Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:2593

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-03-2018
Datum publicatie
29-03-2018
Zaaknummer
NL18.2882
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herhaald asielverzoek, homoseksualiteit, Irak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.2882


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. E.R. Hagenaars),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S.O. Naarendorp).


Procesverloop
Bij besluit van 9 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting is geopend op 1 maart 2018. Omdat de gemachtigde van eiser was verhinderd, is het onderzoek ter zitting vervolgens geschorst. De behandeling van het onderzoek ter zitting is voortgezet op 5 maart 2018. Eiser is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Iraakse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] 1991. Eiser heeft eerder, 28 september 2015, een asielaanvraag ingediend in Nederland. In deze procedure is met de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 16 augustus 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:4299, en de bevestiging daarvan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) bij uitspraak van 3 oktober 2017 (nummer [nummer]), in rechte komen vast te staan dat de door eiser gestelde homoseksuele gerichtheid, en de daaruit voortgekomen problemen, niet geloofwaardig zijn.

2. Eiser heeft aan deze herhaalde asielaanvraag wederom zijn homoseksuele gerichtheid ten grondslag gelegd. Eiser heeft als nieuwe feiten naar voren gebracht dat hij nu beschikt over verklaringen van vrienden en foto’s die zijn homoseksuele gerichtheid onderbouwen. Eiser heeft bij de aanvraag de volgende stukken overgelegd:

- een verklaring van [persoon 1];

- een verklaring van [persoon 2];

- een verklaring van [persoon 3];

- een verklaring van [persoon 4];

- een verklaring van [persoon 5]; en

- foto’s van eiser en zijn vrienden.

3. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser geen nieuwe elementen of bevindingen naar voren heeft gebracht die relevant zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Weliswaar kunnen de door eiser overgelegde verklaringen en foto’s dienen als ondersteuning van zijn gestelde seksuele gerichtheid, maar dit laat onverlet dat eiser (ook) zelf aan de hand van zijn verklaringen zijn seksuele gerichtheid aannemelijk moet maken. Hierin is eiser volgens verweerder nog steeds niet geslaagd.

4. Eiser voert in beroep aan dat verweerder door toepassing te geven aan zijn Werkinstructie 2015/9 geen zorgvuldig onderzoek heeft verricht naar zijn seksuele gerichtheid en een onjuiste beoordelingswijze heeft toegepast. Eiser wijst in dit kader op de in de Tweede Kamer aangenomen motie nr. 34775-VI-67 van 30 november 2017, waarin de regering wordt verzocht te onderzoeken of de beoordeling van de geloofwaardigheid van bekeerlingen en de seksuele gerichtheid van asielzoekers kan worden verbeterd en hiertoe met voorstellen te komen. Eiser stelt dat uit deze motie blijkt dat in ieder geval de vier regeringspartijen zich unaniem op het standpunt stellen dat de huidige werkwijze bij de beoordeling van zaken van asielzoekers die stellen homoseksueel te zijn, zonder meer als onzorgvuldig aangemerkt dient te worden. Volgens eiser kan verweerder, gelet op het feit dat hij in zijn brief van 9 januari 2018 aan de Tweede Kamer (kenmerk [kenmerk]) heeft medegedeeld nader onderzoek te zullen (laten) doen naar de Werkinstructie 2015/9, niet zonder meer ervan uitgaan dat de in de Werkinstructie gehanteerde beoordelingswijze juist is. Voorts blijkt volgens eiser uit het artikel ‘Sexual Orientation and the Refugee Determination Process: Questioning a Claimant About Their Membership in the Particular Social Group’ van N. LaViolette, dat bij de totstandkoming van de Werkinstructie 2015/9 is betrokken, dat zij zich op het standpunt stelt dat het de nadruk leggen op een proces van bewustwording en zelfacceptatie slechts mag geschieden wanneer van de zijde van de overheid ernstige twijfels bestaan aan het waarheidsgehalte van het relaas van een gestelde homoseksuele asielzoeker. Dat de asielzoeker een innerlijk proces van bewustwording en zelfacceptatie moet hebben doorgemaakt als hij afkomstig is uit een land waar een taboe rust op homoseksualiteit of homoseksualiteit verboden is, is slechts een vermoeden dat niet wetenschappelijk is onderbouwd.

