Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:2565

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-03-2018
Datum publicatie
06-03-2018
Zaaknummer
AWB 17/9200
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aangevraagd onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’. Eiseres wordt niet vrijgesteld van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule. In de uitspraak van 19 juli 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:17209) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, geoordeeld dat verweerder zich bij de afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door eiseres aangevoerde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, geen bijzondere omstandigheid opleveren op grond waarvan toepassing van het mvv-vereiste zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Het beroep is gegrond verklaard. Verweerder heeft een nieuw besluit op bezwaar genomen en het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Het betoog van eiseres dat verweerder wederom heeft nagelaten de genoemde omstandigheden in onderlinge samenhang te beoordelen, volgt de rechtbank niet. Anders dan in het vernietigde besluit van 11 februari 2016, heeft verweerder in het bestreden besluit niet gesteld dat reeds vanwege het ontbreken van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM en reeds vanwege het ontbreken van een geldig paspoort geen toepassing wordt gegeven aan de hardheidsclausule. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de omstandigheden dat eiseres vijftien jaar in Nederland woont, de taal goed machtig is, zich inzet voor de Nederlandse samenleving, een studie aan de universiteit is begonnen en niet beschikt over een geldig paspoort, niet maken dat het tegenwerpen van het mvv-vereiste onredelijk hard is. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/9200

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedatum] ,

v-nummer [v-nummer] ,

van Kazachse nationaliteit,

eiseres,

(gemachtigde: mr. A.C. Pool),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Het procesverloop

Op 6 mei 2015 heeft eiseres een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aangevraagd onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’. Bij besluit van 6 mei 2015 (hierna: het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen.

Daartegen heeft eiseres op 6 mei 2015 bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft het bezwaar van 6 mei 2015 bij besluit van 11 februari 2016 ongegrond verklaard. Het hiertegen ingestelde beroep van 9 maart 2016 is door deze rechtbank en zittingsplaats op 19 juli 2016 gegrond verklaard (AWB 16/4637). De rechtbank heeft het besluit van 11 februari 2016 vernietigd en heeft verweerder opgedragen om opnieuw op het bezwaar te beslissen.

Op 24 januari 2017 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

Bij besluit van 30 maart 2017 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar wederom ongegrond verklaard.

Op 26 april 2017 heeft eiseres beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 24 januari 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. E. ter Riet.

De beoordeling

Verzoek om vrijstelling griffierecht

1. Eiseres heeft een beroep gedaan op betalingsonmacht ten aanzien van de verplichting tot het betalen van griffierecht. Eiseres heeft daartoe op 2 mei 2017 een verklaring omtrent inkomen en vermogen overgelegd. Gelet op deze verklaring is de rechtbank van oordeel dat het beroep op betalingsonmacht dient te worden gehonoreerd, zodat eiseres vrijgesteld is van de verplichting tot het betalen van griffierecht.

Beoordeling van het beroep

2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen en heeft deze afwijzing in bezwaar bij besluit van 30 maart 2017 gehandhaafd. Daaraan heeft verweerder het volgende, kort samengevat, ten grondslag gelegd. Eiseres beschikt niet over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv). De weigering om aan eiseres verblijf toe te staan levert geen schending op van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Ten aanzien van het beroep op artikel 3.71, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000; de hardheidsclausule) heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat hetgeen eiseres in dit verband heeft aangevoerd, onvoldoende is voor vrijstelling van het mvv-vereiste.

Het bezwaar tegen het besluit van 6 mei 2015 is gegrond verklaard voor wat betreft het onthouden van de vertrektermijn en het opleggen van een inreisverbod.

3. Eiseres is het niet eens met de weigering haar een verblijfsvergunning te verlenen. Op hetgeen zij heeft aangevoerd zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.

4. Verweerder heeft tegen de uitspraak van 19 juli 2016 geen hoger beroep ingesteld. Om die reden heeft deze jegens partijen gezag van gewijsde gekregen. Daarom hanteert de rechtbank de in die uitspraak uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven rechtsoordelen als uitgangspunten bij de toetsing van het bestreden besluit. In zoverre verwijst de rechtbank naar de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) op dit punt, zoals verwoord in de uitspraken van onder meer 6 augustus 2003 (ECLI:NL:RVS:2003:AI0801) en 8 mei 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1760). Uit de uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2007 (ECLI:NL:RVS:2007:BA7794) volgt dat slechts nieuw gebleken feiten of omstandigheden een hernieuwde beoordeling van een eerder verworpen beroepsgrond kunnen rechtvaardigen.

