belangen van de [(eisers)bedrijven] en de heren [eisers] in persoon om een onafhankelijke onderzoekscommissie te gelasten voor rekening van de Staat, waarbij [eisers] twee leden van de commissie mogen aanwijzen.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer. Hij heeft betoogd dat [eisers] in hun vorderingen I en II niet-ontvankelijk moeten worden verklaard althans dat deze vorderingen moeten worden afgewezen. Verder heeft de Staat aangevoerd dat vordering III moet worden afgewezen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in de hoofdzaak

Vorderingen I en II

4.1.

[eisers] vorderen een verklaring voor recht dat sprake is (geweest) van onrechtmatige rechtspraak, waarvoor de Staat aansprakelijk is, zodat de Staat gehouden is de voor [eisers] hieruit voortvloeiende schade te vergoeden en zij vorderen schadevergoeding in natura. Zij stellen daartoe dat de beslissing van de wrakingskamer jegens [eisers] onrechtmatig is, omdat:

a. a) het wrakingsverzoek van [eisers] is afgewezen zonder dat een mondelinge behandeling daarvan heeft plaatsgevonden, terwijl de behandelend rechter de behandeling door de wrakingskamer van een andere rechtbank had toegezegd. Het beginsel van hoor en wederhoor is een fundamenteel rechtsbeginsel dat voortvloeit uit artikel 6 EVRM. De rechtbank Noord-Holland heeft de vereisten van fair trial geschonden als bedoeld in artikelen 6 lid 1 en 13 EVRM jo. artikelen 47-53 van het Handvest van de Europese Grondrechten en in strijd gehandeld met artikel 39 leden 1 en 2 Rv;

b) anders dan de wrakingskamer overweegt, in het onderhavige geval wraking van alle rechters van de rechtbank Noord-Holland mogelijk is;

c) de wrakingskamer niet heeft onderkend dat er in het onderhavige geval sprake is van objectieve feiten en omstandigheden waardoor [eisers] in hun bejegening zijn getroffen en die ook aan de rechter die het faillissementsverzoek behandelt zijn toe te rekenen. Hierdoor hoeft deze rechter niet zelf te worden gewraakt en hoeven geen op deze rechter persoonlijk gerichte argumenten te worden aangevoerd.

4.2.

De Staat betoogt primair dat [eisers] in hun vorderingen I en II niet ontvankelijk zijn en doet een beroep op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Wie klachten heeft over rechterlijke uitspraken dient deze aan de door de wetgever aangewezen beroeps- of cassatierechter voor te leggen. Tegen de beslissing van de wrakingskamer stond (in beginsel) geen voorziening open. [eisers] hadden echter - met een beroep op de zogenaamde doorbraakjurisprudentie van de Hoge Raad - hoger beroep kunnen en moeten instellen bij het gerechtshof Amsterdam tegen de beslissing van de wrakingskamer. Verder stonden voor hen rechtsmiddelen open inzake de beslissingen in de faillissementsprocedure. In het geval hun faillissement wordt uitgesproken, kunnen zij daarvan in hoger beroep komen en in die procedure kunnen zij hun klachten over het faillissementsvonnis en de totstandkoming daarvan voorleggen. Dat betekent dat [eisers] twee alternatieve rechtsgangen tot hun beschikking hadden en in deze procedure niet kunnen worden ontvangen, althans dat hun vorderingen moeten worden afgewezen.

4.3.

Bovendien was de beslissing van de wrakingskamer juist. Ingevolge artikel 39 Rv kan niet een heel rechtscollege worden gewraakt. De wraking van de in het wrakingsverzoek bij naam genoemde rechter was geheel ongemotiveerd en voldeed daarmee niet aan artikel 37 lid 2 Rv. De rechtbank Noord-Holland was niet verplicht het wrakingsverzoek door te leiden naar een andere rechtbank. Ook artikel 6 EVRM vergt dat niet. De gewraakte rechter mr. Thijs kon dat ook niet toezeggen.

4.4.

