Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:2497

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-03-2018
Datum publicatie
29-03-2018
Zaaknummer
NL17.7863
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gambiaanse nationaliteit, homoseksueel, ongeloofwaardigheid onvoldoende onderbouwd. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.7863


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 maart 2018 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. A.W. Eikelboom),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. C.A.H. Kroes).


Procesverloop
Bij besluit van 3 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen F.S. Camara. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Gambiaanse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] 1975.

Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij vanwege zijn christelijke geloofsovertuiging en homoseksuele gerichtheid in Gambia gevaar loopt. Ook heeft eiser verklaard dat hij in Gambia de oppositiepartij UDP steunde en af en toe activiteiten voor die partij verrichtte.

2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen: de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser, zijn geloof in het christendom en de intentie zich te bekeren, zijn activiteiten voor UDP, zijn homoseksuele geaardheid en zijn achtervolging door de geheime dienst.

3. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. Ook de omstandigheid dat eiser de UDP steunde wordt geloofwaardig geacht door verweerder. Verweerder heeft echter ongeloofwaardig geacht dat eiser het christelijk geloof aanhangt en dat hij zich wil bekeren, omdat eiser daarover vaag zou hebben verklaard.

Ten aanzien van de door eiser gestelde homoseksuele gerichtheid heeft verweerder zich eveneens op het standpunt gesteld dat deze ongeloofwaardig is. Daarbij heeft verweerder van belang geacht dat eiser zeer wisselende verklaringen heeft afgelegd over het moment waarop hij zich van zijn gerichtheid bewust werd. Ook is eiser niet in staat gebleken om anders dan in vage en oppervlakkige bewoordingen uit te leggen hoe hij in Gambia beoordeelde of een ander ook homoseksueel is. De gestelde relatie met [persoon A] wordt niet aannemelijk geacht, nu eiser de achternaam van [persoon A] niet weet, hetgeen bevreemdend is nu eiser drie jaar een serieuze relatie met hem stelt te hebben gehad. Ook heeft eiser wisselend verklaard over het moment dat hij [persoon A] zou hebben ingelicht over de gevaren die zijn verbonden aan het openlijk uiten van homoseksualiteit in Gambia, nu hij enerzijds heeft verklaard dat hij dit heeft gezegd op de dag dat zij elkaar ontmoetten, en anderzijds dat hij dat heeft gezegd vlak voor zijn vertrek uit Gambia. Verweerder werpt eiser voorts tegen dat hij wisselend heeft verklaard over hoe vaak hij [persoon A] zag, nu hij enerzijds heeft gezegd dat [persoon A] na 2013 uit Gambia is vertrokken en zij daarna geen contact meer hebben gehad, en anderzijds dat [persoon A] tussen 2013 en 2015 elk jaar 2 tot 3 weken langskwam. Voorts merkt verweerder op dat opvalt dat eiser zich in de negen maanden dat hij in Nederland verblijft niet heeft verdiept in mogelijkheden om uiting te geven aan zijn geaardheid, wat wel in de lijn der verwachting zou liggen als iemand vanwege zijn geaardheid zijn land van herkomst ontvlucht. In elk geval mag worden verlangd van eiser dat hij kan toelichten waarom hij dat niet heeft gedaan, aldus verweerder. Dat eiser heeft verklaard dat zijn familie vermoedt dat hij homoseksueel is, is niet te rijmen met de omstandigheid dat eiser tot zijn vertrek uit Gambia bij hen heeft gewoond, aangezien hij tevens heeft verklaard dat zij niets meer met hem te maken zouden willen hebben als zij zouden weten dat hij een homoseksuele gerichtheid heeft.

