Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:2682

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-03-2018
Datum publicatie
29-03-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 6323
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering ontheffing van het verbod van verwerking van bijzondere persoonsgegevens (Wbp). Privacyrichtlijn en Wbp. De Autoriteit Persoonsgegevens heeft het verzoek van de burgemeester van Den Haag om de persoonsgegevens van sekswerkers te verwerken terecht verboden wegens strijdigheid met artikel 16 van de Wbp (verbod op verwerking van gegevens over het seksuele leven). Verhoogd risico voor sekswerkers bij gegevensverwerking. Geen reden voor doorbreking van het verbod en geen aanleiding voor ontheffingverlening. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Wet bescherming persoonsgegevens 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2018/146 met annotatie van C.N. van der Sluis, C.J. Dekker
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/6323

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 maart 2018 in de zaak tussen

de burgemeester van Den Haag, eiser

(gemachtigden: mr. dr. M. Boot en mr. K. Ypenburg)

en

de Autoriteit Persoonsgegevens, verweerster

(gemachtigden: mr. R.W. Veldhuis en mr. N.N. Bontje).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de vereniging PROUD (Dutch Union for Sexworkers)

(gemachtigde: mr. R. Imkamp).

Procesverloop

Bij besluit van 17 februari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerster het verzoek van eiser om ontheffing van het verbod van artikel 16 van de Wet bescherming persoonsgegevens afgewezen.

Bij besluit van 28 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerster het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2018.

Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Op 31 oktober 2016 heeft de burgemeester verweerster verzocht om, indien en voor zover nodig, ontheffing te verlenen van het verbod op verwerking van bijzondere persoonsgegevens. De burgemeester wil de persoonsgegevens van sekswerkers opslaan in een gemeentelijke sekswerkersdatabase. Het betreft de NAW-gegevens en de geboortedatum van sekswerkers alsmede gespreksverslagen en van op die gesprekken gebaseerde werkadviezen. De burgemeester acht het verwerken van deze persoonsgegevens gerechtvaardigd en noodzakelijk voor toezicht en handhaving in de prostitutiebranche. Het gemeentelijk beleid is er op gericht de prostitutiesector te reguleren en de omstandigheden waaronder in de prostitutie wordt gewerkt te verbeteren. Het werkadvies dat de gemeente na een intakegesprek met een sekswerker aan de exploitant van de seksinrichting verstrekt, wordt gebruikt als toezichtinstrument ter bestrijding van misstanden zoals mensenhandel en helpt gedwongen prostitutie te voorkomen.

Verweerster heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek om de persoonsgegevens van sekswerkers te verwerken, verboden is op grond van artikel 16 van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: de Wbp) en dat voor een ontheffing van de verbodsbepaling geen aanleiding bestaat. Bij het bestreden besluit heeft verweerster dit standpunt gehandhaafd.

De derde partij, de belangenvereniging voor sekswerkers PROUD (hierna: PROUD), is het oneens met de structurele verwerking van persoonsgegevens van sekswerkers omdat hieruit risico’s voor de persoonlijke levenssfeer kunnen voortkomen.

2 Een overzicht van de relevante wettelijke bepalingen is in de bijlage opgenomen.

3 In geschil is of de persoonsgegevens van sekswerkers als bijzondere persoonsgegevens in de zin van artikel 16 van de Wbp moeten worden aangemerkt.

De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend.

In artikel 16 van de Wbp is de grondgedachte van artikel 8 van de Privacyrichtlijn 1995 geïmplementeerd, namelijk dat verwerking van specifieke in de richtlijn opgesomde “bijzondere” persoonsgegevens, behoudens in de Privacyrichtlijn en de Wbp omschreven uitzonderingen, door de lidstaten moet worden verboden. Het artikel verwoordt het algemene uitgangspunt dat de verwerking van bepaalde gegevens, die naar hun aard een “bijzonder” of “gevoelig” karakter hebben, omdat zij worden geacht de kern van de persoonlijke levenssfeer te raken en omdat aan de verwerking ervan voor de betrokkene bijzondere risico’s kunnen zijn verbonden, in beginsel verboden is. In de wetsgeschiedenis bij de totstandkoming van artikel 16 Wbp staat onder meer vermeld

