Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:2876

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-03-2018
Datum publicatie
25-04-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 6797
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2019:326, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. Verweerder heeft het inburgeringsvereiste terecht aan eiser tegengeworpen. Eiser betoogt ten onrechte dat hem op grond van artikel 7b van de Wet inburgering drie jaar de tijd moet worden gegund om aan het inburgeringsvereiste te voldoen. Verder overweegt de rechtbank dat het stellen van het inburgeringsvereiste niet in strijd is met het Europese recht. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/6797

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 maart 2018 in de zaak tussen

[eiser], V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. T. Schuitemaker ).

Procesverloop

Bij besluit van 26 januari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag om een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen afgewezen.

Bij besluit van 13 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft een reactie op het verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2018.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens was [werkgever van eiser], de werkgever van eiser, aanwezig. Als tolk is verschenen G.S. Nie. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1980 en heeft de Chinese nationaliteit. Eiser is sinds
23 november 2011 in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘Arbeid in loondienst’, laatstelijk verlengd tot 16 december 2018.

2. Op 14 oktober 2016 heeft eiser een aanvraag ingediend tot het verlenen van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Verweerder heeft aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat eiser niet voldoet aan de voorwaarde dat de vreemdeling op het moment van de beslissing minimaal vijf jaar zonder onderbreking in Nederland heeft gewoond op basis van een geldige verblijfsvergunning regulier voor een niet-tijdelijk verblijfsdoel. Ook heeft verweerder hieraan ten grondslag gelegd dat eiser niet voldoet aan het inburgeringsvereiste. Tevens heeft verweerder in het primaire besluit overwogen dat eiser evenmin in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd en dat eiser op dit moment nog niet in aanmerking komt voor verlenging van zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. In het bestreden besluit heeft verweerder dit standpunt gehandhaafd.

3. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat hij niet tenminste vijf jaar zonder onderbreking rechtmatig verblijf heeft gehad. Ten aanzien van het inburgeringsvereiste voert eiser aan dat tot 31 december 2016 een wettelijke grondslag hiervoor ontbrak. Tot en met 31 december 2016 was namelijk op grond van artikel 45b, tweede lid onder g, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) vereist dat de vreemdeling beschikte over een diploma als bedoeld in artikel 13 van de Wet inburgering, terwijl dit artikel reeds in 2013 is komen te vervallen. Nu de aanvraag is ingediend voor 1 januari 2017, ontbreekt daarom een wettelijke grondslag om het inburgeringsvereiste tegen te werpen. Zelfs als de Wet inburgering wel van toepassing zou zijn, dan vloeit uit deze wet voort dat eiser drie jaar de tijd heeft om het inburgeringsdiploma te behalen nu hij nooit eerder inburgeringsplichtig is geweest. Eiser wijst in dit kader ook op artikel 3, vierde lid, van de Wet Inburgering, waaruit volgt dat het inburgeringsvereiste niet met terugwerkende kracht kan worden tegengeworpen. Indien verweerder blijft vasthouden aan de termijn van drie jaar, heeft dit daarnaast tot gevolg dat vreemdelingen die een aanvraag doen op grond van het Unierecht achtergesteld worden ten opzichte van niet inburgeringsplichtige vreemdelingen die een aanvraag doen op grond van het nationale recht, hetgeen discriminatoir is. Verder wijst eiser op de financiële investering die wordt gevraagd om te voldoen aan de inburgeringseis en op het slagingspercentage van de inburgeringstoets van 20 procent. Eiser meent daarom dat met het stellen van de inburgeringseis het Unierecht wordt doorkruist. Tot slot heeft eiser de rechtbank verzocht om prejudiciële vragen te stellen.

4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Daarbij heeft verweerder de afwijzingsgrond dat eiser niet voldoet aan de voorwaarde dat hij minimaal vijf jaar rechtmatig in Nederland heeft verbleven, ingetrokken. Verweerder handhaaft de afwijzingsgrond dat eiser niet voldoet aan het inburgeringsvereiste.

5. Ingevolge artikel 45b, tweede lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000 kan de aanvraag tot het verlenen van een EU-verblijfsvergunning voor langdurige ingezetenen worden afgewezen indien de vreemdeling het examen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inburgering, of een diploma, certificaat of ander document als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van die wet niet heeft behaald.

Ingevolge artikel 3.96a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd afgewezen, indien de vreemdeling het examen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inburgering of een diploma, certificaat of ander document als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van die wet, niet heeft behaald.

Ingevolge artikel 3.126 van het Vb 2000 is artikel 3.96a van overeenkomstige toepassing op de aanvraag tot het verlenen van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

