Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:2332

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-03-2018
Datum publicatie
12-04-2018
Zaaknummer
6566153 RL EXPL 18-370
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering niet cijfermatig onderbouwd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Gravenhage

AN

Rolnr.: 6566153 RL EXPL 18-370

5 maart 2018

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

De besloten vennootschap Invorderingsbedrijf B.V.,
gevestigd te ’s-Gravenhage,
eiseres,
gemachtigde: mr. M. Leung,

tegen

de besloten vennootschap Jobcenter Haaglanden B.V.,

gevestigd te Poeldijk (gemeente Westland),
gedaagde,
gemachtigde: F. Ozay.

1 Procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • -

    de dagvaarding van 19 december 2017;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    de in het geding gebrachte producties.

Op 13 februari 2018 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden, waarbij zijn verschenen [B] namens eiseres. Gedaagde is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt, die zich in het griffiedossier bevinden. Vervolgens is de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2 Feiten

2.1

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of niet voldoende gemotiveerd weersproken, mede op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de overgelegde producties, voor zover in dezen van belang, het navolgende vast.

2.2

Partijen hebben een overeenkomst van opdracht gesloten. Eiseres heeft aan gedaagde voor de door haar geleverde diensten een factuur gezonden ter hoogte van € 2.163,82,-.

3 Vordering, grondslag en verweer

3.1

Eiseres vordert veroordeling van gedaagde bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisende partij te betalen een bedrag van € 2.717,35, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 2.163,82 vanaf de dag der dagvaarding tot de dag van algehele voldoening, met veroordeling van gedaagde in de kosten van deze procedure.

3.2

Eiseres legt aan deze vordering, naast voormelde feiten, het navolgende ten grondslag. Gedaagde heeft de overeenkomst beëindigd en daarmee eenzijdig ontbonden. Eiseres heeft een afrekening gemaakt. Gedaagde is die bedragen verschuldigd op grond van de toepasselijke algemene voorwaarden die onderdeel uitmaken van de overeenkomst artikel 9.3 en subsidiair op grond van de wet.

3.3

Gedaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd, waarop hierna – voor zover van belang – zal worden ingegaan.

4 Beoordeling

4.1

Alvorens de kantonrechter in zal gaan op de inhoudelijke argumenten van partijen merkt zij op dat in de dagvaarding het verweer – wat gelet op de correspondentie gevoegd bij de conclusie van antwoord – bekend was bij eiseres niet is opgenomen. De kantonrechter stelt dat ook vast dat eiseres niet aan alle eisen van artikel 111 lid 3 Burgerlijke rechtsvordering heeft voldaan. Nu gedaagde niet haar belangen is geschaad zal de kantonrechter er geen gevolgen aan verbinden. Wel dient gezegd te worden dat van een professionele partij zoals eiseres beoogd te zijn verwacht mag worden dat in gerechtelijke procedures aan alle wettelijke vereisten wordt voldaan.

Daarnaast zijn de door eiseres overgelegde producties waar zij in haar dagvaarding naar verwijst nauwelijks leesbaar. Ook dit verdient niet de schoonheidsprijs.

4.2

Gedaagde heeft als verweer aangevoerd dat – anders dan eiseres ter zitting heeft betoogd – niet duidelijk is hoe de hoofdsom is opgebouwd. Eiseres heeft een bedrag aan hoofdsom gevorderd van € 2.163,82. Uit de dagvaarding blijkt dat dit bedrag de som zou moeten zijn van een percentage waar eiseres recht op heeft bij het opzeggen van de overeenkomst van opdracht door gedaagde. Gesteld door eiseres is dat zij immers recht heeft op 15% commissie over de gehele haar ter incasso gestelde vordering, en andere kosten. Uit de dagvaarding is niet gebleken wat de hoogte van de aan haar ter incasso gestelde vordering is geweest. Gelet op het reeds bij eiseres bekende verweer van gedaagde had het op de weg van eiseres gelegen om bij dagvaarding haar vordering cijfermatig te onderbouwen. Nu deze cijfermatige onderbouwing ook na conclusie van antwoord is uitgebleven zal de kantonrechter de vordering van eiseres als onvoldoende onderbouwd afwijzen.

4.3

De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke handelsrente zullen nu de hoofdsom wordt afgewezen eveneens worden afgewezen.

4.4

De kantonrechter ziet aanleiding om de proceskosten te compenseren zodat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

5 Beslissing

De kantonrechter:

  • -

    wijst de vordering af;

  • -

    compenseert de proceskosten zodat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. E.A.W. Schippers en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 maart 2018.