Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:2891

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-02-2018
Datum publicatie
13-03-2018
Zaaknummer
09-139732-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

juridisch bestuurderschap

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team kanton Den Haag

5 februari 2018

VONNIS
In de strafzaak met parketnummer 09-139732-17 tegen de verdachte:

[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1956 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] , de [adres] .

raadsman mr. M.J.N. Vermeij, advocaat te ‘s-Gravenhage

1.
Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2018. De verdachte en zijn raadsman zijn ter zitting verschenen, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting heeft de kantonrechter bepaald dat schriftelijk vonnis wordt gewezen, waarvan de uitspraak is bepaald op 5 februari 2018.

2. Aan de verdachte is een dagvaarding, dagtekening 30 november 2017, uitgevaardigd. In voornoemde dagvaarding wordt verdachte verweten zich op of omstreeks 25 april 2016 op de Hoogeveenseweg te Hazerswoude-Dorp schuldig te hebben gemaakt aan een strafbaar feit, te weten dat hij heeft gereden in een opvallend politievoertuig met dubbele bediening, dat hij heeft gereden met een snelheid van ongeveer 70 km/u, althans met een hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 km/u en/of (vervolgens), dat hij heeft gereden met een gelet op de verkeerssituatie en/of verkeersveiligheid ter plaatse te hoge snelheid en/of (vervolgens), dat met die te hoge snelheid de (T-)kruising van voornoemde weg is genaderd en/of opgereden en (daarbij) op die kruising is gaan keren, althans doende was te keren terwijl het zicht op het overige verkeer (ernstig) werd belemmerd door een zich op die kruising bevindende vrachtauto en/of (vervolgens), dat hij geen voorrang heeft verleend aan een bestuurder van een auto tengevolge waarvan hij met zijn auto in botsing is gekomen met die (andere) auto waardoor een ander te weten [slachtoffer] letsel heeft bekomen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

3.
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde. Op 25 april 2016 vond op de Hoogeveenseweg te Hazerswoude-Dorp een ongeval plaats tussen een politievoertuig en een personenauto. De politieauto werd feitelijk bestuurd door agent [agent] , die op dat moment rijonderricht kreeg van verdachte. De officier van justitie stelt dat verdachte kan worden aangemerkt als juridisch bestuurder en voert daartoe het volgende aan. Als bestuurder van een voertuig wordt, op grond van artikel 1, lid 1, onder n van de Wegenverkeerswet 1994, aangemerkt degene die het motorrijtuig bestuurt of degene die, overeenkomstig de bij algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarde, wordt geacht het motorrijtuig onder zijn onmiddellijk toezicht te doen besturen. Artikel 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 bepaalt (voor zover van belang) dat als bestuurder wordt aangemerkt:

  1. Hij die het motorvoertuig bestuurt of

  2. Voor zover het betreft een motorvoertuig voor het besturen waarvan een rijbewijs AM, B, C, D of E is vereist en dat is voorzien van dubbele bediening, hij die rijonderricht geeft (…).

De officier van justitie stelt dat in dit geval voor het besturen van de auto een rijbewijs van de categorie B vereist was en dat in het voertuig dubbele bediening aanwezig was. Daarnaast was er sprake van rijonderricht in de zin van artikel 1 van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 (WRM). Met rijonderricht wordt bedoeld het onderricht, gericht op het bijbrengen, behouden of verbeteren van de rijvaardigheid of geschiktheid om aan het verkeer deel te nemen als bestuurder van een motorrijtuig, waarvoor een rijbewijs is vereist. De rijinstructie van de politie valt daar onder.

De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte wegens overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 een boete op te leggen van € 250,00, bij niet betalen te vervangen door 5 dagen hechtenis. Ten aanzien van de vordering benadeelde partij stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat hij deze vordering beschouwt als niet ingediend, nu er geen bedragen zijn ingevuld. De officier van justitie stelt zich daarom op het standpunt dat over de vordering benadeelde partij geen beslissing hoeft te worden genomen.

