Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:2741

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-03-2018
Datum publicatie
13-03-2018
Zaaknummer
C/09/528040 / HA RK 17-116
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Rb volgt verzoeker niet in stelling dat Nl Staat (ongeoorloofde) druk en/of dwang heeft uitgeoefend om hem te bewegen afstand te doen van Nl nationaliteit. Door verzoeker gestelde bedreiging en misbruik van omstandigheden niet geconcretiseerd/onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer

Rekestnummer: HA RK 17-116

Zaaknummer: C/09/528040

Datum beschikking: 8 maart 2018

Beschikking op het op 1 maart 2017 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoeker]

verzoeker,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. S. Jankie te Hoofddorp.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Veiligheid en Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verder te noemen “de IND”),

zetelende te ’s-Gravenhage,

vertegenwoordigd door mr. Y. Kern.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- de brief van 10 maart 2017, met bijlagen, van verzoeker.

- de brief van 14 maart 2017 van de IND;

- de brief van 16 juni 2017, met bijlagen, van de IND;

- de conclusie van de officier van justitie d.d. 15 december 2017;

- de fax van 24 januari 2018, met bijlage, van verzoeker.

Op 25 januari 2018 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: verzoeker met zijn advocaat alsmede mr. Y. Kern namens de IND. Zowel van de zijde van verzoeker als van de zijde van de IND zijn pleitnotities overgelegd. De officier van justitie heeft schriftelijk medegedeeld geen behoefte te hebben aan het bijwonen van de mondelinge behandeling.

Verzoek en het standpunt van de IND en de officier van justitie

Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van het Nederlanderschap van verzoeker.

De IND concludeert tot afwijzing van het verzoek.

De officier van justitie heeft bij voormelde conclusie medegedeeld zich aan te sluiten bij het standpunt van de IND.

Feiten

  • -

    Verzoeker heeft zich op 10 juli 1972 vanuit Suriname in Nederland gevestigd.

  • -

    Verzoeker had toen de Nederlandse nationaliteit.

  • -

    Op 25 november 1975 werd Suriname onafhankelijk. Omdat verzoeker op dat moment in Nederland woonde, behield hij ingevolge de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (TOS) de Nederlandse nationaliteit.

  • -

    Op 9 maart 2006 is verzoeker geremigreerd naar Suriname.

  • -

    Met ingang van 10 maart 2006 kreeg verzoeker van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) een uitkering in het kader van de Remigratiewet. Aan deze uitkering is de verplichting verbonden zo spoedig mogelijk de nationaliteit van het bestemmingsland (Suriname) aan te nemen of aan te vragen.

  • -

    Verzoeker heeft op 28 februari 2007 een verzoek ingediend tot verkrijging van de Surinaamse nationaliteit.

  • -

    Op 25 oktober 2010 verkreeg verzoeker bij resolutie van de President van de Republiek Suriname de Surinaamse nationaliteit.

  • -

    In deze resolutie is onder meer het volgende opgenomen: “Besluit: (…) De aandacht van betrokkene erop te vestigen dat deze resolutie kan worden ingetrokken indien hij heeft nagelaten, na de totstandkoming van zijn naturalisatie, al het mogelijke te doen om zijn vorige nationaliteit te verliezen.

  • -

    Op 9 februari 2011 heeft verzoeker afstand gedaan van de Nederlandse nationaliteit.

  • -

    De verklaring van afstand van de Nederlandse nationaliteit door verzoeker werd op 10 februari 2011 bevestigd door het Hoofd Consulaire Afdeling van de Nederlandse ambassade te Paramaribo, Suriname.

  • -

    Op 25 februari 2016 is aan verzoeker een Nederlands paspoort afgegeven door de Nederlandse ambassade in Paramaribo, Suriname.

  • -

    Op 1 augustus 2016 heeft verzoeker zich vanuit Suriname gevestigd in Nederland.

  • -

    Op 4 januari 2017 heeft de gemeente [woonplaats] verzoeker medegedeeld dat de Nederlandse ambassade ten onrechte een Nederlands paspoort heeft verstrekt, omdat verzoeker op 9 februari 2011 reeds afstand heeft gedaan van de Nederlandse nationaliteit. De gemeente heeft verzoeker medegedeeld voornemens te zijn de registratie van de Nederlandse nationaliteit van verzoeker in de basisregistratie personen (BRP) te beëindigen.

  • -

    Bij beschikking van 30 januari 2017 heeft de gemeente [woonplaats] de registratie van de Nederlandse nationaliteit van verzoeker in de BRP beëindigd.

  • -

    Tegen deze beschikking heeft verzoeker bezwaar ingediend, welk bezwaar op 4 april 2017 ongegrond is verklaard.

Beoordeling

In geschil is of verzoeker in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit.

