Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:2300

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-02-2018
Datum publicatie
15-02-2019
Zaaknummer
AWB - 17 _ 6254
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 17/6254

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 februari 2018 in de zaak tussen

[eiseres], wonende te [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. G.D. Haytink),

en

Belastingdienst/Toeslagen, kantoor [plaats], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft met dagtekening 6 februari 2015 het voorschot kinderopvangtoeslag over het berekeningsjaar 2014 (kinderopvangtoeslag 2014) herzien tot een bedrag van € 0.

Verweerder heeft bij beslissing op bezwaar van 15 maart 2017 het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2018.

Namens eiseres is haar gemachtigde verschenen. Namens verweerder is [X] verschenen.

Overwegingen

Feiten

1. Met dagtekening 27 december 2013 is aan eiseres een voorschot kinderopvangtoeslag 2014 toegekend van € 5.379.

2. Eiseres maakt gedurende het jaar 2014 gebruik van 2 verschillende gastouders bij gastouderbureau [gastouderbureau 1] voor de opvang van haar jongste dochter.

3. Volgens de jaaropgave van gastouderbureau [gastouderbureau 1] bedroegen de totale opvangkosten bij gastouder [gastouderbureau 2] € 4.365,81 en bij gastouder [gastouderbureau 3] € 2.088,93. In totaal bedroegen de opvangkosten derhalve € 6.454,74.

4. Bij beschikking, met dagtekening 6 februari 2015, is het voorschot kinderopvangtoeslag 2014 herzien tot een bedrag van € 0.

5. Eiseres heeft een bezwaarschrift ingediend tegen de onder 4 vermelde beschikking.

6. Bij beslissing op bezwaar van 15 maar 2017 heeft verweerder het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

7. Eiseres heeft met dagtekening 5 september 2017 beroep aangetekend tegen de beslissing op bezwaar.

Geschil
8. In geschil is allereerst de vraag of eiseres ontvankelijk is in haar beroep. Indien die vraag bevestigend dient te worden beantwoord is in geschil of verweerder terecht de kinderopvangtoeslag 2014 heeft herzien tot een bedrag van € 0.

9. Eiseres stelt dat zij de beslissing op bezwaar niet heeft ontvangen. Haar gemachtigde heeft na telefonisch contact met verweerder alsnog (een kopie) van de beslissing op bezwaar ontvangen. Verder voert eiseres aan dat zij de kosten van kinderopvang volledig heeft betaald.

10. Verweerder stelt dat eiseres niet ontvankelijk is in haar beroep. Mocht de rechtbank tot het oordeel komen dat eiseres wel ontvankelijk is in haar beroep, dan stelt verweerder zich op het standpunt dat eiseres niet heeft aangetoond dat zij alle kosten van kinderopvang heeft voldaan. Ook stelt verweerder dat de door eiseres overgelegde betalingsoverzichten niet authentiek zijn.

Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid

11. In artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken bedraagt. Deze termijn vangt ingevolge artikel 6:8 van de Awb in samenhang met artikel 36 van de Algemene wet inkomens-afhankelijke regelingen (Awir) aan op de dag na die van dagtekening van een uitspraak op bezwaar, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. In artikel 3:41, eerste lid van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot één of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking. Naar volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge artikel 6:11 Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

12. Aangezien het beroepschrift door de rechtbank is ontvangen op 7 september 2017 en de beroepstermijn afliep op 26 april 2017, is het beroep in beginsel niet tijdig, immers meer dan zeven weken na de dagtekening van de beslissing op bezwaar, ontvangen.

13. Nu eiseres stelt dat zij de niet aangetekend verzonden beslissing op bezwaar niet heeft ontvangen, is het volgens vaste rechtspraak aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het besluit is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het besluit op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Voorts dient niet gebleken te zijn van problemen bij de verzending van poststukken.