5. Verweerder heeft ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat de door eiser overgelegde verklaringen en foto’s niet kunnen worden aangemerkt als nieuwe elementen en bevindingen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Daarbij heeft verweerder terecht overwogen dat de overgelegde stukken weliswaar kunnen dienen ter ondersteuning van de door eiser gestelde homoseksuele geaardheid, maar dat dit onverlet laat dat eiser (ook) zelf tegenover verweerder aan de hand van zijn verklaringen zijn seksuele gerichtheid aannemelijk moet maken (zie ook de uitspraak van de Afdeling van 1 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2376). Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser daarin niet is geslaagd nu eiser ook in deze herhaalde procedure vaag, summier en niet overtuigend heeft verklaard over zijn innerlijke proces van zelfacceptatie en bewustwording.

5.2.

Ten aanzien van de stelling van eiser in beroep dat verweerder bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van iemands seksuele gerichtheid een onjuiste toets hanteert, overweegt de rechtbank als volgt. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in haar uitspraak van 15 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1630) heeft verweerder in de Werkinstructie 2015/9 de systematiek aan de hand waarvan hij de geloofwaardigheid van iemands seksuele gerichtheid beoordeelt, voldoende inzichtelijk gemaakt. De Afdeling heeft in die uitspraak verder geconcludeerd dat de wijze van beoordeling aan de hand van de Werkinstructie in beginsel juist is. Zoals de Afdeling heeft overwogen in die uitspraak hecht verweerder in de regel terecht veel waarde aan de verklaringen van een vreemdeling over zijn eigen ervaringen. Elke vreemdeling die een seksuele gerichtheid als asielmotief aanvoert, zal zich op enig moment van die gerichtheid bewust zijn geworden en zich gerealiseerd hebben dat zijn gerichtheid in zijn omgeving of land van herkomst niet algemeen geaccepteerd wordt of zelfs strafbaar is gesteld. Hij moet daarom kunnen verklaren over het moment waarop of de periode waarin hij zich bewust is geworden van zijn seksuele gerichtheid, wat deze seksuele gerichtheid voor hem heeft betekend en welke invloed dit heeft gehad voor de manier waarop hij uiting heeft gegeven aan zijn seksuele gerichtheid. Dit alles bezien tegen de achtergrond van zijn land van herkomst en de omgeving waaruit hij afkomstig is. Daarbij verwacht verweerder niet dat in alle gevallen een vreemdeling een uitgebreid bewustwordingsproces heeft doorlopen of een innerlijke worsteling heeft doorgemaakt, omdat dit te zeer zou uitgaan van stereotiepe opvattingen over een seksuele gerichtheid of een bepaald land. In deze uitspraak heeft de Afdeling tevens het door eiseres aangehaalde artikel van N. LaViolette betrokken. De rechtbank ziet geen grond om thans tot een ander oordeel te komen dan de Afdeling destijds heeft gedaan. De omstandigheid dat de Tweede Kamer een motie heeft aangenomen die oproept te onderzoeken of de beoordeling van de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid van asielzoekers kan worden verbeterd en verweerder naar aanleiding daarvan bereid is om dat te (laten) onderzoeken, biedt evenmin grond voor het oordeel dat de onderzoeksmethode zoals neergelegd in Werkinstructie 2015/9 thans zonder meer onzorgvuldig is of de wijze van beoordeling onjuist. Het aangekondigde onderzoek moet immers nog plaatsvinden. Daarbij komt dat het te verrichten onderzoek blijkens de brief van verweerder aan de Tweede Kamer van 9 januari 2018 niet zozeer is gericht op de vraag of de onderzoeksmethodiek en beoordelingswijze van Werkinstructie 2015/9 al dan niet juist zijn, maar op de vraag of daarin verbeteringen mogelijk zijn. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.

6. Gelet op het vorenstaande heeft eiser terecht geconcludeerd dat eiser niet in aanmerking komt voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

7. De aanvraag is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Soffers, rechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Gunster, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.