Verzoeker stelt dat dit het geval is en voert daartoe, verkort weergegeven, het volgende aan. Verzoeker betwist hij vrijwillig afstand heeft gedaan van de Nederlandse nationaliteit. Er was ten tijde van het tekenen van de afstandsverklaring sprake van ongeoorloofde dwang en van een wilsgebrek aan de zijde van verzoeker, omdat hij ernstig ziek was en niet in staat was zijn wil te bepalen, zodat de afstandsverklaring niet rechtsgeldig tot stand is gekomen. Verzoeker stelt dat, nu aan hem in februari 2016 (opnieuw) een Nederlands paspoort is verstrekt, hij er op mocht vertrouwen dat dit paspoort is afgegeven na een deugdelijk onderzoek. Voorts beroept verzoeker zich op een uitspraak van de Hoge Raad van 26 juni 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1749), waaruit volgt dat het verkrijgen van de Surinaamse nationaliteit niet het verlies van de Nederlandse nationaliteit tot gevolg heeft.

De IND concludeert dat de verklaring van afstand van de Nederlandse nationaliteit een logisch vervolg is op de verkrijging van de Surinaamse nationaliteit door verzoeker; de afstand van de Nederlandse nationaliteit komt voort uit de verplichting in artikel 16b lid 1 onder b van de Surinaamse Wet op de nationaliteit en het ingezetenschap om al het mogelijke te doen om na verkrijging van de Surinaamse nationaliteit de vorige nationaliteit te verliezen. De IND stelt zich op het standpunt dat verzoeker sinds 9 februari 2011 niet meer in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit, nu hij daar op die datum vrijwillig afstand van heeft gedaan. Van enige uitoefening van dwang is niet gebleken, aldus de IND.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat een beroep op de uitspraak van de Hoge Raad van 26 juni 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1749) verzoeker niet kan baten. Vast staat immers dat verzoeker niet zijn Nederlandse nationaliteit is verloren door verkrijging van de Surinaamse nationaliteit, waarvan in voornoemd arrest sprake was, maar doordat hij afstand heeft gedaan van de Nederlandse nationaliteit.

Verzoeker stelt dat hij onder druk van de omstandigheden afstand heeft gedaan van de Nederlandse nationaliteit. Verzoeker heeft ter zitting nader verklaard dat hij zich onder druk gezet voelde om te tekenen omdat hij ziek was. Bovendien was hij op dat moment door zijn ziekte niet wilsbekwaam.

Duidelijk is, zo blijkt uit hetgeen ter zitting is besproken, dat verzoeker afstand heeft gedaan van zijn Nederlandse nationaliteit om in Suriname in aanmerking te komen voor medische zorg en een ziektekostenverzekering. Kennelijk kon verzoeker in Suriname niet geholpen worden, althans zou hij niet verzekerd zijn tegen de te maken kosten, zolang hij naast de Surinaamse nationaliteit ook de Nederlandse nationaliteit had. De rechtbank kan zich voorstellen dat verzoeker in die situatie druk voelde om afstand te doen van zijn Nederlandse nationaliteit. Zou hij dit niet hebben gedaan, dan stond immers zijn gezondheid op het spel. Gesteld noch gebleken is echter dat (een medewerker van) de Nederlandse ambassade verzoeker heeft verplicht, dan wel onder druk heeft gezet afstand te doen van de Nederlandse nationaliteit.

De rechtbank overweegt daarnaast dat ook de echtgenote van verzoeker aanwezig was bij het bezoek van de medewerker van de medewerker(s) van de Nederlandse ambassade. Zij heeft hierover een verklaring afgelegd. Uit deze verklaring blijkt op geen enkele wijze dat (en indien dat wel het geval zou zijn geweest, op welke manier) op verzoeker dwang of (ongeoorloofde) druk zou zijn uitgeoefend. De rechtbank volgt verzoeker dan ook niet in zijn stelling dat van de zijde van de Nederlandse Staat (ongeoorloofde) druk en/of dwang is uitgeoefend om verzoeker ertoe te bewegen afstand te doen van de Nederlandse nationaliteit. Ook aan de door verzoeker gestelde bedreiging en misbruik van omstandigheden gaat de rechtbank voorbij, nu dit niet nader door verzoeker is geconcretiseerd en onderbouwd.

Ten aanzien van de door verzoeker gestelde wilsonbekwaamheid is de rechtbank van oordeel dat hiervan niet is gebleken. Het enkele feit dat verzoeker ziek was is daarvoor niet voldoende. De handeling was voor verzoeker op het moment van het doen van afstand ook niet nadelig. Integendeel, kennelijk had hij belang bij het doen van afstand van zijn Nederlandse nationaliteit om in Suriname in aanmerking te komen voor medische zorg en een ziektekostenverzekering. Vast staat dat verzoeker enkele dagen na het tekenen van de afstandsverklaring (alsnog) is opgenomen in het ziekenhuis in Suriname, waaruit de rechtbank afleid dat het beoogde doel behaald is.

Voor zover verzoeker een beroep op het vertrouwensbeginsel heeft willen doen om tot vaststelling van het Nederlanderschap te komen, kan dit beroep niet slagen. De wijzen waarop de Nederlandse nationaliteit kan worden verkregen zijn limitatief opgesomd in de RWN en daaronder is niet begrepen een zodanige verkrijging door de werking van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, zoals het vertrouwensbeginsel.

Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een veroordeling van de IND in de proceskosten van verzoekster en zal het verzoek daartoe afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. N.B. Verkleij, M.P. Verloop en J.C. Sluymer, bijgestaan door P. Hillebrand als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 maart 2018.