14. Verweerder heeft een uitdraai overgelegd met daarop de tekst “proces en processtap details”. Hierop staat een naam van een medewerker van verweerder vermeld en de tekst dat de beslissing op bezwaar is verstuurd. De rechtbank acht de door verweerder overgelegde uitdraai onvoldoende om op grond daarvan te kunnen oordelen dat de beslissing op bezwaar op of rond 10 maart 2017 is verzonden. Verweerder heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat de beslissing op bezwaar op die datum op de voorgeschreven wijze aan eiseres is bekendgemaakt. Voor de vraag wanneer de beroepstermijn is aangevangen, is bepalend of en, zo ja, wanneer de beslissing op bezwaar op een ander moment bij eiseres bekend is geworden. Niet in geschil is dat verweerder een kopie van het besluit op bezwaar heeft toegezonden aan gemachtigde van eiseres op 29 augustus 2017, en daarom is de beroepstermijn de dag daarna aangevangen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het door eiseres ingediende beroepschrift, wat door de rechtbank ontvangen is op 7 september 2017, tijdig is ingediend. Het beroep is ontvankelijk.

Kinderopvangtoeslag

15. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (RVS) volgt uit artikel 18, eerste lid, van de Awir, gelezen in samenhang met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wko), in de destijds geldende tekst, dat degene die kinderopvangtoeslag ontvangt, moet kunnen aantonen dat hij kosten voor kinderopvang heeft gemaakt en wat de hoogte is van deze kosten (vgl. bijvoorbeeld de uitspraak van de RVS van 19 oktober 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT8569).

16. Om voor kinderopvangtoeslag in aanmerking te komen moet het gehele bedrag van de in de jaaropgave opgenomen kosten worden betaald (zie de uitspraak van de RVS van 19 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY6772). Volgens de door eiseres overgelegde jaaropgave was zij in 2014 een totaalbedrag van € 6.454,74 aan kinderopvangkosten verschuldigd.

17. Naar aanleiding van signalen over misbruik van de kinderopvangtoeslag bij gastouderbureau [gastouderbureau 1] is verweerder een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de verstrekte kinderopvangtoeslag aan vraagouders. In het kader van dat onderzoek heeft verweerder bankafschriften van gastouderbureau [gastouderbureau 1] gevorderd bij de ING bank. Uit deze afschriften volgt dat eiseres in 2014 een bedrag van € 5.017 aan kinderopvangkosten aan [gastouderbureau 1] heeft voldaan. Uit deze afschriften van de ING bank blijkt dat meestal een bedrag van € 448 per maand aan kinderopvangkosten door eiseres is voldaan. Dit bedrag wijkt af van de eerder door eiseres overgelegde dagafschriften in het kader van de bezwaarprocedure waarop veelal bedragen van € 537 per maand worden vermeld. In beroep heeft eiseres dagafschriften overgelegd over de periode augustus tot en met november 2014 waaruit ook het lagere bedrag van € 448 blijkt. Ter zitting heeft gemachtigde van eiseres het aanbod gedaan om na de vakantie van eiseres alsnog betalingsbewijzen te overleggen over de maanden november en december 2014. De rechtbank passeert dit bewijsaanbod nu uit de door verweerder bij de ING bank opgevraagde dagafschriften afdoende blijkt welk bedrag aan kinderopvangkosten eiseres over het jaar 2014 aan gastouderbureau [gastouderbureau 1] heeft betaald.

18. Nu eiseres, gelet op het overwogene onder 17, niet heeft aangetoond dat zij de volgens de jaaropgave verschuldigde kosten van kinderopvang van € 6.454,74 heeft betaald, heeft verweerder terecht de kinderopvangtoeslag 2014 op nihil vastgesteld. Eiseres heeft weliswaar een deel van de kosten van de kinderopvang over 2014 wel voldaan, dit betekent echter niet dat zij aanspraak kan maken op een evenredig lager voorschot (vgl. de uitspraak van de RVS van 9 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2519).

19. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

20. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.I. Batelaan-Boomsma, rechter, in aanwezigheid van

mr. B. van Eeuwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

2 februari 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019,

2500 EA Den Haag. (Nadere informatie www.raadvanstate.nl)