Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:2283

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-02-2018
Datum publicatie
08-03-2018
Zaaknummer
NL18.3707
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bezwaar tegen feitelijke uitzetting, artikel 13, eerste lid, Dublinverordening, afwijzing vovo

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.3707


uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 februari 2018 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam] , verzoeker

(gemachtigde: mr. C.G. Matze),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. F.M. Ticheler).


Procesverloop

Verzoeker heeft op 22 februari 2018 beroep (zaaknummer NL18.3706) ingesteld tegen de voorgenomen feitelijke uitzetting op 27 februari 2018 om 09:30 uur met vlucht KL1555 naar Italië (Turijn). De rechtbank heeft dit beroepschrift, gelet op de toelichting, aangemerkt als bezwaarschrift gericht tegen de feitelijke uitzetting. Het stuk is daarom met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doorgezonden aan verweerder om als bezwaarschrift te worden behandeld.

Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt uitzetting te verbieden totdat op het bezwaar is beslist.

De gemachtigde van verzoeker heeft op 22 februari 2018 de gronden van verzoek

ingediend.

Verweerder heeft in een e-mailbericht van 23 februari 2018 zijn reactie op het verzoek

kenbaar gemaakt.

De voorzieningenrechter heeft bepaald dat op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de

Awb het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten. Verzoeker is van Algerijnse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] . De asielaanvraag van verzoeker van 22 februari 2017 is bij besluit van 16 mei 2017 niet in behandeling genomen op de grond dat Italië in het kader van verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) verantwoordelijk voor de behandeling van de aanvraag. Het daartegen ingestelde beroep van verzoeker is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 7 juni 2017 (AWB 17/10441) ongegrond verklaard. Het hiertegen ingestelde hoger beroep is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij uitspraak van 23 juni 2017 (201704781/1/V3) kennelijk ongegrond verklaard.

De overdracht van verzoeker op 23 juni 2017, met vlucht KL 1555 naar Italië (Turijn), is geannuleerd omdat verzoeker zich niet heeft gemeld. Op 29 juni 2017 heeft verweerder de Italiaanse autoriteiten geïnformeerd dat de overdracht van verzoeker op 23 juni 2017 niet kon worden uitgevoerd binnen de gestelde termijn, omdat verzoeker is verdwenen.

Op 18 januari 2018 heeft verzoeker zich opnieuw gemeld voor het indienen van een asielaanvraag. Op 14 februari 2018 is een maatregel van bewaring als bedoeld in artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) aan verzoeker opgelegd. Op 15 februari 2018 heeft de Dienst Terugkeer en Vertrek een vertrekgesprek met verzoeker gehouden. Bij brief van 21 februari 2018 heeft verweerder aan verzoeker meegedeeld dat hij op 27 februari 2018 om 09:30 uur met vlucht KL 1555 zal uitreizen naar Italië (Turijn).

2. In bezwaar tegen de feitelijke uitzetting voert verzoeker aan dat hij op of rond 7 juni 2017 Nederland heeft verlaten en een asielaanvraag in Duitsland heeft gediend. Verzoeker heeft zich op 18 januari 2018 opnieuw in ter Apel gemeld voor het indienen van een asielaanvraag. Het land waar de claim gelegd wordt, dient volledig geïnformeerd te worden over de omstandigheden van het geval. Dat hij circa zes maanden in Duitsland heeft doorgebracht, kennelijk zonder een claim te leggen, is niet bekend in Italië.

Volgens artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening eindigt de verantwoordelijkheid van Italië twaalf maanden na 21 juli 2016.

3. Verweerder heeft in zijn reactie gesteld dat verzoeker op de dag dat hij vrijwillig zou worden overgedragen aan Italië (23 juni 2017) met onbekende bestemming is vertrokken. Dit is op 29 juni 2017 aan Italië gemeld. Verzoeker heeft op 11 september 2017 in Duitsland een asielverzoek ingediend. Dit is niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verzoeker op 26 september 2017 bij Nederland heeft geclaimd. Deze claim is op 5 oktober 2017 door Nederland afgewezen, omdat Italië verantwoordelijk is. Niet is gebleken dat Duitsland het asielverzoek zelf is gaan behandelen. Verzoeker heeft dit ook verklaard

tijdens het M110 gehoor. Op 18 januari 2018 duikt verzoeker weer in Nederland op. Op 15 februari 2018 is aan Italië gemeld dat verzoeker op 27 februari 2018 aan hen zal worden overgedragen. Deze overdracht is niet geweigerd. Italië is dus (nog steeds) verantwoordelijk en verzoeker wordt daarom terecht naar Italië overgedragen.

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.

4. De voorzieningenrechter gaat na of een voorlopige voorziening moet worden getroffen omdat de uitkomst in de bodemprocedure – hier de bezwaarprocedure – niet kan worden afgewacht. De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoeker die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van verweerder die pleiten tegen het treffen daarvan. Dit staat in artikel 8:81 van de Awb.

5. Verzoeker heeft zich beroepen op de termijn van twaalf maanden, genoemd in artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening. Deze termijn is aangevangen op 21 juli 2016, de datum van registratie na binnenkomst in Italië, en daarom geëindigd op 21 juli 2017. Uit de stukken blijkt dat verweerder binnen deze termijn een overnameverzoek heeft ingediend, dat binnen deze termijn het overnameverzoek is geaccepteerd, dat binnen deze termijn de overdacht zou plaatsvinden en dat de overdracht niet is doorgegaan omdat verzoeker zich heeft onttrokken aan de overdracht.

6. Met de termijn van twaalf maanden heeft de Europese wetgever beoogd om de ontvangende lidstaat niet langer dan twaalf maanden in het ongewisse te laten over zijn verantwoordelijkheid op grond van artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening.

Gelet op het hiervoor beschreven samenstel van feiten is binnen de genoemde termijn een beroep gedaan op de verantwoordelijkheid van Italië ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening. Verzoeker kan daarom geen aanspraken ontlenen aan de termijn van twaalf maanden.

7. Gelet hierop wordt geconcludeerd dat het bezwaar tegen de feitelijke uitzetting geen redelijke kans van slagen heeft. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2018.

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.