Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:2247

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-03-2018
Datum publicatie
01-03-2018
Zaaknummer
NL18.1870
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Dublin Zwitserland.

Eritrea.

Illegale grensoverschrijding.

Verschil in beleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.1870


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 maart 2018 in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. J.M.M. Verstrepen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. I.E. Lemmers).

Procesverloop

Bij besluit van 26 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Zwitserland verantwoordelijk wordt geacht voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak met nr. NL18.1871, plaatsgevonden op 22 februari 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, alsmede door mr. R. Deniz, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Haile. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Eritrese nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] . Eiser heeft op 17 oktober 2017 een asielaanvraag in Nederland ingediend.

2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen, indien op grond van de Dublinverordening1 is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Zwitserland een verzoek om terugname gedaan, omdat eiser eerder in dat land asiel had aangevraagd en die aanvraag had afgewezen2. Zwitserland heeft dit verzoek aanvaard.

3. Eiser voert aan dat hij in Zwitserland geen daadwerkelijk en effectief rechtsmiddel heeft gehad. Verweerder kan niet zonder meer uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser vreest indirect refoulement als hij aan Zwitserland wordt overgedragen. Eiser verwijst naar broninformatie en rechtspraak in Zwitserland3 waaruit dat blijkt. Eiser voert aan dat artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening in de weg staat aan overdracht aan Zwitserland. In dat verband wordt gewezen op het rapport van 17 oktober 2017 van rapporteur mensenrechten bij de Raad van Europa Nils Muiznieks4 (hierna: het rapport Muiznieks). Het gaat volgens eiser met name om het ontbreken van voldoende hulp aan asielzoekers, om zeer geïsoleerde opvanglocaties en om het ontbreken van subsidiaire bescherming die dezelfde waarborgen biedt als die welke vluchtelingen hebben. Tot slot betoogt eiser dat zijn twee zussen in Nederland zijn toegelaten en dat verweerder om die reden toepassing had moeten geven aan artikel 17 van de Dublinverordening.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Niet in geschil is dat eiser eerder in Zwitserland asiel heeft aangevraagd en dat deze aanvraag is afgewezen bij besluit van 1 september 2017. Om die reden is ook terugname verzocht aan Zwitserland en is Zwitserland met dat verzoek akkoord gegaan. Dat betekent dat Zwitserland in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.

5. Vast staat dat eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag door de Zwitserse autoriteiten geen rechtsmiddel heeft aangewend. Uit dat besluit – dat is overgelegd in deze procedure – blijkt dat het rechtsmiddel van beroep wel openstond. Eiser acht het instellen van beroep zinloos. Eiser wijst er met name op dat het Zwitserse beleid, in afwijking van het beleid van verweerder, inhoudt dat Eritrese asielzoekers geen asielrechtelijke bescherming krijgen voor het enkele feit van illegale grensoverschrijding bij hun vertrek uit Eritrea. Overwogen wordt dat dit klopt: in het afwijzende besluit staat dit vermeld. Bovendien blijkt dit ook uit rechtspraak van het Bundesverwaltungsgericht (BVG), die eiser heeft aangehaald. Uit de uitspraak van het BVG van 17 augustus 2017 blijkt echter ook dat Eritrese asielzoekers niet naar Eritrea kunnen worden uitgezet5. Anders dan eiser ter zitting heeft gesteld, blijkt niet uit het e-mailbericht van Stettler dat er wel gedwongen uitzetting naar Eritrea plaatsvindt. Dit betekent dat niet aannemelijk is dat er gevaar dreigt van refoulement, waartegen artikel 3 van het EVRM6 en artikel 4 van het Handvest7 bescherming bieden. De slotsom is dat eiser wel een effectief rechtsmiddel had: hij had beroep kunnen instellen bij de Zwitserse rechter. Hij had voorts bij ongegrondverklaring van zijn beroep een klacht kunnen indienen bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Voor zover daadwerkelijk uitzetting naar Eritrea zou dreigen, had de weg van de voorlopige maatregel (interim measure) kunnen worden gevolgd. Nu Zwitserland de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de in Nederland ingediende asielaanvraag heeft aanvaard, staat de hiervoor beschreven rechtsgang voor eiser (opnieuw) open. Dat eiser geen eerlijk proces zou krijgen en dat hij geen effectief rechtsmiddel zou hebben, als bedoeld in artikel 6 en 13 van het EVRM, bij overdracht aan Zwitserland, wordt niet gevolgd. Verweerder heeft in dit verband ook terecht verwezen naar het arrest van het EHRM8 in de zaak M.O. tegen Zwitserland. Uit dat arrest blijkt niet dat de Zwitserse asielprocedure niet deugdelijk is. Daarin is voorts overwogen dat twijfels over de effectiviteit van de nationale rechtsgang niet voldoende zijn om deze niet te benutten9.

6. Ook het standpunt van eiser dat artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening aan overdracht in de weg staat, gelet op het rapport Muiznieks, wordt niet gevolgd. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat dit rapport vooropstelt dat Zwitserland een deugdelijk stelsel heeft voor de instandhouding en bevordering van de mensenrechten. Op een aantal punten komt het rapport met aanbevelingen, onder meer over de rechtspositie van personen met een subsidiaire beschermingsstatus, over geïsoleerde opvanglocaties en over de toereikendheid van de hulpverlening aan asielzoekers. Anders dan eiser heeft betoogd, blijkt daaruit geenszins dat sprake is van een alarmerende situatie. De rechtbank concludeert dat uit het rapport Muiznieks niet is af te leiden dat sprake is van systeemfouten in de asielopvang en de asielprocedure die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest.

7. Tot slot wordt overwogen dat de beroepsgrond over de toepassing van de humanitaire clausule van artikel 17 van de Dublinverordening evenmin doel treft. Vooropgesteld wordt dat verweerder beoordelingsruimte heeft bij de toepassing van deze bepaling. Verweerder heeft de aanwezigheid van twee zussen van eiser in Nederland niet zodanig bijzonder hoeven achten dat overdracht aan Zwitserland van onevenredige hardheid zou getuigen. Verweerder mocht daarbij in aanmerking nemen dat niet is gebleken dat sprake is van een bijzondere afhankelijkheid tussen eiser en zijn zussen.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Verordening (EU) nr. 604/2013

2 Artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening.

3 E-mailbericht over het Zwitserse beleid en de jurisprudentie van advocaat Stettler van 13 november 2017; Bundesverwaltungsgericht (BVG) van 30 januari 2017 en 17 augustus 2017, D-7898/2015 en D-2311/2016 (https://www.bvger.ch/bvger/en/home/judgments/referenzurteile/asylum/eritrea.html).

4 Rapport van Nils Muiznieks naar aanleiding van zijn bezoek aan Zwitserland van 22 tot 24 mei 2017 (https://rm.coe.int/rapport-suite-a-la-visite-en-suisse-du-22-au-24-mai-2017-de-nils-muizn/168075e90c?_sm_au_=iVV8qMKMsJ6np7DF).

5 Rechtsoverweging 19 van de uitspraak van 17 augustus 2017 van het BVG, nummer D-2311/2016.

6 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

7 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.

8 Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

9 EHRM 20 september 2017, nr. 41282/16, par. 92 (JV 2017/176).