Beroep op het gelijkheidsbeginsel

5. Eiseres heeft in de beroepsgronden betoogd dat zij een geslaagd beroep kan doen op het gelijkheidsbeginsel, in die zin dat aan haar zus [zus] eerder wel een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is verleend onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’. Deze gronden zullen echter in dit beroep buiten beoordeling blijven, nu deze rechtbank en zittingsplaats hierover reeds een oordeel heeft gegeven in haar uitspraak van 19 juli 2016. Hiervoor verwijst de rechtbank naar rechtsoverweging 9 van die uitspraak. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden die een hernieuwde beoordeling van deze beroepsgronden rechtvaardigen.

Vrijstelling van het mvv-vereiste vanwege strijd met artikel 8 van het EVRM?

6. De door eiseres naar voren gebrachte beroepsgronden ten aanzien van het familie- of gezinsleven tussen eiseres en haar zus [zus] zullen in dit beroep eveneens buiten beoordeling blijven, nu deze rechtbank en zittingsplaats hierover reeds een oordeel heeft gegeven in haar uitspraak van 19 juli 2016. De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 8 van die uitspraak. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden die een hernieuwde beoordeling van deze beroepsgronden rechtvaardigen.

7. Eiseres heeft betoogd dat sprake is van familie- of gezinsleven in het kader van artikel 8 van het EVRM tussen haar en haar Griekse partner [partner] (hierna: [partner] ). Tijdens de hoorzitting op 24 januari 2017 heeft zij onder meer naar voren gebracht dat zij zeven jaar een relatie onderhouden, maar niet samenwonen omdat eiseres wenst samen te wonen nadat zij zijn getrouwd. Eiseres kan echter niet trouwen, omdat zij niet beschikt over identificerende documenten. Eiseres heeft in beroep nog een schriftelijke verklaring van zichzelf en een schriftelijke verklaring van een oud-verhuurder van [partner] overgelegd ter onderbouwing van haar relatie met [partner] . Ter zitting heeft [vriendin] , een vriendin van eiseres, nog (samengevat) verklaard dat eiseres en [partner] een relatie hebben.

7.1

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het voorgaande onvoldoende is om de gestelde relatie met [partner] geloofwaardig te achten. Zo heeft eiseres vrij weinig verklaard over de gestelde relatie en heeft zij onvoldoende stukken overgelegd ter onderbouwing van de gestelde relatie. Verweerder heeft meer van eiseres mogen verwachten. Zoals verweerder ter zitting naar voren heeft gebracht, acht verweerder van belang dat hij [partner] nooit heeft gezien, bijvoorbeeld bij de hoorzitting van 24 januari 2017, dat er nimmer een (schriftelijke) verklaring van [partner] is ingebracht en dat er geen bonnetjes of foto’s zijn overgelegd, ter onderbouwing van de gestelde relatie.

7.2

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van familie- of gezinsleven met [partner] . Verweerders stelling ter zitting dat hetgeen door [vriendin] naar voren is gebracht in strijd is met de goede procesorde, behoeft om die reden geen bespreking.

8. Eiseres heeft ter zitting voorts betoogd dat verweerders beoordeling van het beschermingswaardig privéleven van eiseres onvolledig is geweest, omdat verweerder niet alle relevante aspecten in dit kader heeft meegenomen.

8.1

Naar het oordeel van de rechtbank slaagt dit betoog niet. Hiertoe is het volgende redengevend. Verweerder heeft in het bestreden besluit, anders dan in het primaire besluit, aangenomen dat eiseres privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM heeft opgebouwd in Nederland. Hiertoe heeft verweerder overwogen dat de banden die eiseres met haar land van herkomst heeft niet als volledig verbroken wordt beschouwd, omdat zij daar 14 jaar heeft gewoond. Voorts is eiseres meerderjarig waardoor verweerder verwacht dat eiseres zich zelfstandig kan handhaven. Verder zijn er geen medische aspecten die aan terugkeer naar Kazachstan in de weg staan. Ook heeft verweerder overwogen dat eiseres in Nederland contact heeft met haar zus, zwager en haar nichtjes, maar dat deze contacten inherent zijn aan een langdurig verblijf, waardoor zij geen uitzonderlijke omstandigheden vormen die de gebruikelijke banden met Nederland overstijgen. Verweerder merkt hierbij op dat eiseres deze contacten kan blijven onderhouden door middel van moderne communicatiemiddelen. Hiermee heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldoende laten zien welke aspecten hij van belang heeft geacht bij de beoordeling en heeft zich vervolgens deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat van beschermingswaardig privéleven geen sprake is.

