Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:2718

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-03-2018
Datum publicatie
18-05-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 6380
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2018:4032, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Op 9 februari 2017 heeft X B.V. een personenauto met Nederlands kenteken op haar naam gesteld. De registratie in het Nederlandse kentekenregister is op 10 februari 2017 beëindigd.

Op 13 februari 2017 is de personenauto in Duitsland ingeschreven met Duits kenteken.

Dit betreft een regulier, niet tijdelijk, kenteken. De Duitse bevoegde autoriteit heeft hierbij een kentekenbewijs afgegeven.

Op 14 februari 2017 heeft een aan X gelieerde vennootschap de personenauto verkocht aan een persoon die in Albanië woont.

Deze persoon heeft het voertuig vervolgens rechtstreeks vanuit Nederland overgebracht naar Albanië.

X heeft verzocht om een teruggaaf van BPM ter zake van de personenauto op grond van artikel 14a, eerste lid, van de

Wet BPM. De inspecteur heeft dit verzoek afgewezen.

Rechtbank Den Haag oordeelt dat artikel 14a, eerste lid, van de Wet BPM, in samenhang bezien met de door de rechtbank geciteerde wetsgeschiedenis en gelet op doel en strekking van de bepaling, er vanuit gaat dat de personenauto feitelijk buiten Nederland wordt gebracht en wel naar het EU/EER-land waar het kentekenbewijs wordt afgegeven. Nu vaststaat dat de personenauto niet naar een dergelijk land, maar rechtstreeks vanuit Nederland naar Albanië, is geëxporteerd, heeft X niet voldaan aan de voorwaarde van artikel 14a, eerste lid, van de Wet BPM en aldus geen recht op teruggaaf van BPM. Aan de stelling van de inspecteur dat sprake is van een schijnhandeling of fraus legis (en het eventuele van toepassing zijn van ECLI:NL:HR:2013:BY0548) komt de rechtbank daarmee niet toe. Het beroep is ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/1062
V-N 2018/32.2.5
Viditax (FutD), 22-05-2018
FutD 2018-1435
NTFR 2018/1605 met annotatie van mr. H.A. Elbert
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 17/6380

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

1 maart 2018 in de zaak tussen

[B.V. X] te [plaats], eiseres
(gemachtigde: mr. J. Rolleman),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Midden-en kleinbedrijf, kantoor [plaats], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 29 augustus 2017 op het bezwaar van eiseres tegen de beschikking met kenmerk [kentekennummer 1] waarbij het verzoek om teruggaaf van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) is afgewezen.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2018.

Namens eiseres is haar gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon 1], [persoon 2] en [persoon 3].

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Op 9 februari 2017 heeft eiseres een personenauto met chassisnummer [chassisnummer], met Nederlands kenteken [kentekennummer 1], op haar naam gesteld (hierna: het voertuig).

2. De registratie in het Nederlandse kentekenregister is op 10 februari 2017 beëindigd. Op 13 februari 2017 is het voertuig in Duitsland ingeschreven met kenteken

[kentekennummer 2]. Dit betreft een regulier, niet tijdelijk, kenteken. De Duitse bevoegde autoriteit heeft hierbij een kentekenbewijs afgegeven.

3. Op 14 februari 2017 heeft [B.V. Y], een aan eiseres gelieerde vennootschap. het voertuig verkocht aan een persoon die in Albanië woont. Deze persoon heeft het voertuig vervolgens rechtstreeks vanuit Nederland overgebracht naar Albanië.

4. Eiseres heeft op 24 februari 2017 verweerder verzocht om een teruggaaf van BPM van € 2.563 ter zake van het voertuig op grond van artikel 14a, eerste lid, van de Wet

belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (de Wet BPM). Verweerder heeft dit verzoek afgewezen.

5. In geschil is of eiseres recht heeft op de door haar verzochte teruggaaf BPM.

6. Verweerder stelt dat de registratie in Duitsland een schijnhandeling vormt. Er wordt een voertuig duurzaam geregistreerd in Duitsland waarbij het nooit de bedoeling is (geweest) dat het voertuig in Duitsland zal worden gebruikt. Verweerder stelt dat als Duitsland de werkelijke gang van zaken zou hebben geweten er geen duurzame inschrijving zou hebben plaatsgevonden. Volgens verweerder is anders sprake van fraus legis. Het in Duitsland registreren middels een permanent kenteken is slechts bedoeld om voor teruggaaf van BPM in aanmerking te komen. Het is in strijd met het doel en de strekking van de teruggaafregeling als teruggaaf van BPM zou moeten worden verleend voor een voertuig waarbij op het moment van uitschrijving in Nederland en het verzoek om teruggaaf van BPM al vaststaat dat deze niet is bestemd voor duurzaam gebruik in een ander EU/EER-land. De teruggaaf is blijkens de wetsgeschiedenis alleen bedoeld voor overbrengingen naar een EU/EER-land die een permanent karakter hebben. Daarvan is hier geen sprake.