6.1

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag van eiser heeft mogen afwijzen nu hij niet aan het inburgeringsvereiste voldoet. Eiser voert terecht aan dat ten tijde van de aanvraag ten aanzien van de wettelijke grondslag sprake was van een omissie nu in artikel 45b, tweede lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000 verwezen werd naar artikel 13 van de Wet inburgering, terwijl dit artikel vanaf 1 januari 2013 is komen te vervallen. Dat de verwijzing naar artikel 13 van de Wet inburgering gedurende enkele tijd onjuist was, maakt echter nog niet dat het inburgeringsvereiste niet gold. Het inburgeringsvereiste zelf is namelijk altijd in artikel 45b, tweede lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000 blijven staan. Ook is artikel 3.96a Vb 2000, in samenhang gelezen met artikel 3.126 van het Vb 2000, van belang, waaruit volgt dat er een inburgeringsvereiste geldt voor de vreemdeling die een aanvraag tot het verlenen van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen indient. De rechtbank is daarom van oordeel dat er altijd een wettelijke grondslag heeft bestaan voor het inburgeringsvereiste en dat het voor eiser op voorhand duidelijk behoorde te zijn dat hij aan dit vereiste diende te voldoen. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de Memorie van Toelichting bij de wet van 26 oktober 2016, waarin onder meer enkele wetstechnische gebreken in de Vreemdelingenwet 2000 werden hersteld (Kamerstukken II 2014/15, 34128, 3, p. 6). Hierin staat dat sinds de implementatie van de Richtlijn 2011/51/EU op 29 september 2014, artikel 45b, tweede lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000 regelt dat de aanvraag tot het verlenen van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen kan worden afgewezen indien de vreemdeling het inburgeringsexamen als bedoeld in artikel 13 van de Wet inburgering niet heeft behaald. Nu met ingang van 1 januari 2013 artikel 13 van de Wet inburgering is vervallen, heeft de wetgever met voornoemd wetsvoorstel voorgesteld om de verwijzing naar de Wet inburgering in artikel 45b, tweede lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000 aan te passen. Uit het vorenstaande volgt dat de wetgever nimmer heeft beoogt om het inburgeringsvereiste voor derdelanders die een aanvraag tot verlenen van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen indienen te laten vervallen. De rechtbank concludeert dat verweerder het inburgeringsvereiste terecht aan eiser heeft tegengeworpen.

6.2

De rechtbank overweegt verder dat eiser ten onrechte betoogt dat hem op grond van artikel 7b van de Wet inburgering drie jaar de tijd moet worden gegund om aan het inburgeringsvereiste te voldoen. Uit artikel 3 van de Wet inburgering, in samenhang gelezen met artikel 8, onderdelen a en c, van de Vw 2000, volgt dat op grond van de Wet inburgering de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 14 of 28 van de Vw 2000 inburgeringsplichtig is. Op grond van de Wet inburgering zijn daarom alleen de vreemdelingen die in het bezit zijn van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd of asiel voor bepaalde tijd en die anders dan voor een tijdelijk doel in Nederland verblijven inburgeringsplichtig. Hieruit volgt dat de bepalingen van de Wet inburgering niet gelden voor de vreemdeling die een aanvraag doet voor verlening van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. Voor een aanvraag voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen gelden de bepalingen zoals neergelegd in de Langdurig Ingezetenenrichtlijn (2003/109/EG, hierna: de Richtlijn), de Vw 2000 en het Vb 2000. Uit zowel artikel 45b, tweede lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000 als uit de artikelen 3.96a en 3.126 van het Vb 2000 volgt dat de vreemdeling op het moment van het indienen van een aanvraag voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen het inburgeringsexamen dient te hebben behaald. Voor eiser geldt dan ook niet de termijn van drie jaar om aan het inburgeringsvereiste te voldoen. De rechtbank ziet niet in dat het hiervoor omschreven onderscheid dat wordt gemaakt tussen enerzijds vreemdelingen die op grond van artikel 14 of 28 van de Vw 2000 een verblijfsvergunning krijgen en anderzijds vreemdelingen die een aanvraag indienen voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen discriminatoir is. Vreemdelingen die op grond van artikel 14 of 28 van de Vw 2000 een verblijfsvergunning krijgen, hebben vanaf het moment dat zij rechtmatig in Nederland verblijven drie jaar de tijd om aan het inburgeringsvereiste te voldoen. Eiser heeft deze termijn niet, maar hij woont al enkele jaren rechtmatig in Nederland en heeft daarom reeds de tijd gehad om aan het inburgeringsvereiste te voldoen. Verder overweegt de rechtbank dat het betoog dat de inburgeringsplicht niet met terugwerkende kracht kan worden gevestigd niet slaagt nu het inburgeringsvereiste altijd voor eiser gegolden heeft.

6.3

De rechtbank is verder van oordeel dat het stellen van het inburgeringsvereiste niet in strijd is met het Europese recht. Verweerder verwijst terecht naar artikel 5, tweede lid, van de Richtlijn, waarin staat dat lidstaten mogen eisen dat onderdanen van derde landen voldoen aan integratievoorwaarden overeenkomstig het nationaal recht. De Nederlandse wetgever heeft voornoemd artikel geïmplementeerd en bepaald dat op het moment van de aanvraag van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen aan het inburgeringsvereiste moet worden voldaan. De rechtbank overweegt dat een dergelijk vereiste niet zodanig is dat daardoor het Unierecht en meer specifiek de doelen van de Richtlijn worden doorkruist. De rechtbank verwijst in dit kader ook naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 juni 2015, P en S, ECLI:NL:C:2015:369, waarin het Hof heeft bevestigd dat lidstaten in beginsel een inburgeringsverplichting mogen opleggen aan derdelanders die langdurig binnen de EU verblijven. Dat van eiser een financiële investering wordt gevraagd en dat het slagingspercentage van de inburgeringstoets 20 procent is, is onvoldoende voor het oordeel dat met het stellen van het inburgeringsvereiste het Unierecht wordt doorkruist.

6.4

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen. De rechtbank is niet gebleken dat dit enige strijd oplevert met artikel 6 van het Verdrag betreffende de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.

7. De rechtbank concludeert dat verweerder terecht en op goede gronden de aanvraag van eiser tot het verlenen van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen heeft afgewezen.

8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart heb beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van mr. E.F. Binnendijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.