“Voor de in artikel 16 genoemde soorten verwerkingen geldt dat sprake is van informatie die in het bijzonder ten nadele van betrokkene misbruikt kan worden. De bepaling is een vorm van onweerlegbaar rechtsvermoeden (presumptio iuris et de iure) dat de daar genoemde gegevens naar hun aard inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer zodat, mede in het licht van artikel 10, eerste lid, van de Grondwet, de verwerking ervan verboden is behoudens bijzondere wettelijke machtiging. Daarmee is irrelevant geworden of in een concreet geval de verwerking van gevoelige gegevens zo vanzelfsprekend is dat van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer eigenlijk niet kan worden gesproken” (Kamerstukken II 1998/99, 14 781, nr. 6, p. 10).

Tot de bijzondere gegevens behoren volgens de wetsgeschiedenis van artikel 16 Wbp ook de indirect bijzondere gegevens, namelijk die gegevens waaruit de aanwezigheid van een gevoelig kenmerk rechtstreeks kan worden afgeleid (Kamerstukken II 1997/98, 25 892, nr. 3, p. 101-102).

Uit de wetsgeschiedenis blijkt verder dat de term ‘seksueel leven’ niet beperkend is bedoeld ten opzichte van de in de voorheen geldende Wet bescherming persoonsregistraties gebruikte termen ‘seksualiteit’ of ‘intiem levensgedrag’. De wetgever heeft met de keuze voor de term ‘seksueel leven’ aansluiting gezocht bij de Privacyrichtlijn. Uit de wetsgeschiedenis blijkt voorts dat het begrip ruim moet worden uitgelegd en dat promiscuïteit of het bezoeken van de Wallen, ook valt onder de definitie van seksueel leven (Kamerstukken II 1998/99, 14 781, nr. 8, p 23). In de tekst van artikel 16 van de Wbp is, voor zover het gaat om het ‘seksuele leven’, geen onderscheid gemaakt tussen het persoonlijke of het bedrijfsmatige seksuele leven.

Gelet op het vorenstaande dient derhalve van een ruime uitleg van zowel het begrip ‘bijzondere persoonsgegevens’ als het begrip ‘seksueel leven’ te worden uitgegaan.

De rechtbank acht verder van belang dat het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in het arrest Khelili tegen Zwitserland (EHRM, arrest van 18 oktober 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:1018JUD001618807) heeft vastgesteld dat het registreren van iemands functie als prostituee inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer en maatschappelijke risico’s voor de betrokkene met zich meebrengt. Deze overweging sluit aan bij de term “bijzondere risico’s” van de Privacyrichtlijn en bij het oordeel dat sprake is van een bijzonder persoonsgegeven.

Het oordeel van het EHRM over de impact die de term sekswerker heeft op het dagelijks leven wordt ondersteund door de uitkomst van het onderzoek dat de nationale wetgever heeft laten uitvoeren in verband met de registratieplicht voor prostitutiebedrijven van sekswerkers. Uit dit Privacy Impact Assessment (PIA) blijkt dat sekswerkers bij de verwerking van het persoonsgegeven een verhoogd risico lopen op misbruik en discriminatie zoals

-hinder bij het verkrijgen van basisvoorzieningen zoals een ziektekostenverzekering, arbeidsongeschiktheidsverzekering, bankrekening of hypotheek;

-hinder bij het vinden of behouden van een baan;

-problemen in de sociale kring;

-vergrote kans op chantage, misbruik, stalking, vormen van agressie en persoonlijk geweld;

-justitiële problemen voor prostituees uit landen waar prostitutie strafbaar is;

-niet willen werken in het witte circuit door wantrouwen tegen administratieverplichtingen waardoor prostituees uit het zicht blijven van hulpverleners, toezichthouders en handhavers.

