Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:2799

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-03-2018
Datum publicatie
12-03-2018
Zaaknummer
NL18.2404 en NL18.2405
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel Egypte. Koptische christenen. Geen kwetsbare minderheidsgroep. Persoonlijke vrees niet aannemelijk. Eisers kunnen worden geacht hun dochter te beschermen tegen de wens van eisers moeder om hun dochter te besnijden. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummers: NL18.2404 en NL18.2405


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 maart 2018 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, en

[eiseres] , eiseres, mede namens hun minderjarige kinderen [kind] en [kind],

hierna gezamenlijk te noemen: eisers

(gemachtigde: mr. H. Yousef),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.E.P. Pijnenburg).


Procesverloop
Bij twee afzonderlijke besluiten van 29 januari 2018 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld en aanvullende beroepsgronden ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Nieuwland. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eisers zijn geboren op [geboortedatum] en [geboortedatum] , bezitten de Egyptische nationaliteit en zijn afkomstig uit Cairo. Zij hebben op 26 september 2017 aanvragen ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Daaraan hebben zij ten grondslag gelegd dat zij onder druk werden gezet door eisers moeder om hun dochter te laten besnijden en dat zij werden gediscrimineerd vanwege hun religie als koptisch christen.

2. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder deze aanvragen afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder acht alle elementen van de asielrelazen van eisers geloofwaardig, maar vindt deze niet zwaarwegend genoeg voor verlening van de gevraagde vergunningen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers aannemelijk moeten maken waarom zij persoonlijk te vrezen hebben vanwege hun religie, maar dat zij daarin niet zijn geslaagd. Verweerder stelt zich daarnaast op het standpunt dat eisers hun dochter kunnen onttrekken aan de invloed van eisers moeder om zo te voorkomen dat zij zal worden besneden.

3. Eisers voeren daartegen aan dat verweerder ten onrechte koptische christenen in Egypte niet heeft aangemerkt als kwetsbare minderheidsgroep, dan wel dat verweerder aan het geloofwaardig achten van hun asielrelazen niet de conclusie heeft verbonden dat zij bij terugkeer naar Egypte een reëel risico lopen op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Daarbij verwijzen zij naar diverse rapporten en nieuwsberichten, waaronder het rapport ‘World Report 2017 - Egypt’ van Human Rights Watch van 12 januari 2017, het rapport ‘State of the World’s Minorities and Indigenous People 2016’ van Minority Rights Group van 12 juli 2016 en het nieuwsbericht ‘Egypt’s Coptic Christians targeted in deadly attacks’ van Al Jazeera van 29 december 2017. Daarnaast voeren eisers aan dat vrouwenbesnijdenis wijdverbreid is in Egypte en verweerder niet kan uitsluiten dat eisers moeder hun dochter kan laten besnijden.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) op 5 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:7) is geoordeeld dat koptische christenen in Egypte in de grote steden in het algemeen geen reëel risico lopen op vervolging of een onmenselijke behandeling. In de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 november 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:13132) is geoordeeld dat de jaarlijkse landenrapportages van US Department of State, Amnesty International en Human Rights Watch, uitgebracht op respectievelijk 3 maart, 22 februari en 12 januari 2017, geen blijk geven van een significant ander beeld dan deze uitspraak van de Afdeling.

5. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit gebaseerd op het thematisch ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Christenen in Egypte van 22 juni 2012 en op deze uitspraken. De rechtbank wijst daarnaast op de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 8 februari 2018 (ECLI:NL:RBGEL:2018:572) waarin landeninformatie uit juli, augustus en oktober 2017 is meegewogen en eveneens is geoordeeld dat niet is gebleken van een verslechtering.

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat uit de door eisers overgelegde landeninformatie niet blijkt dat de veiligheidssituatie voor koptische christenen significant is verslechterd sinds de onder 4 genoemde uitspraken. Afgezien van het nieuwsbericht van Al Jazeera, dat betrekking heeft op één specifieke gebeurtenis, zien de door eisers overgelegde stukken immers op dezelfde periode als de stukken die in voornoemde uitspraken zijn meegewogen.

7. Verweerder heeft aldus terecht geen aanleiding gezien om koptische christenen in Egypte aan te merken als kwetsbare minderheidsgroep en terecht van eisers verlangd om persoonlijk aannemelijk te maken dat zij vrezen vanwege hun religie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat zij daarin niet zijn geslaagd, door erop te wijzen dat eisers bij herhaling hebben verklaard een beroep te doen op de algemene veiligheidssituatie voor koptische christenen in Egypte.

8. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eisers kunnen worden geacht om hun dochter te beschermen tegen besnijdenis. Eisers hebben verklaard dat zij vrezen dat eisers moeder, als voorstander van vrouwenbesnijdenis, hun dochter zal laten besnijden. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat eisers, als ouders van het kind en tegenstander van vrouwenbesnijdenis, dit kunnen voorkomen. Niet aannemelijk is dat eisers zich met geen mogelijkheid aan de invloed van eisers moeder kunnen onttrekken. De stelling dat het cultureel gezien lastig is voor eiser om zich van zijn moeder te distantiëren, is daarvoor onvoldoende.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.