9. Samenvattend is de rechtbank van oordeel dat het betoog van eiseres dat zij dient te worden vrijgesteld van het mvv-vereiste wegens strijd met artikel 8 van het EVRM, niet slaagt.

Hardheidsclausule

10. Ten aanzien van het beroep van eiseres op toepassing van de hardheidsclausule ingevolge artikel 3.71, derde lid, van het Vb 2000, heeft de rechtbank in haar uitspraak van 19 juli 2016 het volgende geoordeeld:

“10.3 (…)

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich bij de afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door eiseres aangevoerde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, geen bijzondere omstandigheid opleveren op grond waarvan toepassing van het mvv-vereiste zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. In dit verband acht de rechtbank de volgende omstandigheden van belang.

10.3.1

Eiseres heeft verklaard dat zij is geboren in Kazachstan en daar 14 jaar heeft gewoond. Sinds 2001 verblijft eiseres in Nederland. Zij was toen 14 jaar. Eiseres heeft sindsdien samen met haar zus samengeleefd. Eiseres heeft aangevoerd dat zij wordt onderhouden door haar zwager en haar zus, die - zoals ook hun kinderen - in het bezit zijn van een geldige verblijfsvergunning, en bij wie zij sinds 2004 in huis woont. Niet in geschil is dat er een familierechtelijke relatie bestaat tussen eiseres en haar zus, en derhalve ook met de familieleden van haar zus. Evenmin is in geschil dat de (gestelde) moeder en tweelingzus van eiseres uit Nederland zijn vertrokken. Eiseres heeft aangevoerd dat zij in praktische en emotionele zin afhankelijk is van haar zus en haar gezin.

Dat sprake is van opgebouwd privéleven in Nederland, wordt niet betwist. Gebleken is dat eiseres na afronding van een juridische MBO-opleiding, recent haar studie HBO-recht met goed gevolg heeft afgerond. Verder heeft eiseres vrijwilligerswerk verricht bij VluchtelingenWerk Nederland en heeft zij in het kader van haar studie stage gelopen en gewerkt bij het Openbaar Ministerie Arrondissementsparket Arnhem en de rechtbank Gelderland. Dit wijst er naar het oordeel van de rechtbank op dat eiseres zich betrokken voelt bij en zich inzet voor de Nederlandse samenleving. Eiseres is de Nederlandse taal verder zeer goed machtig. Dat het voorgaande inherent is aan een langdurig verblijf in Nederland, zoals verweerder overweegt, volgt de rechtbank uitdrukkelijk niet.

Ten aanzien van het door eiseres aangevoerde op het punt van het familie- en privéleven verwijst verweerder met name naar zijn overwegingen in het kader van artikel 8 van het EVRM en zijn conclusie dat van een schending van dat artikel geen sprake is. Dat van een schending van artikel 8 van het EVRM geen sprake zou zijn, maakt naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat de omstandigheden die zich in dit verband voordoen, zoals deze hiervoor zijn weergegeven, geen rol spelen in het kader van de beoordeling of toepassing gegeven dient te worden aan de hardheidsclausule.

Tevens acht de rechtbank van belang dat eiseres bij de aanvraag van de onderhavige verblijfsvergunning kenbaar heeft gemaakt dat zij een relatie heeft met een Griekse man. Dit element komt in de besluitvorming - ten onrechte - niet aan de orde.

10.3.2

Eiseres is niet in het bezit van nationaliteits- of identiteitsdocumenten. Dat is als zodanig niet in geschil. Terugkeer naar Kazachstan zal, zoals verweerder ter zitting heeft bevestigd, op dit moment daarom niet mogelijk zijn. Via de ambassade van Kazachstan en met bemiddeling van de Dienst Terugkeer en Vertrek (hierna: DT&V), heeft eiseres geprobeerd in het bezit te komen van documenten ter vaststelling van haar identiteit en nationaliteit dan wel een laissez passer. Niet wordt betwist dat hiertoe verschillende pogingen zijn ondernomen, zonder dat deze resultaat hebben opgeleverd. Ter verkrijging van een paspoort is eiseres op eigen initiatief in juli 2009 - illegaal - teruggekeerd naar Kazachstan. Ook heeft eiseres in het kader van de vorige procedure contact opgenomen met de Internationale Organisatie voor Migratie. Tijdens een van de gesprekken met de consul van de Kazachstaanse ambassade, waarbij ook de DT&V aanwezig was, werd eiseres te kennen gegeven dat een burger van Kazachstan die langer dan drie jaar buiten dat land verblijf en nooit contact opneemt met de ambassade, zijn burgerschap verliest. Tevens is eiseres te kennen gegeven dat zij niet in de database van Kazachstan is opgenomen en dat het niet mogelijk lijkt om een reisdocument af te geven. Na een suggestie van de consul van de Kazachstaanse ambassade en op advies van de DT&V heeft eiseres ter verkrijging van de Kazachstaanse nationaliteit een brief geschreven aan de president van Kazachstan. Hierop heeft eiseres, ondanks een rappel, nog geen antwoord ontvangen, zo gaf eiseres ter zitting aan. Eiseres wees er hierbij op dat de consul daarbij heeft opgemerkt dat hij niet kon zeggen of er een antwoord zou komen op de brief, en zo ja, hoe lang dit zou gaan duren. Eiseres heeft verder naar voren gebracht dat zij sinds de afwijzing van haar vorige aanvraag, meerdere afspraken met de DT&V heeft gehad en dat dit niet heeft geleid tot nieuwe ontwikkelingen. Aan eiseres is te kennen gegeven dat er geen aanleiding bestaat voor een identiteitsonderzoek.