[eisers] gebruiken in het wrakingsverzoek tot slot veel negatieve kwalificaties maar elke concrete en feitelijke onderbouwing voor deze kwalificaties ontbreekt. [eisers] verwijzen enkel naar beweringen die zij zelf, in hun eigen stukken (aangiftes, brieven, stuitingsdocumenten, etc.) deden en doen. Ook in deze procedure voeren [eisers] daarover niets concreet en niets feitelijks aan. De beweringen van [eisers] zijn dermate vaag dat de Staat daartegen geen verweer kan voeren. Tot zover het verweer van de Staat.

4.5.

Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het primaire verweer van de Staat. Het civiele recht kent een gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Wettelijke regelingen waarbij tegen rechterlijke beslissingen rechtsmiddelen ter beschikking worden gesteld of wordt bepaald dat daartegen geen voorziening is toegelaten, moeten geacht worden uitputtend te hebben voorzien in bescherming van belangen die voor partijen bij de verkrijging van een juiste beslissing zijn betrokken. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is het onverenigbaar met dit gesloten stelsel dat de juistheid van een rechterlijke beslissing langs de weg van een vordering uit onrechtmatige daad ter discussie wordt gesteld. Dit uitgangspunt lijdt slechts uitzondering indien (i) bij de voorbereiding van een rechterlijke beslissing zo fundamentele rechtsbeginselen zijn veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken, en (ii) tegen die beslissing geen rechtsmiddel openstaat of heeft opengestaan (HR 3 december 1971, ECLI:NL:HR:1971:AB6788, NJ 1972/137 (Hotel Jan Luyken)).

4.6.

Artikel 39 lid 5 Rv bepaalt dat tegen de beslissing van de wrakingskamer op een wrakingsverzoek geen voorziening openstaat. Ondanks een wettelijk appelverbod kan een eiser toch in zijn vordering worden ontvangen indien hij stelt dat de rechter buiten het toepassingsgebied van de desbetreffende regeling is getreden, deze ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, dan wel bij de behandeling van de zaak een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken (de zogenaamde doorbraakjurisprudentie, zie bijv. Hoge Raad 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:943, m.nt. H.B. Krans (Schijf c.s./Laclé). In het geval sprake is van een doorbraakgrond kan dus tòch hoger beroep worden ingesteld van de beslissing van de wrakingskamer. Dit brengt mee dat, nu [eisers] zich op het standpunt stellen dat sprake is van schending van fundamentele rechtsbeginselen als hiervoor bedoeld onder (i), het op hun weg had gelegen tegen de beslissing van de wrakingskamer hoger beroep in te stellen bij het gerechtshof te Amsterdam, hetgeen zij hebben nagelaten. De vorderingen I en II zullen dus worden afgewezen.

4.7.

Aan de door [eisers] gewenste inhoudelijke beoordeling van de wrakingsbeslissing komt de rechtbank niet toe. Het doel dat [eisers] met hun vorderingen I en II voor ogen hebben, namelijk bewerkstelligen dat zij terecht kunnen bij een andere rechtbank, die aan de hand van een nieuwe beslissing op het wrakingsverzoek opnieuw kan beoordelen wat de rechters-commissarissen in het verleden hebben beslist, is, gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen, in deze procedure niet haalbaar.

Vordering III

4.8.

[eisers] vorderen dat de rechtbank een onafhankelijk onderzoek gelast, voor rekening van de Staat, naar de gang van zaken rond de zogenaamde Novacap-affaire en de faillissementen van de [(eisers)bedrijven] en de heren [eisers] in persoon, waarbij [eisers] twee leden van de onderzoekscommissie mogen aanwijzen. Met de Novacap-affaire bedoelen [eisers] , naar de rechtbank begrijpt, de handelwijze van het beleggingsfonds Novacap, dat namens participanten belegde in vorderingen die ontstonden uit termijntransacties in tulpenbollen van nieuwe rassen. Aan vordering III leggen [eisers] , naar de rechtbank begrijpt, het volgende ten grondslag.

a) Onrechtmatig handelen door de BKD

4.9.

