Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:2347

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-02-2018
Datum publicatie
06-03-2018
Zaaknummer
awb 17/15440
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

nareis, driemaandentermijn, niet verschoonbaar

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 17/15440

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 27 februari 2018 in de zaak tussen

[eiseres 1], eiseres 1,

[eiser] , eiser,

[eiseres 2] , eiseres 2,

tezamen: eisers,

gemachtigde: mr. F.A. van de Berg,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (daaronder mede begrepen zijn rechtsvoorgangers), verweerder,

gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman.

Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 13 oktober 2017 (het bestreden besluit).

Bij brief van 29 november 2017 heeft de rechtbank aan eisers meegedeeld dat zij voornemens is dit beroep aan te houden in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 21 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1609. Eisers zijn in de gelegenheid gesteld om schriftelijk hierop te reageren.

Bij brief van 11 december 2017 hebben eisers meegedeeld dat zij de aanhouding niet op prijs stellen. Zij hebben verzocht om het beroep op zitting te plannen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 5 februari 2018. Eisers zijn verschenen bij hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting waren tevens aanwezig [referent] (referent) en M. Fayez, tolk.

Overwegingen

1. Op 15 februari 2015 is aan referent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. Op 9 juni 2016 heeft hij een aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) ingediend in het kader van nareis ten behoeve van eisers. Het betreft zijn echtgenote, die in Marokko verblijft, en hun twee minderjarige kinderen die in Syrië bij hun oma verblijven. Bij besluit van 21 maart 2017 heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat deze niet is ingediend binnen drie maanden nadat de verblijfsvergunning asiel aan referent is verleend en de termijnoverschrijding van ruim een jaar en een maand niet verschoonbaar is.

2. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eisers daartegen ongegrond verklaard.

3. Op wat eisers hiertegen in beroep hebben aangevoerd wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Verschoonbaarheid

4. Tussen partijen is niet in geschil dat de door referent ten behoeve van eisers ingediende mvv-aanvraag niet is ingediend binnen de in artikel 29, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 genoemde termijn van drie maanden. Het geschil van partijen spitst zich allereerst toe op de vraag of deze termijnoverschrijding verschoonbaar is.

5. Uit de stukken in deze zaak, waaronder het rapport van gehoor van 24 oktober 2016 van referent, blijkt het volgende. Referent is op 15 februari 2015 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Tijdens zijn verblijf in het AZC, in maart 2015, kreeg hij een telefoontje met de mededeling dat eiser ernstig gewond was geraakt bij een bombardement en was opgenomen in een ziekenhuis. Referent is in juli of augustus 2015 naar Libanon gereisd en heeft zijn auto verkocht. Met de opbrengst daarvan heeft hij de operaties van eiser bekostigd. Vervolgens is referent op 2 augustus 2015 teruggekeerd naar Nederland.

6. Volgens de verklaring van referent ter zitting heeft hij tijdens zijn verblijf in het AZC aan een medewerkster van VluchtelingenWerk gevraagd om hem te helpen bij zijn nareisaanvraag. Volgens referent deed zij vervolgens niets. Omdat referent naar zijn zeggen teveel in beslag werd genomen door de gebeurtenissen met eiser, heeft hij na zijn terugkeer uit Libanon eerst op 9 juni 2016 de nareisaanvraag ingediend.

7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat de termijnoverschrijding van ruim een jaar niet verschoonbaar is. Ook ter zitting heeft referent geen bevredigende verklaring kunnen geven voor het feit dat hij de driemaandentermijn heeft laten verlopen zonder actie te ondernemen. Van belang hierbij is dat referent zich gedurende deze termijn voor het indienen van een nareisaanvraag nog in Nederland bevond. Niet valt in te zien waarom hij geen advocaat of een andere belangenbehartiger had kunnen inschakelen. Verder heeft referent geen stukken overgelegd die zijn standpunt onderbouwen dat de medewerkster van VluchtelingenWerk niets heeft ondernomen en dat er al een aantal klachten over haar zijn ingediend.

Het te laat indienen van de onderhavige aanvraag dient derhalve voor rekening en risico van referent te komen.

8. Ook ziet de rechtbank, gelet op de mate van termijnoverschrijding in de zaak van eisers, geen aanleiding om in dit geval aan te sluiten bij de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 17 maart 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:8697. In die zaak was de termijnoverschrijding zo gering dat de vreemdeling met succes kon verwijzen naar de toezeggingen over dit onderwerp van verweerder in de Tweede Kamer.

Verenigbaarheid met de Gezinsherenigingsrichtlijn

9. Zoals onder ‘procesverloop’ is vermeld, heeft de Afdeling bij uitspraak van 21 juni 2017 prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) gesteld inzake de termijnoverschrijding bij mvv-aanvragen in het kader van nareis. De vraag is of Richtlijn 2003/86/86/EG (Gezinsherenigingsrichtlijn) toestaat dat een aanvraag om gezinshereniging wordt afgewezen om de enkele reden dat die aanvraag buiten de termijn van drie maanden is ingediend.

10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat de driemaandentermijn in overeenstemming is met artikel 12, eerste lid, derde alinea, van de Gezinsherenigingsrichtlijn.

Zoals ook ter zitting is besproken, is er gelet op de omvang van de termijnoverschrijding geen reden om vooruit te lopen op de beantwoording van de prejudiciële vragen door het Hof.

Slotsom

11. Het beroep is ongegrond.

12. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Loonstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2018.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.