Voor zover verweerder op dit punt wijst op de omstandigheid dat eiseres niet in het bezit is van een paspoort en zij onvoldoende inspanningen zou hebben verricht om in het bezit te worden gesteld van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘buiten schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken’, wijst de rechtbank erop dat dit niet maakt dat reeds daarom het tegenwerpen van het mvv-vereiste geen onbillijkheid van overwegende aard zou kunnen opleveren. De omstandigheden die in dit verband spelen dient verweerder los van die conclusie in zijn beoordeling omtrent de toepassing van de hardheidsclausule mee te nemen.

10.4

Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden en de belangen van eiseres, die door verweerder niet allemaal kenbaar bij de beoordeling in dit kader zijn betrokken, acht de rechtbank het onvoldoende daadkrachtig gemotiveerd waarom tegenwerping van het mvv-vereiste aan eiseres niet een onbillijkheid van overwegende aard oplevert en voor haar van onevenredige hardheid is.”

11. De rechtbank stelt voorop dat, gelet op de discretionaire bevoegdheid van verweerder om de hardheidsclausule toe te passen, dit een zeer terughoudende toets betreft.

12 Eiseres heeft betoogd dat verweerder nog altijd onvoldoende motiveert waarom er geen sprake is van voldoende bijzondere individuele omstandigheden om eiseres vrij te stellen van het mvv-vereiste. Verweerder heeft nagelaten de genoemde omstandigheden in onderlinge samenhang te beoordelen. Daarnaast heeft verweerder over het ontbreken van een geldig paspoort wederom verwezen naar de buitenschuldprocedure. Hierover heeft de rechtbank in haar uitspraak van 19 juli 2016 juist geoordeeld dat verweerder dit ten onrechte doet. Verweerder heeft volgens eiseres dus niet voldaan aan de uitspraak van

19 juli 2016.

12.1

Naar het oordeel van de rechtbank slaagt dit betoog niet. Anders dan in het vernietigde besluit van 11 februari 2016, heeft verweerder in het bestreden besluit niet gesteld dat reeds vanwege het ontbreken van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM en reeds vanwege het ontbreken van een geldig paspoort geen toepassing wordt gegeven aan de hardheidsclausule.

12.2

Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de omstandigheden dat eiseres vijftien jaar in Nederland woont, de taal goed machtig is, zich inzet voor de Nederlandse samenleving, een studie aan de universiteit is begonnen en niet beschikt over een geldig paspoort, niet maken dat het tegenwerpen van het mvv-vereiste onredelijk hard is. Hiertoe heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat eiseres in die vijftien jaar tijd dat zij bovengenoemde banden met Nederland heeft opgebouwd nimmer rechtmatig verblijf heeft gehad. Eiseres heeft meerdere procedure in Nederland doorlopen die niet hebben geleid tot rechtmatig verblijf. Eiseres heeft er steeds voor gekozen in Nederland te blijven, ondanks meerdere aanzeggingen tot vertrek. De opgebouwde banden met Nederland komen daarom voor eigen rekening en risico van eiseres.

Verweerder heeft daarbij niet ten onrechte betrokken dat eiseres niet beschikt over een geldig paspoort.

Verweerder heeft zich kortom bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door eiseres aangevoerde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, geen bijzondere omstandigheid opleveren op grond waarvan toepassing van het mvv-vereiste zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

13. Gelet op al het voorgaande is het beroep ongegrond. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Raat, rechter, in tegenwoordigheid van mr. T.N.H. Tran, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak in beroep kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).