De derde partij PROUD heeft het bestaan van deze risico’s voor sekswerkers bevestigd en gesteld dat het stigma op sekswerk losstaat van de legaliteit.

De rechtbank concludeert dat het gegeven dat iemand sekswerker is, naar zijn aard kwalificeert als een gegeven betreffende iemands seksuele leven omdat hiermee per definitie inzicht wordt gegeven in het seksuele leven van die persoon, namelijk dat die persoon tegen betaling seksuele diensten aanbiedt aan anderen. Sekswerkers lopen bij de verwerking van dit persoonsgegeven een verhoogde kans op misbruik en discriminatie. Alleen al het kenbaar worden van het gegeven dat iemand sekswerker is, kan leiden tot onomkeerbare en langdurige schade voor zowel de betrokkene als zijn directe sociale omgeving, hetgeen wordt verstrekt door het maatschappelijk stigma dat rust op het beroep van sekswerker. De maatschappelijke risico’s bij de verwerking van hun persoonsgegevens in een register of administratie van de overheid zijn onverminderd groot. Hieruit kan worden geconcludeerd dat sprake is van een bijzonder persoonsgegeven.

Eiser heeft betoogd dat het beroepsmatig uitoefenen van sekswerk niet kan worden beschouwd als een bijzonder persoonsgegeven omdat het seksuele leven het persoonlijke seksleven of de persoonlijke seksuele geaardheid betreft en los staat van de beroepsuitoefening van de sekswerker. Ter onderbouwing van dit betoog heeft eiser verwezen naar het standpunt van de minister tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel Regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche (hierna: Wrp). (Kamerstukken II, 2010/2011, 32 211, nr. 33, p. 4).

Dit betoog faalt reeds omdat het standpunt van de minister inmiddels achterhaald is. In maart 2015 is de registratieplicht van sekswerkers bij novelle uit de Wrp geschrapt, wegens onder meer de twijfels aan de juridische houdbaarheid.

Het betoog van eiser dat uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 januari 2007, ECLI:NL:RVS:2007:AZ6851) en van het Hof Amsterdam van 26 april 2011 (ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ5231) zou blijken dat van bijzondere persoonsgegevens geen sprake is slaagt niet. Noch de Afdeling noch het Hof heeft zich in deze uitspraken expliciet uitgelaten over de vraag of sprake is van de verwerking van een bijzonder persoonsgegeven. De uitspraak van rechtbank Amsterdam van 1 augustus 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:5516) biedt evenmin steun voor eisers opvatting.

Het betoog van eiser dat een vergelijking met het hiervoor genoemde arrest Khelili tegen Zwitserland niet opgaat omdat Khelili geen sekswerker was en de informatie in de systemen ook na herhaald verzoek niet was verwijderd, faalt nu deze constateringen niet afdoen aan de algemeen geformuleerde overweging van het Hof over de negatieve invloed van de registratie als prostituee op het dagelijks leven.

De rechtbank overweegt dat bij de verwerking van persoonsgegevens van sekswerkers sprake is van bijzondere persoonsgegevens. Gelet hierop geldt het verbod van artikel 16 Wbp tot verwerking van deze gegevens.

4 Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of sprake is van één van de uitzonderingssituaties als omschreven in artikel 23, eerste lid, van de Wbp. Als eerste wordt ingegaan op de uitzondering als gevolg van openbaarmaking zoals omschreven in artikel 23, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wbp.

Vooropgesteld wordt dat artikel 23, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wbp een implementatie bevat van artikel 8, tweede lid, van de Privacyrichtlijn 1995. Op grond van de Privacyrichtlijn is het verbod van verwerking van bijzondere persoonsgegevens niet van toepassing wanneer de betrokkene uitdrukkelijk in de verwerking van zijn persoonsgegevens heeft ingestemd. De rechtvaardigingsgrond voor de ontheffing ligt besloten in het handelen of gedrag van de betrokkene zelf. Uit de wetsgeschiedenis van de Wbp blijkt dat uit het gedrag van de betrokkene uitdrukkelijk moet blijken van de intentie om openbaar te maken; ermoet sprake zijn van een spontane gedraging van de betrokkene waar niet door enig ander persoon met het oog op een eventuele gegevensverwerking om is gevraagd (Kamerstukken II, 1997/98, 25 892, p. 123).

