Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:2447

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-03-2018
Datum publicatie
05-03-2018
Zaaknummer
R.17.518
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek tot tussentijdse beëindiging (artikel 350 lid 3 sub f Fw). De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een situatie waarbij na toelating tot de schuldsaneringsregeling is gebleken van een weigeringsgrond.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team Insolventies – enkelvoudige kamer

Vonnis van 5 maart 2018

in de schuldsaneringsregeling van:

[Schuldenaar]
geboren op [geboortedatum] 1959 te [geboortedatum],
wonende te [adres, postcode en woonplaats].


[Schuldenaar] zal hierna worden aangeduid als ‘schuldenaar’.

1 Verloop van de procedure

1.1

Ten aanzien van schuldenaar is bij vonnis van 22 december 2017 de schuldsaneringsregeling uitgesproken, met benoeming van mr. R. Cats tot rechter-commissaris. J. Lagendaal (Equalis Bewindvoering), kantoorhoudende te Zuidland, is benoemd tot bewindvoerder.

1.2

Op 22 januari 2018 heeft de bewindvoerder een verzoek ingediend strekkende tot voortijdige beëindiging van de schuldsaneringsregeling als bedoeld in artikel 350 van de Faillissementswet (Fw).

1.3

De bewindvoerder heeft zijn verzoek gegrond op de volgende feiten en omstandigheden.

“Volgens het kentekenregister is de heer [schuldenaar] sinds 12 april 2016 in het bezit van een [merk A], kenteken [00-xxx-0], bouwjaar 2009. Tijdens het huisbezoek heeft hij verklaard dat hij deze auto voor circa € 7.000,- heeft aangeschaft. Van de totale schuldenlast van circa € 28.000,- is volgens het verzoekschrift Wsnp circa € 8.500,- ontstaan in 2016.

(…) Mijn conclusie is dat de heer [schuldenaar] ruim € 7.500,- heeft besteed aan de aankoop van een auto, terwijl hij op dat moment reeds forse schulden had. Volgens zijn eigen verklaring kon hij vier maanden na de aankoop van deze auto zijn schulden niet meer betalen en heeft hij twee maanden daarna een schuldregeling aangevraagd. In mijn optiek is de heer [schuldenaar] dan ook niet te goeder trouw geweest bij het onbetaald laten van zijn schulden.

Op grond van het bovenstaande verzoek ik de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling van de heer [schuldenaar] op grond van artikel 350, derde lid, onder f Faillissementswet te beëindigen.”

1.4

Vooruitlopend op de mondelinge behandeling als bedoeld in artikel 350 lid 2 Fw heeft de bewindvoerder de rechtbank bij brief van 14 februari 2018 geïnformeerd over de laatste stand van zaken.

1.5

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 19 februari 2018. Bij die gelegenheid zijn verschenen:

- schuldenaar,

- mr. R.P.M. Duijndam, advocaat,
- de bewindvoerder.

1.6

De rechtbank heeft hierna vonnis bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1

Ingevolge artikel 350 lid 3 sub f Fw geschiedt een beëindiging van de schuldsaneringsregeling indien feiten en omstandigheden bekend worden die op het tijdstip van de indiening van het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen overeenkomstig artikel 288 lid 1 en 2 Fw.

2.2

Ter beoordeling staat of hetgeen schuldenaar wordt tegengeworpen gegrond is en zo ja, of dit dient te leiden tot de door de bewindvoerder verzochte beëindiging van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank oordeelt als volgt.

2.3

Op grond van de stukken en het ter terechtzitting verhandelde is de rechtbank gebleken dat schuldenaar in april 2016 een auto-ongeluk heeft gehad, waarbij zijn aangepaste auto ([merk B]) total loss is geraakt. Uit productie 4 en productie 2 van het verweerschrift van mr. R.P.M. Duijndam blijkt respectievelijk dat de autoverzekeringsmaatschappij van schuldenaar een bedrag van € 7.555,05 (na aftrek van het eigen risico) heeft vergoed én rechtstreeks heeft overgemaakt aan ‘Autobedrijf [X]’ ten behoeve van de aanschaf van een nieuwe aangepaste auto ([merk A]) met een aanschafwaarde van € 7.570,25. Ter terechtzitting is aannemelijk geworden dat schuldenaar vanwege zijn medische situatie is aangewezen op een aangepaste auto en dat hij zich zonder aangepaste auto in het geheel niet kan verplaatsen en aan huis gekluisterd is. Voorts is aannemelijk geworden dat schuldenaar geen (veel) goedkopere auto heeft kunnen aanschaffen, omdat autogarages slechts aanpassingen verrichten bij auto’s met een bepaalde minimale dagwaarde. De rechtbank oordeelt dan ook dat in dit specifieke geval niet gezegd kan worden dat schuldenaar niet te goeder trouw is geweest bij het onbetaald laten van (al) zijn schulden. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een situatie waarbij na toelating tot de schuldsaneringsregeling is gebleken van een weigeringsgrond. Voormelde omstandigheid dient daarom niet tot voortijdige beëindiging van de schuldsaneringsregeling te leiden en het verzoek van de bewindvoerder zal dan ook worden afgewezen.

3 De beslissing

De rechtbank:

- wijst af het verzoek tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling van [schuldenaar] voornoemd.

Gewezen door mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 maart 2018 in aanwezigheid van C.R. Cortenbach-van der Lek LL.B., griffier.