De BKD heeft onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisers] . De stichting Pacavon heeft op 29 juni 2016 een procedure op grond van de Wet openbaarheid van bestuur gewonnen tegen de BKD, teneinde nadere gegevens te verkrijgen over handel in ongekeurd, te laag geklasseerd en/of niet geregistreerd teeltmateriaal. Ter comparitie hebben [eisers] hun vordering als volgt toegelicht. Uit de informatie die [eisers] in 2013 van de BKD hadden gekregen, bleek dat de BKD wist dat 80% van de bollen niet verkocht mocht worden, en dat er meer is verkocht dan er bestond. De BKD heeft aangegeven dat er 600 à 700 rassen ‘standaard kwaliteit’ zijn en dat is verboden handel. De BKD heeft die niettemin in de handel laten brengen door, naar de rechtbank begrijpt, Holland Bolroy Markt B.V. (hierna: ‘HBM’), een onderneming die handelde in teeltmateriaal, en het tuchtrecht niet ingeschakeld. De BKD heeft gefraudeerd door valse certificaten uit te geven, waarmee verduisterde bollen legaal werden gemaakt. Van de slechte kwaliteit bollen stond 80% op de grond van de familie [eisers] , maar dat mocht niet ontdekt worden. Hele percelen zijn verdwenen uit de systemen van de BKD, zodat deze percelen vervolgens konden worden leeggeroofd. De BKD, het Productschap Tuinbouw en de Algemene Inspectiedienst hebben geen effectief toezicht uitgeoefend, ondanks de publiciteit rondom de Novacap-affaire in 2003. De BKD heeft ervoor gekozen de fraude in de doofpot te stoppen vanwege het grote economische belang; de hele sector zou anders instorten. De BKD heeft ook, hangende procedures, bewijsmateriaal vernietigd of weggedaan, hetgeen onrechtmatig is, een ambtsmisdrijf is, en de strafrechtelijke verjaring van alle strafbare feiten stuit. De BKD is een zelfstandig bestuursorgaan dat valt onder het ministerie van Economische Zaken en dus onder verantwoordelijkheid van de Staat.

b) Faillissementsfraude / wijze waarop de faillissementswereld functioneert

4.10.

[eisers] hebben twee bedrijven verloren door faillissementsfraude. Ter comparitie hebben [eisers] hun vordering als volgt toegelicht. De faillissementen zijn aangevraagd omdat [eisers] de proceskosten uit eerdere gevoerde en verloren procedures niet wilden betalen, met behulp van valse facturen waar de bank bij heeft geholpen. De werkelijke reden dat de bedrijven failliet moesten gaan, was om te voorkomen dat de fraude aan het licht zou komen. De failliete bedrijven zijn vervolgens leeggeroofd door corrupte curatoren, bankbestuurders en zwarthandelaren die elkaar allemaal kennen. [eisers] hebben procedures gevoerd vanwege de leegsloop van een bedrijfspand, waardoor 3 miljoen euro schade was geleden. De bank heeft vuistpand uitgeoefend waardoor 1/3 van de 120 hectare grond is verdwenen. Daardoor is een bedrijf met een waarde van 20 miljoen euro na faillissement achtergebleven met een schuld van 1,8 miljoen euro. De curator heeft in het tweede faillissement 140 veredelde tulpenrassen gratis weggegeven aan [X] , een andere ondernemer in de bloembollensector, omdat een kantoorgenoot van de curator curator was in het faillissement van de onderneming Prima Tulp B.V. van [X] . In 2012 hebben [eisers] door middel van bewijsbeslag bewijs in handen gekregen dat de bank en vier andere grote spelers Pauliana hebben gepleegd, het geld onderling hadden verdeeld en afspraken hadden gemaakt voordat het faillissement was uitgesproken. De wijze waarop de faillissementswereld functioneert is zorgwekkend, en de Staat is daarvoor verantwoordelijk.

c) Onrechtmatig handelen door curatoren, rechters en openbaar ministerie

4.11.

De curatoren stellen steeds dat er geen geld in de boedel is, waardoor zij geen procedures kunnen voeren, terwijl bekend is dat er voor miljoenen is gefraudeerd of onrechtmatig is gehandeld. Ter comparitie hebben [eisers] hun vordering als volgt toegelicht. De curatoren hebben steeds geweigerd om gebruik te maken van de dienst Justis, de screeningsautoriteit op het gebied van integriteit van het ministerie van Justitie en Veiligheid. Ook curator Moeijes stelt dat hij alleen een vordering kan instellen als [eisers] voor financiering kunnen zorgen. Daarmee impliceert de curator dat hij weet dat er fraude is gepleegd maar dat hij er niets tegen kan doen omdat er geen geld in de boedel is. Curatoren zijn voorts structureel terughoudend in het verstrekken van informatie, waardoor [eisers] drie keer bewijsbeslag hebben moeten leggen. Mr. Sweens, curator in het faillissement van één van de bedrijven van [eisers] , weigerde, ondanks eerdere toezegging, om HBM aansprakelijk te stellen, omdat hij bevriend was met mr. Sweep, de advocaat van HBM en van alle andere betrokken partijen, waaronder de Koninklijke Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur (‘KAVB’) en de BKD.

