Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:2343

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-02-2018
Datum publicatie
08-03-2018
Zaaknummer
NL18.1749
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Libiër

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.1749


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 februari 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: L. Verheijen).

Procesverloop

Bij besluit van 25 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.1750, plaatsgevonden op 21 februari 2018. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door

hun gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Benmohamed.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Libische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum]. Hij heeft op 19 oktober 2017 een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in Nederland.

2. Uit Eurodac is gebleken dat eiser de buitengrens van de lidstaten die zijn gebonden aan de Verordening (EU) nr. 603/2013 (Eurodacverordening) op 18 april 2017 op illegale wijze heeft overschreden via Italië. De Nederlandse autoriteiten hebben Italië op 26 oktober 2017 gevraagd om eiser terug te nemen op grond van artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening. Italië heeft op 24 november 2017 ingestemd met dit verzoek.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers aanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), omdat verweerder Italië daarvoor verantwoordelijk acht. In wat eiser heeft aangevoerd ziet verweerder geen aanleiding om eisers asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich te trekken.

4.
Eiser voert aan dat ten aanzien van Italië niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Er is sprake van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en van de opvangvoorzieningen in Italië, op grond waarvan hij een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest van de Europese Unie (Handvest). In dat kader verwijst eiser naar het rapport van Schweizerische Flüchtlingshilfe (SFH) van 15 augustus 2016, het rapport van Amnesty International 'Hotspot Italy': How EU’s flagship approach leads to violations of refugee and migrants rights, het Country Report Italy van 28 februari 2017 van de Asylum Information Database (AIDA) , het rapport van Artsen zonder Grenzen "Out of sight, asylum seekers and refugees in Italy" van maart 2016, het World Report 2017-European Union van Human Rights Watch (HRW), het rapport van USDOS van 3 maart 2017, het bericht van UHNCR van 3 juli 2017, alsmede het rapport van de Werkgroep van Deskundigen over Mensen met Afrikaanse Afkomst van 12 augustus 2016.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Niet in geschil is dat Italië in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielverzoek. In geschil is of verweerder ten aanzien van Italië nog mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In zijn algemeenheid mag verweerder ervan uitgaan dat Italië zijn verdragsverplichtingen tegenover vreemdelingen nakomt. Het ligt daarom op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat Italië dit niet doet. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat eiser hierin niet is geslaagd.

6. De rechtbank stelt voorop dat uit bestendige jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat, hoewel er problemen zijn in de opvang van asielzoekers in Italië, de situatie niet vergelijkbaar is met die in Griekenland ten tijde van het arrest M.S.S. tegen België en Griekenland (onder meer het arrest M.O.S.H. tegen Nederland, nr. 63469/09), zodat ondanks bedoelde problemen verweerder nog steeds mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt deze lijn (zie de door verweerder aangehaalde uitspraak van 10 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2278, en meer recent de uitspraak van 30 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1454).

7. De informatie in de door eiser aangehaalde rapporten schetst – voor zover deze in voornoemde uitspraken nog niet is beoordeeld – geen wezenlijk ander beeld van de situatie in Italië. Weliswaar bevestigen deze rapporten dat sprake is van tekortkomingen, maar zij bieden onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van ernstige structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Italië op grond waarvan niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eisers stelling dat verweerder bij zijn verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 10 augustus 2016 miskent dat de Afdeling niet het rapport van de Werkgroep van Deskundigen over Mensen met Afrikaanse Afkomst in zijn beoordeling heeft betrokken slaagt niet. De rechtbank verwijst hiervoor naar pagina 6 van het bestreden besluit. De rechtbank merkt hierbij ten overvloede op dat eiser zich bij voorkomende problemen kan wenden tot de daartoe aangewezen (hogere) autoriteiten, dan wel daarvoor bestemde instanties. Niet is gebleken dat de Italiaanse autoriteiten hem niet zouden kunnen of willen helpen.

8.
Eiser stelt in beroep dat verweerder ten onrechte verwijst naar het arrest van het EHRM van 18 juni 2013 (Halimi v. Oostenrijk en Italië), gelet op de recente toename in de toestroom van vluchtelingen naar Italië, waarbij hij wijst op een bericht van Integrated Regional Information Network (IRIN) van 15 juni 2017, en het rapport van de European Council on Refugees and Exiles (ECRE) van mei 2017. Eiser kan ook in deze stelling niet worden gevolgd. Verweerder baseert zich immers ook op andere (meer recente) uitspraken, waaronder die van de Afdeling, waarin de actuele instroom van vluchtelingen in Italië is verdisconteerd. Daarbij komt dat ervan uit mag worden gegaan dat eiser, ten aanzien van wie Italië de claim heeft geaccepteerd, als Dublinclaimant voor opvang in aanmerking komt. In zoverre heeft hij niet dezelfde positie als elke willekeurige asielzoeker die in Italië aankomt. Ten aanzien van de asielprocedure acht de rechtbank de in de bronnen beschreven problemen niet zodanig ernstig dat eiser geen deugdelijke beslissing kan krijgen op zijn asielaanvraag, en dat hij geen deugdelijk rechtsmiddel heeft als zijn aanvraag wordt afgewezen.

9. De slotsom is dat verweerder nog steeds mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië. Verweerder heeft daarom de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser niet aan zich hoeven trekken. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. Holierhoek, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.