Ook het feit dat eiser in Gambia vanwege zijn geaardheid werd achtervolgd door de geheime dienst acht verweerder ongeloofwaardig. Eiser heeft enerzijds verklaard dat hij nooit problemen heeft ondervonden van de autoriteiten in Gambia, en anderzijds dat hij door de geheime dienst was achtervolgd. Dat de persoon door wie eiser achtervolgd werd dit desgevraagd aan hem kenbaar heeft gemaakt, acht verweerder bevreemdingwekkend. Ook het feit dat er tien maanden zijn verstreken tussen de achtervolging en het vertrek van eiser uit Gambia doet afbreuk aan zijn verklaringen daaromtrent.

Verweerder concludeert daarom dat de asielaanvraag ongegrond is.

4. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht dat hij gelooft in het christendom en zich wil bekeren. Verweerder heeft niet duidelijk gemaakt waaruit zijn vage verklaringen over het moment van bekering bestaan. Daarnaast is hem ten onrechte tegengeworpen dat hij heeft gezegd dat hij moslim is en gelooft in Mohammed, nu hij slechts heeft gezegd dat hij moslim is omdat hij formeel nog niet gedoopt is, en hij heeft gezegd dat hij groot is gebracht met de profeet Mohammed. Eiser heeft voorts aangevoerd dat verweerder niet heeft onderkend dat hij met zijn verklaring dat hij nog niet bekeerd is, bedoelde dat hij nog niet gedoopt is maar wel reeds het christelijk geloof aanhangt. Verweerder heeft hem dan ook ten onrechte niet aanvullend gehoord over zijn geloofsovertuiging.

Voorts voert hij aan dat verweerder ten onrechte zijn homoseksuele gerichtheid ongeloofwaardig heeft geacht. De door verweerder geconstateerde tegenstrijdigheden zijn volgens eiser veroorzaakt door het feit dat hij niet het niveau heeft om zich beter uit te drukken en dat hij het niet gewend is om over zijn gevoelens te praten. Voorts voert eiser aan dat verweerder zijn relatie met [persoon A] ten onrechte langs de Nederlandse maatstaf van een relatie heeft gelegd. Dat hij de achternaam van [persoon A] niet weet is niet vreemd, nu [persoon A] waarschijnlijk Deens is en een voor eiser vreemde naam heeft. Ook is verweerder ten onrechte er vanuit gegaan dat eiser met [persoon A] een serieuze relatie had in de zin van duurzaam en affectief, nu het een puur seksuele relatie was. Dat eiser zich niet heeft verdiept in LHBT-organisaties is hem eveneens ten onrechte tegengeworpen, nu dat geen criteria is voor het zijn van homoseksueel. Overigens heeft eiser wel seksuele contacten in de buurt van zijn asielzoekerscentrum. Eiser voert daarnaast aan dat hij niet heeft gezegd dat zijn familie niet van zijn gerichtheid afweet. Hij vermoedt dat zij het vermoeden, maar het is nooit uitgesproken.

Ten aanzien van de geheime dienst voert eiser aan dat hij slechts heeft gezegd dat hij voor zijn achtervolging nooit problemen heeft gehad met de geheime dienst, en dat het wel degelijk mogelijk is dat de geheime dienst laat weten hem te achtervolgen teneinde hem te intimideren.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

Verweerder acht de verklaringen van eiser over zijn bewustwording tegenstrijdig. De rechtbank stelt vast dat deze hoofdzakelijk inhouden dat eiser vanaf ongeveer zijn 10e levensjaar verkennend seksueel contact had met jongens en dat hij toen wel wist dat hij jongens leuker vond maar niet wist of dit aan een relatie met een meisje in de weg zou staan. Met het vorderen van de seksuele rijping werd zijn homoseksuele aard in toenemende mate duidelijk. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom eisers verhaal op dit punt tegenstrijdig en ongeloofwaardig is.