De rechtbank overweegt, in navolging van verweerster en de derde partij PROUD, dat in algemene zin niet kan worden aangenomen dat sekswerkers reeds door het uitoefenen van hun beroep uitdrukkelijk hun identiteit en beroep aan een ieder openbaar willen maken. Dit wordt bevestigd door het feit dat het onder sekswerkers gebruikelijk is niet onder eigen naam te werken maar gebruik te maken van aliassen. De rechtbank verwijst verder naar de eerder genoemde uitspraak van rechtbank Amsterdam van 1 augustus 2017 waarin is geoordeeld dat sekswerkers die hun vak in het openbaar uitoefenen omdat zij achter de ramen staan aan een openbare weg, hiermee nog niet hun identiteit kenbaar maken. Deze redenering geldt evenzeer voor andere vormen van sekswerk. Tenslotte acht de rechtbank van belang dat de derde partij PROUD onweersproken heeft gesteld dat sekswerkers er alles aan doen om hun persoonlijke gegevens te beschermen vanwege het stigma dat op hun werk ligt.

Het betoog van eiser dat de sekswerker zelf het gegeven omtrent het seksuele leven openbaart door, bijvoorbeeld, het aangaan van een huurovereenkomst met de exploitant, slaagt niet. De omstandigheid dat sekswerkers bij ondertekening van overeenkomsten met exploitanten verplicht zijn hun eigen naam te gebruiken, betekent niet dat zij daarmee hun persoonsgegevens uitdrukkelijk openbaar hebben willen maken. De derde partij PROUD heeft er in dit verband terecht op gewezen dat de exploitant deze gegevens geheimhoudt. Het betoog dat de sekswerker in een omgeving opereert waarin geen twijfel kan bestaan over de aard van de aangeboden werkzaamheden en in verband met de verwerving van klanten de bedoeling heeft om aan zowel de exploitant als aan derden (potentiële klanten) kenbaar te maken welke werkzaamheden hij of zij verricht, slaagt evenmin aangezien hieruit niet de uitdrukkelijke intentie tot openbaarmaking van de persoonsgegevens kan worden afgeleid.

De rechtbank overweegt dat verweerster terecht geen aanleiding heeft gezien voor de conclusie dat de uitzonderingssituatie van artikel 23, eerste lid, aanhef en onder b, Wbp zich voordoet.

5 Vervolgens gaat de rechtbank in op de uitzonderingsbepaling van artikel 23, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wbp waarin is bepaald dat het verbod om persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16, te verwerken niet van toepassing is voor zover dit noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang, passende waarborgen worden geboden ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer en dit bij wet wordt bepaald dan wel het College ontheffing heeft verleend.

5.1

In geschil is ten eerste of de Gemeentewet een toereikende wettelijke grondslag biedt als bedoeld in artikel 23, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wbp, op grond waarvan het verbod van gegevensverwerking kan worden doorbroken.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de zinsnede in artikel 23 “bij wet bepaald” met zich meebrengt dat de verwerking van een gevoelig gegeven alleen mogelijk is indien daarin bij formele wet is voorzien en dat dit betekent dat een zodanige verwerking in de Wbp of in een wet in formele zin uitdrukkelijk moet zijn geregeld. Die situatie doet zich niet voor. Anders dan eiser betoogt, biedt een wettelijke bepaling waarin een algemene bevoegdheid aan een bestuursorgaan is toegekend, onvoldoende basis voor een doorbreking van het verbod om bijzondere persoonsgegevens te verwerken. De bepalingen van de Gemeentewet waar eiser naar verwijst (artikelen 149, 151a en 174) vormen de grondslag voor het maken van verordeningen zoals de aan de gemeenteraad toegekende bevoegdheid om een verordening vast te stellen waarin voorschriften worden opgenomen met betrekking tot prostitutie, en voor het uitoefenen van de toezichthoudende taak van de gemeente. Hiermee is niet voldaan aan het criterium van een uitdrukkelijke wettelijke grondslag voor het verwerken van de betreffende bijzondere persoonsgegevens.

