Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:2349

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-02-2018
Datum publicatie
08-03-2018
Zaaknummer
NL17.15517
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 9 Dublinverordening, verblijfstatus minderjarige kinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.15517


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 februari 2018 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

(gemachtigde: mr. H.A.C. Klein Hesselink),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen).

Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen omdat Italië verantwoordelijk wordt geacht voor de behandeling ervan.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.15518, plaatsgevonden op 22 februari 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Shikh-Salo. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is staatloos en afkomstig uit Raqqa in Syrië. Zij is geboren op [geboortedatum]. Op 9 mei 2017 heeft eiseres een asielaanvraag in Nederland ingediend. Bij besluit van 4 september 2017 heeft verweerder de aanvraag van eiseres niet in behandeling genomen omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. Bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 26 september 2017 (NL17.8182) is het beroep gegrond verklaard voor wat betreft het beroep van eiseres op artikel 9 van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening), en is het besluit van verweerder van 4 september 2017 vernietigd. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat verweerder niet heeft gemotiveerd of de twee minderjarige kinderen van eiseres, die in het kader van nareis in Duitsland bij haar ex-echtgenoot verblijven, aldaar internationale bescherming genieten. Daardoor kan niet beoordeeld worden of eiseres een geslaagd beroep op artikel 9 van de Dublinverordening toekomt.

2. Verweerder heeft op 7 november 2017 wederom een voornemen uitgebracht waarop eiseres bij zienswijzen van 20 november 2017 en 5 december 2017 heeft gereageerd. Vervolgens heeft verweerder bij het bestreden besluit de asielaanvraag van eiseres wederom niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van haar asielaanvraag. Verweerder heeft daarbij verwezen naar de onderzoeksresultaten in een memo van 19 december 2017 van de liaison officer Dublin in Duitsland. Hieruit blijkt dat de ex-echtgenoot van eiseres in Duitsland is erkend als vluchteling, en dat de kinderen van eiseres in het bezit zijn van een reguliere verblijfsvergunning in het kader van nareis bij hun vader. Derhalve gelden de kinderen niet als personen die internationale bescherming genieten en faalt het beroep van eiseres op artikel 9 van de Dublinverordening, aldus verweerder.

3. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat de reguliere verblijfsvergunning van de kinderen van eiseres duidelijk is gebaseerd op de asielstatus van de vader, zodat zij wel degelijk internationale bescherming genieten in de zin van artikel 9 van de Dublinverordening. De vraag of de in een lidstaat aanwezige familieleden in de zin van artikel 9 van de Dublinverordening internationale bescherming genieten, kan niet afhangen van de vraag welke vergunning de desbetreffende lidstaat aan de familieleden verleent.

4. Bij brief van 10 januari 2018 heeft verweerder de rechtbank verzocht om aanhouding van het beroep, teneinde de Duitse autoriteiten te vragen of zij eiseres op grond van artikel 17, tweede lid, van de Dublinverordening onverplicht willen overnemen. De rechtbank heeft dit verzoek om aanhouding op 11 januari 2018 gehonoreerd.

5. Bij brief van 29 januari 2018 heeft verweerder de rechtbank meegedeeld dat Duitsland het verzoek ex artikel 17, tweede lid, van de Dublinverordening heeft afgewezen.

De rechtbank oordeelt als volgt.

6. De rechtbank stelt vast dat slechts in geschil is of eiseres een geslaagd beroep kan doen op artikel 9 van de Dublinverordening in verband met het feit dat haar minderjarige kinderen in het kader van nareis in Duitsland verblijven.

7. In artikel 9 van de Dublinverordening is bepaald dat wanneer een gezinslid van de verzoeker, ongeacht of het gezin reeds in het land van oorsprong was gevormd, als persoon die internationale bescherming geniet, is toegelaten voor verblijf in een lidstaat, deze lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, mits de betrokkenen schriftelijk hebben verklaard dat zij dat wensen.

8. Nog afgezien van het feit dat een schriftelijke verklaring van instemming van de betrokkenen ontbreekt, is de rechtbank van oordeel dat eiseres geen geslaagd beroep kan doen op artikel 9 van de Dublinverordening omdat thans uit informatie van de Duitse autoriteiten is gebleken dat de minderjarige kinderen van eiseres in Duitsland geen internationale bescherming genieten. Haar kinderen zijn immers in het kader van nareis bij hun vader, die wel internationale bescherming geniet, door Duitsland in het bezit gesteld van een nationale reguliere verblijfsvergunning en genieten zelf geen internationale bescherming.

De rechtbank volgt dan ook niet de stelling van eiseres dat de kinderen in wezen internationale bescherming genieten. Blijkens de in artikel 2, aanhef en onder f, van de Dublinverordening opgenomen definitie van “persoon die internationale bescherming geniet” is dat immers een onderdaan van een derde land of een staatloze aan wie internationale bescherming is verleend in de zin van artikel 2, onder a), van Richtlijn 2011/95/EU (de Kwalificatierichtlijn), te weten de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus.

9. De rechtbank is voorts met verweerder van oordeel dat de vaststelling van de aard van de vergunning van de in de desbetreffende lidstaat verblijvende familieleden bepalend is voor de toepasselijkheid van artikel 9 van de Dublinverordening. Daarbij is het de verantwoordelijkheid van de desbetreffende lidstaat om de aard van de vergunning van deze gezinsleden vast te stellen. De rechtbank verwijst in dit kader naar de eerste twee leden van artikel 23 van de Kwalificatierichtlijn, die als volgt luiden:

“1. De lidstaten zorgen ervoor dat het gezin in stand kan worden gehouden.

2. De lidstaten waarborgen dat gezinsleden van de persoon die internationale bescherming geniet die zelf niet in aanmerking komen voor dergelijke bescherming aanspraak kunnen maken op de in de artikelen 24 tot en met 35 genoemde voordelen, overeenkomstig de nationale procedures en voor zover verenigbaar met de persoonlijke juridische status van het gezinslid.”

10. De rechtbank concludeert dan ook dat Duitsland overeenkomstig zijn nationale procedures een reguliere verblijfsvergunning aan de kinderen van eiseres heeft verleend, zodat eiseres aan die vergunning geen rechten kan ontlenen in het kader van artikel 9 van de Dublinverordening. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat over de uitleg van deze bepalingen geen twijfel, zodat er – anders dan eiseres ter zitting heeft geopperd - geen aanleiding bestaat prejudiciële vragen over deze casus te stellen.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.