Het verweer
4. De verdediging onderschrijft het standpunt van de officier van justitie ten aanzien van het juridisch bestuurderschap. De verdediging voert verder aan dat sprake was van een situatie waarin rijonderricht gegeven werd en waarbij de cursist kort voor het ongeval al twee keer een soort ingreep had gehad. De verdediging stelt dat binnen een dergelijke situatie door verdachte niet letterlijk hoeft te worden gedicteerd hoe de cursist moest handelen. Verdachte heeft de cursist de instructie gegeven om heel voorzichtig weg te rijden terwijl verdachte zelf met zijn voet boven het rempedaal zat, zodat verdachte daarmee voldoende zorg heeft betracht. De verdediging stelt zich op het standpunt dat het rijden in een opvallend politievoertuig geen hinder kan veroorzaken in de zin van artikel 5 van de Wegenverkeers-wet 1994 (WVW). Verder stelt de verdediging dat de hoge snelheid en het feit dat het zicht werd geblokkeerd door een vrachtwagen in dit geval geen hinder konden veroorzaken in de zin van artikel 5 WVW. Ingevolge de Memorie van Toelichting bij artikel 5 WVW hoeft niet iedere vorm van verkeershinder te worden afgehandeld in het strafrecht, aldus de verdediging.

5. De verdediging doet daarom een beroep op afwezigheid van alle schuld en stelt dat verdachte in redelijkheid niet meer zorg kon betrachten. De verdediging verzoekt om verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. Bij een bewezenverklaring verzoekt de verdediging om verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf of maatregel, mede gelet op de bijzondere omstandigheid dat door de aanrijding de hartproblemen van het slachtoffer zijn ontdekt.

6.
Ten aanzien van de vordering benadeelde partij stelt de verdediging zich op het standpunt dat zich in het dossier geen ondertekende vordering bevindt. De verdediging verzoekt daarom om geen beslissing te nemen over de vordering benadeelde partij.


De beoordeling

7. De kantonrechter verklaart wettig en overtuigend bewezen:

dat verdachte op 25 april 2016 te Hazerswoude-Dorp, gemeente Alphen aan den Rijn als (juridisch) bestuurder van een auto, daarmee rijdende op de weg, de Hoogeveenseweg,
- de (T-)kruising van voornoemde weg is genaderd en opgereden en op die kruising is gaan keren, terwijl het zicht op het overige verkeer ernstig werd belemmerd door een zich op die kruising bevindende vrachtauto en (vervolgens)
- geen voorrang heeft verleend aan een bestuurder van een auto tengevolge waarvan hij met zijn auto in botsing is gekomen met die (andere) auto waardoor een ander te weten [slachtoffer] letsel heeft bekomen, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd;

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

8. Het bewezen verklaarde levert op: "overtreding van artikel 5 WVW 1994”

9. Met betrekking tot de strafbaarheid is door en namens verdachte aangevoerd dat hij als rijinstructeur de ruimte moet hebben om zijn cursist verkeersfouten te laten maken, zodat de cursist daarvan kan leren. Het was volgens verdachte niet mogelijk om tijdig in te grijpen en er is alles aan gedaan om een onveilige situatie te voorkomen.

De kantonrechter is van oordeel dat verdachte een ongeoorloofde gedraging heeft begaan, wat er ook zij van zijn bedoelingen ten aanzien van de leersituatie waarin de verkeersfout begaan werd en de (on)mogelijkheid de aanrijding te voorkomen. Van afwezigheid van alle schuld is geen sprake, aangezien verdachte eerder had kunnen en moeten ingrijpen.

Ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

10. De kantonrechter is, alles afwegende, met de officier van justitie van oordeel dat de na te noemen geldboete moet worden opgelegd.

11. Ten aanzien van het door de benadeelde partij ingediende verzoek tot schadevergoeding wordt geen beslissing genomen nu in dit verzoek slechts is opgenomen (onder 4C) welk bedrag is vergoed en onder 4D (‘verzoek tot schadevergoeding’) geen schadebedrag is genoemd.

BESLISSING
De kantonrechter:

verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 7 weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 8. vermelde feit oplevert;

verklaart dit feit strafbaar;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 250,00, bij niet betalen te vervangen door 5 dagen hechtenis.

Tegen dit vonnis kan binnen 14 dagen na de betekening daarvan of nadat het vonnis verdachte op andere wijze bekend is geworden hoger beroep worden ingesteld bij de centrale balie van deze rechtbank.


Gewezen door mr. A.J. Japenga, kantonrechter te Den Haag, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 februari 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.