7. Eiser stelt dat aan de formele vereisten van artikel 14a, eerste lid, van de Wet BPM is voldaan. Het gaat niet om de duur van het gebruik van het voertuig in de andere lidstaat, maar om een anders dan tijdelijke inschrijving in het kentekenregister en daaraan is voldaan. Eiser stelt voorts naar de letter van de wet, maar ook naar de bedoeling van de wetgever te hebben gehandeld. De wetgever heeft immers bewust om uitvoeringsredenen gekozen voor de huidige wettekst en heeft een situatie als de onderhavige onderkend. Gelet hierop kan eiseres niet worden tegengeworpen dat hij gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid die de wet haar biedt.

8. Art. 14a, eerste lid, van de Wet BPM luidde voor het onderhavige jaar:

“Teruggaaf van belasting wordt, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, op aanvraag verleend voor personenauto’s, motorrijwielen en bestelauto’s indien de tenaamstelling van het motorrijtuig in het kentekenregister komt te vervallen omdat het motorrijtuig buiten Nederland wordt gebracht, het motorrijtuig overeenkomstig Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen (PbEG 1999, L 138) wordt ingeschreven in een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en als bewijs van die inschrijving door de bevoegde autoriteit een kentekenbewijs wordt afgegeven, met uitzondering van een kentekenbewijs dat is afgegeven op basis van een tijdelijke inschrijving van het motorrijtuig als bedoeld in artikel 1 van die richtlijn. De teruggaaf wordt verleend aan degene op wiens naam het motorrijtuig was gesteld direct voorafgaand aan het vervallen van de tenaamstelling in het kentekenregister.

9. In de Parlementaire geschiedenis is over artikel 14a het volgende opgemerkt:

“In het eerste lid van artikel 14a van de Wet BPM wordt de teruggaaf geregeld voor voertuigen met een Nederlands kenteken waarvan de tenaamstelling in het register van de Dienst Wegverkeer (RDW) wordt beëindigd in verband met overbrenging naar een andere

EU-lidstaat of EER-staat. De teruggaaf wordt verleend aan degene op wiens naam het kenteken tot dan toe stond. (…)Ten algemene geldt dat teruggaaf wordt verleend onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden. Zo dient de overbrenging van het voertuig naar het buitenland een permanent karakter te hebben. Daarnaast zal het

voertuig in een andere EU-lidstaat of EER-staat geregistreerd moeten zijn of worden.”

Tweede Kamer, Vergaderjaar 2006–2007, nr. 30 804, nr. 9, blz. 17

10. Om onbedoeld gebruik van de regeling te voorkomen is de wettekst bij Fiscale verzamelwet 2015 aangepast. De Memorie van toelichting bij die wet vermeldt het volgende:

“In artikel 14a van de Wet BPM 1992 wordt geregeld dat de teruggave van BPM bij export van motorrijtuigen voortaan alleen wordt verleend indien het geëxporteerde voertuig duurzaam is ingeschreven in een ander land binnen de Europese Unie/Europese Economische Ruimte (EU/EER). Daartoe wordt in artikel 14a, eerste lid, van de Wet BPM 1992 opgenomen dat een teruggaaf alleen wordt verleend indien het motorrijtuig buiten Nederland is gebracht en in een ander land binnen de EU/EER is geregistreerd als bedoeld in de Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen (PbEG 1999, L 138). De Belastingdienst heeft namelijk geconstateerd dat een deel van de uit Nederland naar een ander land binnen de EU/EER geëxporteerde motorrijtuigen direct nadat deze motorrijtuigen kortdurend waren geregistreerd in dat andere land van de EU/EER, wordt geëxporteerd naar een land buiten de EU/EER. Deze kortdurende registratie in dat andere land binnen de EU/EER dient dan uitsluitend het doel een teruggave van BPM te verkrijgen.”

Tweede Kamer, Vergaderjaar 2014–2015, nr. 34 220, nr. 3, blz. 18

11. De Raad van State merkt naar aanleiding van de voorgestelde wijziging van artikel 14a het volgende op:

“b. Effectiviteit

Het voorstel en de toelichting gaan steeds uit van de situatie waarin een auto eerst tijdelijk geëxporteerd wordt naar en ingeschreven wordt in een ander land binnen de EU/EER (met teruggaaf van BPM) en vervolgens wordt geëxporteerd naar een land buiten de EU/EER. De Afdeling merkt op dat er niet wordt ingegaan op de situatie waarin – ook met de opzet om te exporteren naar een land buiten de EU/EER – eerst sprake is van een duurzame inschrijving in een ander land van de EU/EER (hetgeen leidt tot een teruggaaf van BPM), kort daarna alsnog gevolgd door een export naar een land buiten de EU/EER. Door eerst duurzaam in te schrijven (en kort daarna toch te exporteren) kan derhalve nog steeds een teruggaaf van BPM worden verkregen. Naar het de Afdeling voorkomt zijn daarmee vraagtekens te plaatsen bij de effectiviteit van het voorstel omdat niet bedoeld gebruik aldus mogelijk blijft. (…) De Afdeling adviseert in de toelichting de effectiviteit van het voorstel nader te motiveren, en het voorstel zo nodig aan te passen.”

