Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:2657

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-03-2018
Datum publicatie
06-04-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 6107
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onvoorwaardelijk strafontslag politieambtenaar wegens ernstig plichtsverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/6107

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 maart 2018 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. M.P.K. Ruperti),

en

de korpschef van Politie, verweerder

(gemachtigde: mr. G. Revet).

Procesverloop

Bij besluit van 4 oktober 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser onvoorwaardelijk strafontslag verleend wegens ernstig plichtsverzuim.

Bij besluit van 14 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben de rechtbank toestemming verleend zonder onderzoek ter zitting uitspraak te doen.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is met ingang van [datum] 2007 aangesteld als politieambtenaar en was laatstelijk werkzaam als [functie] ([functie]) in de rang van hoofdagent. Bij het primaire besluit heeft verweerder eiser op basis van de feiten uit het rapport van het Team Intern Onderzoek van 15 augustus 2016 en het advies inzake disciplinaire procedure van het Team Arbeidszaken van 18 augustus 2016, de disciplinaire straf van ontslag opgelegd.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het strafontslag gehandhaafd. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser plichtsverzuim heeft gepleegd door

a. meerdere malen en in strijd met zijn ambtsbelofte en de Wet politiegegevens (Wpg) politiegegevens over de locaties van hennepkwekerijen te verstrekken;

b. in strijd met zijn ambtsbelofte en de Wpg informatie te verstekken aan derden over een persoon;

c. onderdeel uit te maken van een groep mensen die in een georganiseerd verband hennepkwekerijen ripten;

d. tegen betaling in geld en/of in goederen aan hem dan wel aan derden, de hiervoor onder a, b en c genoemde gedragingen te hebben uitgevoerd;

e. diverse misdrijven, waaronder een schietpartij [plaats], waarvan hij kennis droeg niet te melden aan zijn leidinggevende.

Standpunten van partijen

3. Eiser voert in beroep aan dat bij de strafkamer van de rechtbank Den Haag een strafrechtelijke procedure tegen eiser omtrent het lekken van gevoelige politie-informatie wordt gevoerd. Om vast te stellen of er daadwerkelijk sprake is van ernstig plichtsverzuim moet eerst de uitkomst van de strafrechtelijke procedure worden afgewacht. Immers, de rechtbank doet nauwkeurig onderzoek op basis van het strafdossier. Deze onafhankelijke bevindingen dienen te prevaleren boven het eigen intern onderzoek van verweerder.

Nu verweerder een beslissing heeft genomen op gronden die nog niet overtuigend en onherroepelijk zijn komen vast te staan heeft verweerder het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden en heeft hij een onevenredige belangenafweging gemaakt.

4. In het verweerschrift stelt verweerder dat volgens vaste rechtspraak het bestuursorgaan een eigen verantwoordelijkheid heeft om in het kader van een disciplinair onderzoek zelfstandig de feiten te onderzoeken die tot het treffen van een disciplinaire maatregel aanleiding kunnen geven. Daarbij kan onder omstandigheden gebruik worden gemaakt van uit een strafrechtelijk onderzoek naar voren komende gegevens, maar van een verplichting om af te wachten tot een strafrechtelijke uitspraak is gedaan of onherroepelijk is geworden is geen sprake.

Verweerder heeft op grond van de vastgestelde gegevens de overtuiging verkregen dat eiser het hem verweten plichtsverzuim heeft begaan.

Voor het overige wijst verweerder erop dat eiser inmiddels bij uitspraak van 24 oktober 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:12018) door de meervoudige strafkamer is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier jaar waarbij tevens is bepaald dat het eiser verboden is om enig publiek ambt uit te oefenen voor de duur van negen jaar.

Oordeel van de rechtbank

5.1.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 augustus 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR5553) behoort een disciplinair ontslag wegens plichtsverzuim te berusten op een eigenstandige feitenvaststelling door de werkgever. Op die feitenvaststelling zijn niet de in het strafrecht geldende, zeer strikte bewijsregels van toepassing. Wel geldt dat op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging moet zijn verkregen dat de ambtenaar zich aan de hem verweten gedraging heeft schuldig gemaakt. Daarbij kan onder omstandigheden gebruik worden gemaakt van uit strafrechtelijk onderzoek naar voren komende gegevens.

Verweerder heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat hij om tot het oordeel te komen dat eiser plichtsverzuim heeft gepleegd niet gehouden is de uitkomst van een strafrechtelijke procedure af te wachten.

5.2.

Eiser heeft de door verweerder vastgestelde feiten voor het overige niet weersproken. Op basis van deze deugdelijk vastgestelde feiten heeft ook de rechtbank de overtuiging verkregen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan het hem verweten plichtsverzuim.

5.3.

De rechtbank is van oordeel dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag, gezien de aard en de ernst van de aan eiser verweten gedragingen niet onevenredig is.

5.4.

Het beroep is ongegrond

5.5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Dutrieux, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Leijten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.