4.12.

Voorts wisten alle rechters-commissarissen van de rechtbank Noord-Holland van de leeggeroofde faillissementen. Dat was de reden voor de wrakingsprocedure. Ter comparitie hebben [eisers] hun vordering als volgt toegelicht. [eisers] hebben klachten ingediend bij president mr. Van der Molen van de rechtbank Alkmaar met betrekking tot 30 strafbare feiten, waarbij zij veel bewijs hadden van geroofd materiaal, maar de klacht werd afgewezen. Het gerechtsbestuur beschermde steeds de betrokken rechter-commissaris en de curator. Rechters-commissarissen worden misleid door curatoren. Het rapport van prof. Tak toont aan op welke wijze de instanties in Nederland handelen. In het dossier wordt beschreven op welke wijze de instanties in Nederland met het proces rondom faillissementen omgaan.

4.13.

Het openbaar ministerie heeft, ondanks talloze aangiftes, nooit onderzoek gedaan naar onder meer de leegroof en de fraude. De aangiftes die [eisers] hebben gedaan, zijn in 2009 en 2012 onrechtmatig geseponeerd. De meeste aangiftes werden niet eens genoemd bij het sepot.

Verweer van de Staat

4.14.

De Staat kan uit de akte eiswijziging niet opmaken wat de grondslag is voor vordering III. [eisers] maken onvoldoende duidelijk om welke concrete handelingen van de Staat het nu gaat en wat ‘de hulpvraag’ van [eisers] is. [eisers] leveren grote, maar ongestructureerde, sets documenten aan en laten daarbij na te specificeren welke verwijtbare handelingen door wie en wanneer zijn verricht, wie daarvoor op welke gronden verantwoordelijk is, en eventueel welk bewijs daarvan reeds voorhanden is. Het is de Staat derhalve niet duidelijk welke onrechtmatige handelingen hem worden verweten. [eisers] hebben niet duidelijk gemaakt welke vordering zij tegen de Staat willen instellen. Vordering III is zodanig vaag dat deze moet worden afgewezen.

4.15.

De Staat doet voorts ook ten aanzien van vordering III een beroep op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Procedures moeten tot een einde komen; het beginsel van litis finiri opportet moet ook hier opgaan. Voor zover [eisers] in deze civiele procedure een onderzoek vorderen naar gedragingen van de BKD, geldt dat de Algemene wet bestuursrecht daarvoor het geldende kader is, en niet een civiele procedure als de onderhavige. Verder moeten vorderingen die de boedel aangaan, door de curator worden ingesteld en niet door [eisers] Als de curator dat niet doet, hadden [eisers] de rechter-commissaris moeten verzoeken de curator te instrueren dat te doen. Als de rechter-commissaris dat niet doet, hadden [eisers] daarvan in appèl moeten gaan. Ook daarvoor is de onderhavige procedure niet de aangewezen procedure, aldus de Staat.

Beoordeling vordering III

4.16.

Het betoog van [eisers] komt er naar het oordeel van de rechtbank op neer dat zij schade hebben ondervonden van ‘één groot falend systeem’ waarvoor de Staat aansprakelijk is. [eisers] hebben veel beschuldigingen geuit, maar zij hebben nagelaten om duidelijk te maken welke verwijten zij de Staat precies maken. Uit de dagvaarding, de akte wijziging van eis en hetgeen ter comparitie is aangevoerd blijkt onvoldoende welke concrete gedragingen volgens [eisers] onrechtmatig zijn, wanneer deze gedragingen hebben plaatsgevonden, wie deze gedragingen hebben verricht, waarom de Staat daarvoor aansprakelijk gehouden kan worden en welk bewijs [eisers] daarvoor eventueel kunnen aandragen.

4.17.