Tweede Kamer, Vergaderjaar 2014–2015, nr. 34 220, nr. 4, blz. 3

12. In de Nota naar aanleiding van het verslag is op vragen van de fracties van de Tweede Kamer door het Kabinet de volgende reactie gegeven met betrekking tot voorgesteld artikel 14a:

“De leden van de fractie van de VVD vragen hoe de teruggaafregeling van de BPM exact wordt aangescherpt. In de huidige situatie geeft elke inschrijving van een motorrijtuig (export) in een andere lidstaat respectievelijk land binnen de EU/EER recht op een teruggaaf van BPM. De voorgestelde aanscherping van de teruggaafregeling BPM beperkt deze teruggaaf van BPM tot die situaties waarin sprake is van een duurzame inschrijving in een andere lidstaat of ander land binnen de EU/EER. Dit sluit beter aan bij de Europese regelgeving van inschrijving van het kentekenbewijs, te weten Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorrijtuigen (PbEG 1999, L 138). Het gevolg van de aanscherping is dat een kentekenbewijs op basis van een tijdelijke inschrijving in andere EU-lidstaat of ander EER-land niet wordt geaccepteerd als grond voor de teruggave van BPM bij export van motorrijtuigen.”

Tweede Kamer, Vergaderjaar 2014–2015, nr. 34 220, nr. 6, blz. 11

“Er geldt geen minimumperiode voor het «duurzaam» ingeschreven staan van het motorrijtuig in de EU-lidstaat of in het EER-land waarnaar het motorrijtuig vanuit Nederland is geëxporteerd. De Belastingdienst controleert op het moment waarop het verzoek om teruggaaf van BPM bij export wordt gedaan of de bijgevoegde kopie van het kentekenbewijs voldoet aan de voorwaarden van de Europese Richtlijn inzake de kentekenbewijzen van motorrijtuigen. Als de kopie voldoet en aan de overige voorwaarden voor de teruggaaf wordt voldaan verleent de Belastingdienst de teruggaaf van BPM. Als in een later stadium blijkt dat ten onrechte BPM is teruggegeven dan zal de Belastingdienst dat bedrag aan BPM naheffen van de indiener van het verzoek om teruggaaf.”

Tweede Kamer, Vergaderjaar 2014–2015, nr. 34 220, nr. 6, blz. 13

13. Eiseres moet worden toegegeven dat artikel 14a ook na de aanpassing bij Fiscale verzamelwet 2015 in beginsel de mogelijkheid biedt teruggaaf van BPM te verzoeken bij ‘doorexport’ naar Albanië nadat Duitsland voor de auto een (niet tijdelijk) kentekenbewijs heeft afgegeven. De wettekst vormt daarvoor geen belemmering en uit de parlementaire behandeling - en in het bijzonder de antwoorden van het Kabinet op Kamervragen nadat de Raad van State zich kritisch had uitgelaten over de voorgestelde gewijzigde wettekst - blijkt ook dat de door eiseres beoogde uitwerking is onderkend en de wetgever daarin geen aanleiding heeft gezien de wettekst aan te passen. Sterker, de wetgever heeft zelfs geantwoord dat er geen minimumperiode geldt voor de ‘duurzame’ inschrijving.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder echter toch terecht geen teruggaaf BPM aan eiseres verleend. Artikel 14a, eerste lid, van de Wet BPM, in samenhang bezien met de hiervoor geciteerde wetsgeschiedenis en gelet op doel en strekking van de bepaling, gaat er immers vanuit dat het voertuig (ook) feitelijk buiten Nederland wordt gebracht en wel naar het EU/EER-land waar het kentekenbewijs wordt afgegeven. Nu vaststaat dat het voertuig niet naar een dergelijk land, maar rechtstreeks vanuit Nederland naar Albanië, is geëxporteerd, heeft eiseres niet voldaan aan de voorwaarde van artikel 14a, eerste lid, van de Wet BPM en aldus geen recht op teruggaaf van BPM. Aan de stelling van verweerder dat sprake is van een schijnhandeling of fraus legis (en het eventuele van toepassing zijn van ECLI:NL:HR:2013:BY0548) komt de rechtbank daarmee niet toe.

14. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond verklaard.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. de Hek, rechter, in aanwezigheid van mr. S.R.M. Dekker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.