De rechtbank overweegt dat verweerster terecht heeft geoordeeld dat er voor de gegevensverwerking van sekswerkers geen grondslag bestaat in een bijzondere wet in formele zin zodat voor een doorbreking van het verbod om deze reden geen aanleiding bestaat.

5.2

Bij de toepassing van de ontheffingsmogelijkheid in artikel 23, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wbp hanteert verweerster als vaste gedragslijn dat alleen een -structurele- ontheffing wordt verleend als een wettelijke regeling in zicht is.

De rechtbank stelt voorop dat deze vaste gedragslijn op zichzelf niet onredelijk is te achten. Zoals verweerster heeft gesteld is thans van een concreet wetsvoorstel waarop geanticipeerd zou kunnen worden geen sprake. De landelijke registratieplicht die was opgenomen in het wetsvoorstel Wrp is geschrapt en ook overigens is er geen wetgeving op komst die inhoudt dat er een database met gegevens van sekswerkers mag worden aangelegd en bijgehouden. Gelet op het feit dat er geen wettelijke regeling in zicht is heeft verweerster conform haar vaste gedragslijn in redelijkheid kunnen besluiten geen ontheffing te verlenen. Verweerster heeft geen aanleiding hoeven zien daarvan in het onderhavige geval af te wijken.

Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank niet aan toe aan een beoordeling van de vraag of het verlenen van ontheffing noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang en passende waarborgen worden geboden. Hetgeen partijen hierover over en weer hebben betoogd laat de rechtbank dan ook onbesproken.

7 Het beroep dient ongegrond te worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. van Zeben-de Vries, voorzitter, mr. M.M. Meijers en mr. A.G.J. van Ouwerkerk, leden, in aanwezigheid van mr. B.M. van der Meide, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Bijlage

Artikel 8 van de Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (Privacyrichtlijn 1995) luidt als volgt:

Verwerkingen die bijzondere categorieën gegevens betreffen

1. De Lid-Staten verbieden de verwerking van persoonlijke gegevens waaruit de raciale of etnische afkomst, de politieke opvattingen, de godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging, of het lidmaatschap van een vakvereniging blijkt, alsook de verwerking van gegevens die de gezondheid of het seksuele leven betreffen.

2. Lid 1 is niet van toepassing wanneer:

a. a) de betrokkene uitdrukkelijk heeft toegestemd in een dergelijke verwerking, tenzij in de wetgeving van de Lid-Staat is bepaald dat het in lid 1 bedoelde verbod niet door toestemming van de betrokkene ongedaan kan worden gemaakt; of

b) de verwerking noodzakelijk is met het oog op de uitvoering van de verplichtingen en de rechten van de voor de verwerking verantwoordelijke inzake arbeidsrecht, voor zover zulks is toegestaan bij de nationale wetgeving en deze adequate garanties biedt; of

c) de verwerking noodzakelijk is ter verdediging van de vitale belangen van de betrokkene of van een andere persoon indien deze lichamelijk of juridisch niet in staat is van zijn instemming te getuigen; of

d) de verwerking wordt verricht door een stichting, een vereniging, of enige andere instantie zonder winstoogmerk die op politiek, levensbeschouwelijk, godsdienstig of vakbondsgebied werkzaam is, in het kader van hun gerechtvaardigde activiteiten en met de nodige garanties, mits de verwerking uitsluitend betrekking heeft op de leden van de stichting, de vereniging of de instantie of op de personen die in verband met haar streefdoelen regelmatige contacten met haar onderhouden, en de gegevens niet zonder de toestemming van de betrokkenen aan derden worden doorgegeven; of

e) de verwerking betrekking heeft op gegevens die duidelijk door de betrokkene openbaar zijn gemaakt of noodzakelijk is voor de vaststelling, de uitoefening of de verdediging van een recht in rechte.

