Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:2814

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-03-2018
Datum publicatie
06-04-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 4867
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de ter zake van de in 2007 door eiseres verkochte merken en domeinnamen in 2010 ontvangen verkoopprijs terecht in dat laatste jaar tot de belastbare winst gerekend. Goed koopmansgebruik staat toe deze verkoopopbrengst pas in 2010 te verantwoorden. (Beroep ongegrond.)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/802
V-N 2018/32.18.6
Viditax (FutD), 09-04-2018
FutD 2018-1055
NTFR 2018/1215 met annotatie van Drs. M. Nieuweboer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 17/4867

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 maart 2018 in de zaak tussen

[Coöperatie X], eiseres

(gemachtigde: mr. M. van Zijtveld),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [plaats], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2010 een aanslag vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd. Daarbij is ook heffingsrente aan eiseres in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 6 juni 2017 de aanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2018.

Namens eiseres is verschenen [persoon 1], bijgestaan door [persoon 2] en

[persoon 3]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon 4], [persoon 5] en [persoon 6].

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is een coöperatieve vereniging die tot en met 2007 de gezamenlijke inkopen en marketing voor de aangesloten drogisterijen (aanvankelijk ongeveer 700) verzorgde. Ieder lid was verplicht bij toetreding een bedrag aan inleggeld te storten.

2. Bij overeenkomst van 20 april 2007 heeft eiseres de zogenoemde [merken] en [domeinnamen] die zij in eigendom bezat, overgedragen aan haar dochtervennootschap [B.V. Y] (hierna: [B.V. Y]). Artikel 2 van deze overeenkomst (de [verkoopovereenkomst]) bepaalt het volgende:

“2. Koopprijs

2 1 [B.V. Y] zal [eiseres] voor de verkoop, levering en overdracht van de [merken] en de [domeinnamen] op 31januari 2010 een koopprijs betalen die bepaald wordt conform het hierna sub a tot en met e bepaalde

a. de initiële koopprijs bedraagt € 2 200,- vermenigvuldigd met het aantal leden van [eiseres] dat op de Overdrachtsdatum een geldig FSO bezit (“Initiële Koopprijs”),

b. de Initiële Koopprijs wordt verlaagd met het eventuele bedrag tot vergoeding van schade dat kan worden verrekend met inachtneming van het bepaalde in artikel 4 3 van de Koopovereenkomst (“Koopprijs”),

c. van de Koopprijs zal een ieder lid van [eiseres] dat zowel op de Overdrachtsdatum als op 1 januari 2010 een geldige FSO bezit (“Blijver”), een gedeelte ter grootte van maximaal € 2 200,- worden toegerekend, evenwel met inachtname van het bepaalde sub d, omdat het aan [eiseres] te betalen bedrag maximaal de Koopprijs beloopt,

d. indien het aantal Blijvers vermenigvuldigd met € 2 200,- zou resulteren in een hoger bedrag dan de Koopprijs, wordt het door iedere Blijver te ontvangen bedrag van € 2 200,- proportioneel verlaagd (op basis van onderstaande formule)
Koopprijs
2 200 * aantal blijvers * 2 200

e. indien op grond van het aantal Blijvers de Koopprijs conform het bepaalde sub c niet volledig aan [eiseres] wordt uitgekeerd, zal het resterende gedeelte van de Koopprijs door [B.V. Y] worden aangewend ten behoeve van de marketing c.q. versterking van de [merken]

f. leden van [eiseres] die op de Overdrachtsdatum een geldige FSO bezitten maar op grond van het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd en/of om gezondheidsredenen hun lidmaatschap van [eiseres] en hun FSO moeten beëindigen vóór 7 januari 2010 zullen in dit artikel 2 1 worden aangemerkt als Blijvers.

(...)”.

3. Bij overeenkomst van eveneens 20 april 2007 heeft eiseres haar deelneming in [B.V. Y] en daarmee het overgrote deel van haar activiteiten voor € 1 verkocht aan een nieuwe investeerder, [B.V. Z] (hierna: koper). Artikel 4.3 van die overeenkomst (de [B.V. Z koopovereenkomst]) bepaalt:

“4.3 Verrekening

4.3.1 Koper is bevoegd om vorderingen tot vergoeding van schade op grond van één of meer inbreuken op de Garanties te verrekenen met haar betalingsverplichtingen jegens [eiseres] op grond van artikel 2 van de [[verkoopovereenkomst]] (Bijlage 3.1.h) mits Koper aan [eiseres] heeft overgelegd

a. een afschrift van een beslissing van een Nederlandse rechter of een afschrift van een arbitraal vonnis met betrekking tot een zodanige vordering van Koper (c.q. de Vennootschap of relevante Groepsmaatschappijen) op [eiseres], of

b. b. een afschrift van een tussen Partijen overeengekomen minnelijke regeling met betrekking tot zodanige vordering.

(...)”.

4. Bij het indienen van de aangifte Vpb 2007 op 7 april 2010 heeft de toenmalige adviseur van eiseres zich op het standpunt gesteld dat ter zake van de verkoop van de [merken] en [domeinnamen] geen winst behoefde te worden genomen. Ook in de commerciële jaarrekening heeft eiseres dat standpunt ingenomen.

5. Op 31 januari 2010 heeft eiseres voor de verkoop van de [merken] en [domeinnamen] een verkoopprijs van € 693.000 ontvangen (de verkoopopbrengst).