Het kenbaarheidsvereiste brengt mee dat een partij die producties overlegt kenbaar moet maken op welke passages uit die producties hij zich beroept en welke stellingen daarin steun vinden. De eisen van een behoorlijke rechtspleging brengen immers mee dat een partij die een beroep wil doen op uit bepaalde producties blijkende feiten en omstandigheden, dit op een zodanige wijze dient te doen dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen zij zich dient te verweren. De rechter heeft slechts te letten op de feiten waarop een partij ter ondersteuning van haar standpunt een beroep heeft gedaan, en de enkele omstandigheid dat uit door een partij overgelegde stukken een bepaald feit blijkt, impliceert niet dat zij zich ter ondersteuning van haar standpunt op dat feit beroept (vgl. HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:404, rov. 3.3.2.).

4.18.

[eisers] hebben een grote hoeveelheid documenten overgelegd, waaronder een ordner met het opschrift ‘wrakingsprocedure’, een opinie van prof. Tak, een pakket met stukken getiteld ‘Het proces rondom faillissementen en de rol van de curator’ en een pakket met stukken gericht aan de rechtbank Midden Nederland. In de akte wijziging van eis stellen [eisers] over het rapport van prof. Tak: “De inhoud spreekt voor zich. De conclusies behelzen de benoeming van een commissie van wijze mannen.”. Ter zitting hebben [eisers] gesteld dat het rapport van prof. Tak aantoont op welke wijze de instituties in Nederland handelen. Daaruit blijkt echter onvoldoende welke door [eisers] gestelde onrechtmatige gedragingen met het rapport van prof. Tak worden onderbouwd. Voorts verwijzen [eisers] meerdere malen naar een uitdraai uit het systeem van de BKD, maar laten zij ook daarbij na om aan te geven op welke onderdelen van die uitdraai zij een beroep doen, en welke stellingen zij daarmee beogen te onderbouwen. Het enige dat [eisers] verder over de door hen in het geding gebrachte stukken hebben gesteld, is dat daarin ‘de stappen van rechter-commissarissen, curatoren en banken’ worden beschreven. Ook daaruit blijkt niet om welke concrete gedragingen het [eisers] gaat. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [eisers] noch in de dagvaarding, noch in de akte wijziging van eis, noch ter zitting in voldoende concrete mate duidelijk hebben gemaakt welke onrechtmatige gedragingen uit welke feiten, omstandigheden en/of documenten kunnen worden afgeleid. Bij deze stand van zaken betoogt de Staat terecht dat hij zich in redelijkheid niet tegen vordering III kan verweren. Reeds hierom moet deze vordering worden afgewezen.

4.19.

Overigens hebben [eisers] aangegeven dat zij inzien dat het maar de vraag is of de rechtbank een onderzoek kan gelasten naar ‘de onderliggende zaak’, namelijk ‘het hele proces waaruit blijkt dat het faillissementssysteem vast zit en dat er in 2003 fraude is gepleegd.’ [eisers] hebben echter naar eigen zeggen met deze procedure tegen de Staat een podium gezocht waarop zij het falende Nederlandse faillissementssysteem aan de orde konden stellen. Een dergelijk belang, hoe groot dat voor [eisers] ook is, ontslaat hen niet van de verplichting om concrete feiten ten grondslag te leggen aan hun vordering. Voor zover het onder III. gevorderde onafhankelijk onderzoek voor rekening van de Staat al in rechte kan worden toegewezen, geldt voorts dat het bestaan van een belang geen voldoende grondslag voor toewijzing van een vordering vormt.

Proceskosten

4.20.

[eisers] zullen als de in de hoofdzaak in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De beslissing over de proceskosten van het incident is aangehouden totdat in de hoofdzaak is beslist. Nu het oordeel van de rechtbank in de hoofdzaak overeenkomt met het voorlopig oordeel in het incident, zullen [eisers] tevens in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Staat in de hoofdzaak en in het incident worden tot op heden begroot op € 1.523,-- (€ 619,-- aan griffierecht en € 904,-- aan salaris advocaat (2 punten x tarief II ad € 452,--)).

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 1.523,-- .

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Alt-van Endt, mr. I.A.M. Kroft, en mr. M.S. Neervoort en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2018.1

1 type: 2520 coll: 1328