Voorts kan de rechtbank eiser volgen in zijn betoog dat verweerder zijn relatie met [persoon A] ten onrechte langs de maatstaf van een Nederlandse relatie heeft gelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende in zijn motivering betrokken dat de relatie tussen eiser en [persoon A] ongelijkwaardig was. Het was voornamelijk een seksuele relatie die slechts bestond als [persoon A] (jaarlijks enige weken) in Gambia was en mede tegen de achtergrond van het sekstoerisme in Gambia moet worden gezien. Eiser was onder de indruk van [persoon A] en blij als hij er was – zo heeft hij ter zitting nader toegelicht. Tijdens het gehoor heeft eiser het een serieuze relatie genoemd omdat [persoon A] steeds met eiser verkeerde als hij Gambia aandeed. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende doorgevraagd op dit onderdeel en het besluit niet deugdelijk gemotiveerd. Ook kan de rechtbank, gezien deze achtergrond, volgen dat eiser [persoon A's] achternaam niet (meer) wist.

De rechtbank volgt verweerder in zijn overweging dat eiser heeft verklaard op twee verschillende momenten [persoon A] te hebben gewezen op de gevaren die kleven aan het openlijk uitkomen voor homoseksualiteit in Gambia. Gelet op de omstandigheden waaronder hij [persoon A] waarschuwde acht de rechtbank verweerders tegenwerping dat dit bevreemdend is, niet steekhoudend. Eiser heeft volgens zijn relaas namelijk bij de eerste keer dat hij en [persoon A] elkaar ontmoetten [persoon A] daarop gewezen en later, in de maand van eisers vertrek, toen eiser zich steeds meer in het nauw gedreven voelde - onder andere door het beleid van de president - en [persoon A] vroeg hem te helpen wegkomen uit Gambia.

Verder is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat eiser zich in Nederland weinig heeft verdiept in LHBT-organisaties en voorzieningen in dit geval niet kan dienen ter onderbouwing van het standpunt dat de seksuele gerichtheid ongeloofwaardig is. Eiser heeft reeds in zijn zienswijze en gronden toegelicht dat hij in een klein [plaats] dorpje woonde waar geen relevante organisaties zijn gevestigd, en dat hij rond het asielzoekerscentrum homoseksuele contacten heeft opgedaan. In het bestreden besluit heeft verweerder niet betwist dat homoseksuele contacten vanuit het asielzoekerscentrum kunnen worden opgedaan. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiser niet voldoende onderbouwd heeft tegengeworpen dat hij in Nederland niet heeft onderzocht hoe hij uiting zou kunnen geven aan zijn gerichtheid.

De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt dat verweerders motivering dat eiser tegenstrijdig en ongeloofwaardig heeft verklaard over de wetenschap die zijn familie heeft van zijn homoseksualiteit, tekortschiet. De essentie van eisers verklaring is dat zijn familieleden het waarschijnlijk vermoeden, maar er is nooit over gesproken. Daarom behandelen zijn familieleden hem niet afwijzend en verstotend.

5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder zijn standpunt dat de door eiser gestelde homoseksualiteit ongeloofwaardig is, gezien hetgeen daartegen in beroep is aangevoerd, onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren wegens een zorgvuldigheidsgebrek en een motiveringsgebrek.

De rechtbank ziet geen aanleiding een bestuurlijke lus toe te passen gelet op de aard van het geschil. Wel overweegt zij met het oog op finale geschillenbeslechting dat inmiddels in Gambia de UDP aan de macht is waardoor de relevante elementen van eisers relaas “geloof in het Christendom en de intentie zich te bekeren” en “activiteiten voor de UDP” wellicht anders beoordeeld moeten worden dan ten tijde van het bestreden besluit.

Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank zal verweerder opdragen binnen zes weken een nieuw besluit op eisers aanvraag te nemen.

6. De rechtbank zal verweerder veroordelen in de proceskosten. Zij stelt deze gezien de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1002 (1 punt voor het beroepschrift; 1 punt voor het verschijnen ter zitting; zaak van gemiddeld gewicht; waarde per punt € 501).

Beslissing


De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen op eisers aanvraag;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten; stelt deze vast op € 1002;


Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van mr. A.H. Ferment, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.