6. Op 30 mei 2012 heeft de toenmalige adviseur na overleg met verweerder de aangifte Vpb 2010 van eiseres ingediend en daarin de verkoopopbrengst van € 693.000 uit de overdracht van de [merken] en [domeinnamen] verantwoord als belaste opbrengst.

7. Met dagtekening 18 augustus 2012 heeft verweerder de aanslag Vpb 2010 vastgesteld en daarbij naast een – niet in geschil zijnde – correctie ter zake van te verrekenen verliezen, de verkoopopbrengst conform de aangifte tot de belaste opbrengsten gerekend.

8. Eiseres heeft tegen de aanslag Vpb 2010 bezwaar gemaakt.

9. Lopende de bezwaarprocedure is besloten tot ontbinding en vereffening van eiseres. De vereffenaar heeft in de bezwaarfase namens eiseres het standpunt ingenomen dat, als er al sprake is van een belaste verkoopopbrengst, deze opbrengst fiscaal in 2007 belast had moeten worden en het opleggen van een navorderingsaanslag over 2007 niet meer mogelijk is.

10. Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder de aanslag Vpb 2010 gehandhaafd.

Geschil

11. In geschil is of verweerder terecht de verkoopopbrengst tot de belastbare winst van 2010 heeft gerekend. Meer specifiek is in geschil of goed koopmansgebruik het toestaat de verkoopopbrengst van de [merken] en [domeinnamen] pas in 2010 te verantwoorden. Zo deze vraag ontkennend wordt beantwoord, is in geschil of verweerder de verkoopopbrengst in 2010 mag belasten op grond van het totaalwinstbeginsel of de foutenleer.

12. Eiseres stelt zich op het standpunt dat op grond van goed koopmansgebruik de verkoopopbrengst al in 2007 had moeten worden belast, omdat toen een voldoende betrouwbare schatting kon worden gemaakt van de omvang van deze fiscale bate. Verder stelt eiseres zich op het standpunt dat geen ruimte is voor toepassing van de foutenleer, omdat dit strijdig is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het verbod op willekeur en het zorgvuldigheidsbeginsel.

13. Verweerder stelt zich op het standpunt dat goed koopmansgebruik, meer specifiek het voorzichtigheidsbeginsel, het toelaat de verkoopopbrengst pas in 2010 als belaste bate te verantwoorden. Daarnaast stelt verweerder zich op het standpunt dat ook toepassing van het totaalwinstbeginsel en de foutenleer er toe leiden dat de verkoopopbrengst in het jaar 2010 dient te worden belast.

Beoordeling van het geschil

14. Vast staat dat de verkoopopbrengst pas op 31 januari 2010 door eiseres is ontvangen (zie onder 5). Uit de gedingstukken, daaronder begrepen de [verkoopovereenkomst] en de [B.V. Z koopovereenkomst], blijkt dat de omvang van de verkoopopbrengst onder meer afhankelijk was van het aantal leden dat zowel op de overdrachtsdatum van 20 april 2007 als op 1 januari 2010 lid was van eiseres (de zogenoemde blijvers). Tevens blijkt daaruit dat de kans bestond dat de koper van de aandelen in [B.V. Y], vorderingen tot vergoeding van de schade als bedoeld in artikel 4.3 van de [B.V. Z koopovereenkomst] op de koopprijs in mindering zou kunnen brengen (zie onder 3). Verder staat vast, naar verweerder heeft aangevoerd en ook blijkt uit het bezwaarschrift van eiseres van 24 september 2012, dat eiseres al in 2006 in zeer zwaar weer verkeerde, dat de financiële situatie van eiseres erg slecht was en het voortbestaan van de organisatie voor de toekomst zeer onzeker. Hierdoor was volgens verweerder het aantal blijvers in 2007 niet in te schatten, hetgeen de rechtbank aannemelijk acht.

15. Gelet op de onder 14 genoemde onzekerheden met betrekking tot de omvang van de in 2010 te bepalen en te ontvangen verkoopopbrengst, met name gelet op de onzekerheid omtrent het aantal blijvers, mocht winstneming ter zake van de overdracht van de [merken] en [domeinnamen] worden uitgesteld op grond van goed koopmansgebruik. Het beroep faalt dan ook.

16. Daarbij komt dat indien veronderstellenderwijs ervan wordt uitgegaan dat winstneming in 2007 had moeten plaatsvinden, de rechtbank niet inziet waarom de alsdan in de aangifte Vpb 2007 gemaakte fout niet zou kunnen worden hersteld door toepassing van de foutenleer middels een correctie in 2010, zijnde het laatst openstaande belastingjaar. Reeds omdat eiseres pas in december 2015 zelf concreet het standpunt heeft verlaten dat winstneming kon worden uitgesteld tot 2010, volgt de rechtbank eiseres niet dat toepassing van de foutenleer in dat geval in strijd zou zijn met het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het verbod op willekeur of het zorgvuldigheidsbeginsel. Alles wat eiseres overigens in dit verband heeft aangevoerd, zou ook niet in de weg staan aan toepassing van de foutenleer. Alsdan zou de verkoopopbrengst dus ook in 2010 belast zijn.

17. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, voorzitter, en mr. R.C.H.M. Lips en mr. E.J.W. Heithuis, leden, in aanwezigheid van mr. A.J. Kwestro, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.