3. Lid 1 is niet van toepassing wanneer de verwerking van de gegevens noodzakelijk is voor de doeleinden van preventieve geneeskunde of medische diagnose, het verstrekken van zorg of behandelingen of het beheer van gezondheidsdiensten en wanneer die gegevens worden verwerkt door een gezondheidswerker die onderworpen is aan het in de nationale wetgeving, of in de door nationale bevoegde instanties vastgestelde regelgeving, vastgelegde beroepsgeheim of door een andere persoon voor wie een gelijkwaardige geheimhoudingsplicht geldt.

4. Mits passende waarborgen worden geboden, mogen de Lid-Staten om redenen van zwaarwegend algemeen belang bij nationale wet of bij een besluit van de toezichthoudende autoriteit nog andere afwijkingen naast die bedoeld in lid 2 vaststellen.

5. Verwerkingen van gegevens inzake overtredingen, strafrechtelijke veroordelingen of veiligheidsmaatregelen mogen alleen worden verricht onder toezicht van de overheid of indien de nationale wetgeving voorziet in passende specifieke waarborgen, behoudens afwijkingen die een Lid-Staat kan toestaan uit hoofde van nationale bepalingen welke passende en specifieke waarborgen bieden. Een volledig register van strafrechtelijke veroordelingen mag alleen worden bijgehouden onder toezicht van de verheid.

De Lid-Staten kunnen voorschrijven dat ook verwerkingen van gegevens inzake administratieve sancties of burgerrechtelijke beslissingen onder toezicht van de overheid kunnen worden verricht.

6. De in de leden 4 en 5 bedoelde afwijkingen van lid 1 worden ter kennis van de Commissie gebracht.

7. De Lid-Staten stellen de voorwaarden vast waaronder een nationaal identificatienummer of enig ander identificatiemiddel van algemene aard voor verwerkingsdoeleinden mag worden gebruikt.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder d, van de Wbp wordt onder verantwoordelijke verstaan de natuurlijke persoon, rechtspersoon of ieder ander die of het bestuursorgaan dat, alleen of tezamen met anderen, het doel van en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt.

Ingevolge artikel 6 van de Wbp worden persoonsgegevens in overeenstemming met de wet en op behoorlijke en zorgvuldige wijze verwerkt.

Ingevolge artikel 7 van de Wbp worden persoonsgegevens voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden verzameld.

Ingevolge artikel 8, aanhef en onder e, van de Wbp mogen persoonsgegevens slechts worden verwerkt indien de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak door het desbetreffende bestuursorgaan dan wel het bestuursorgaan waaraan de gegevens worden verstrekt.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, Wbp worden persoonsgegevens slechts verwerkt voor zover zij, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verzameld of vervolgens worden verwerkt, toereikend, ter zake dienend en niet bovenmatig zijn.

Ingevolge artikel 16 van de Wbp, voor zover thans van belang, is de verwerking van persoonsgegevens betreffende iemands seksuele leven verboden behoudens het bepaalde in paragraaf 2 van Hoofdstuk 2 van de Wbp.

Ingevolge artikel 23, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wbp is, onverminderd de artikelen 17 tot en met 22, het verbod om persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16 te verwerken niet van toepassing voor zover de gegevens door de betrokkene duidelijk openbaar zijn gemaakt.

Ingevolge artikel 23, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wbp is, onverminderd de artikelen 17 tot en met 22, het verbod om persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16 te verwerken niet van toepassing voor zover dit noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang, passende waarborgen worden geboden ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer en dit bij wet wordt bepaald dan wel het College ontheffing heeft verleend. Het College kan bij de verlening van ontheffing beperkingen en voorschriften opleggen.